HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01002
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2025, nummer 22-003937-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.M.V. Bandhoe bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
Uit de stukken volgt onder meer dat:- de verdachte tijdens zijn eerste politieverhoor op 20 december 2023 heeft opgegeven dat hij woont bij een kennis op het adres [b-straat 2] (de Hoge Raad begrijpt: in [plaats] ); - de dagvaarding in hoger beroep op 16 januari 2025 is verzonden naar het adres [a-straat 1] in [plaats] (Polen) en op die datum is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;- de dagvaarding in hoger beroep op 20 januari 2025 tevergeefs is aangeboden op het adres [b-straat 1] in [plaats] en vervolgens op 30 januari 2025 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat op die datum een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dat adres; - een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep in de Poolse taal op 28 januari 2025 is verzonden naar het adres [b-straat 1] in [plaats] en naar het adres [a-straat 1] in [plaats] (Polen) ; - de informatiestaat SKDB-persoon van 16 januari 2025, die aan de dagvaarding in hoger beroep is gehecht, inhoudt dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij met ingang van 9 januari 2020 als niet-ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats] (Polen) en dat zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie 2 november 2024) het adres [b-straat 1] in [plaats] is.
Bij de stukken bevindt zich verder een proces-verbaal van verhoor van de verdachte door de politie van 20 december 2023. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
“V: Verbalisant
A: Antwoord verdachte
(...)
V: Waar woont u?
A: Bij een kennis.
V: Op welk adres is dit?
A: Op de [b-straat] .
V: Op welk huisnummer?
A: De straat heb ik jullie verteld en het huisnummer is [2] , maar de postcode en zo weet ik niet.
V: Hoe heet die kennis?
A: [betrokkene 1] .
V: En zijn achternaam?
A: [betrokkene 1] .
V: Staat die [betrokkene 1] daar ingeschreven op dat adres?
A: Dat weet ik niet meneer.
V: [b-straat] nummer [2] toch?
A: Je kan dat indrukken in de hal op de intercom en daar staat [2] .
V: Kunt u mij die woning omschrijven, is dat een portiekflat, zit er een lift in, of is dat een eengezinswoning, zit er een winkel onder?
A: Je komt daar binnen aan de kant van de tuin, daar heb je dus die intercom, ik denk dat dit kamerhuur is, dan heb je een trap naar de verdiepingen.
V: Hoe kom je in die tuin dan?
A: Van de straat.
V: Heb je daar dan een sleutel van?
A: Nee, die kennis is daar altijd en woont daar sinds kort en die kennis zegt dat ik op de intercom moet drukken. Het is daar achter, er is een portiek.
V: En dat portiek, heeft dat een deur of is dat een open portiek?
A: Er is een deur en bij die deur heb je al een intercom.
V: Voordat je het portiek in gaat heb je al die intercom.
A: Ja, precies.
V: Dat klopt niet met de [b-straat 2] , dat is namelijk een open portiek.
A: Ik zei toch nummer is het nummer wat er staat op die intercom, het is het nummer van zijn kamer waarschijnlijk.
V: Hoe ziet dat gebouw er uit dan?
A: Het is gewoon een huis, zoals die daar allemaal staan, gewoon van die huizen, van die stadshuizen.
V: Kortom, we kunnen u daar dan denk ik niet vinden, want ik heb nu niet duidelijk op welk adres u verblijft. Snapt u dat?
A: Ok, dat begrijp ik.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte:
(...)
BRP-adres: [a-straat 1] te [plaats] (Polen) ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te ‘s-Gravenhage, waarnemend voor mr. J.S. Dobosz. De raadsman deelt mede door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle mededelingen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen ten aanzien van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Zij neemt het standpunt in dat er sprake is van een correcte betekening en dat om die reden verstekverlening zou dienen plaats te vinden.
De voorzitter deelt mede:
Het hof deelt dit standpunt. De dagvaarding is tijdig verzonden naar het buitenlandse adres van de verdachte dat in de SKDB staat geregistreerd. Daarnaast is een afschrift verzonden naar het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven. Ook is er een vertaling van de dagvaarding verstuurd naar het buitenlandse adres en het afschriftadres. De verdachte is dus op de in de wet voorgeschreven wijze gedagvaard. Er kan verstek worden verleend en dat doet het hof bij dezen dan ook.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk verklaard.
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36g lid 1, aanhef en onder a, en 3, aanhef en onder b, Sv:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
(...)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
(...)
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven.”
- Artikel 36n lid 3 Sv:
“3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, dan wel
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte kennelijk geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid.”
De vermelding van het adres [b-straat 2] in [plaats] in het proces-verbaal van het eerste verhoor van de verdachte door de politie kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder a, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. De enkele omstandigheid dat de verhorende verbalisanten – zoals blijkt uit het onder 2.2.2 weergegeven proces-verbaal van verhoor – twijfelden over de juistheid van deze adresopgave, brengt niet mee dat er geen sprake is van zo’n adresopgave door de verdachte in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder a, Sv. Ook kan uit de omstandigheid dat in het kader van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep bekend is geworden dat na de adresopgave in het eerste politieverhoor van de verdachte, in de informatiestaat SKDB-persoon een ander adres is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats ( [b-straat 1] in [plaats] ), niet worden afgeleid dat de verdachte uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven het adres [b-straat 2] in [plaats] niet te willen handhaven.
Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan het adres [b-straat 2] in [plaats] is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van artikel 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting aanwezig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736.)
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.