HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/00410
Datum 18 september 2026
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026, nr. 25/141.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 28 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 26 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Belanghebbende heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt met een op 30 juni 2026 via het webportaal van de Hoge Raad ingediende brief.
Belanghebbende voert in de brief van 30 juni 2026 – samengevat – aan dat het op straffe van niet-ontvankelijkheid vooraf moeten betalen van griffierecht als voorwaarde voor het in behandeling nemen van een cassatieberoep zich niet verhoudt met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in samenhang gelezen met artikel 52 daarvan. Belanghebbende stelt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie desgevraagd zal oordelen dat het griffierecht pas achteraf mag worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat deze wijze van heffing veel evenrediger is dan de in artikel 8:41 van de Awb voorgeschreven wijze van heffing. Volgens belanghebbende is de Hoge Raad verplicht hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Hetgeen belanghebbende in de brief van 30 juni 2026 aanvoert, levert geen grond op voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Dit brengt mee dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.