ECLI:NL:HR:2026:1527

ECLI:NL:HR:2026:1527

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 25/02404
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:707

Samenvatting

OM-cassatie en cassatie klager. Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv tegen beschikking Rb over toelaatbaarheid van uitlevering van bestanden op digitale gegevensdragers i.v.m. verschoningsrecht van klager (waarnemer van protocol van oud-notarissen), na tegen andere notaris en diens notarieel juridisch medewerker gerezen verdenking van overtreding van Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en witwassen. 1. OM-cassatie. Kon Rb oordelen dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan verschoningsrecht van de klager moet worden doorbroken? 2. OM-cassatie. Kon Rb oordelen dat stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd ook onder verschoningsrecht vallen? 3. Cassatie klager. Geen schriftuur. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:1290 m.b.t. zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin belang dat waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven verschoningsrecht. Wat betreft belang van waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of betreffende gegevens redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR:1999:ZD7280). Rb heeft geoordeeld dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht van klager moet wijken voor belang van waarheidsvinding. Rb heeft aan oordeel o.m. ten grondslag gelegd dat datering van veel stukken waarop verschoningsrecht rust, buiten periode valt waarop verdenking ziet, en dat (nu door geheimhouders OvJ niet specifiek is aangeduid wat “directe link” is tussen die stukken en verdenking in strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte notaris en juridisch medewerker) niet zodanig verband bestaat tussen stukken die onder verschoningsrecht vallen en verdenking, dat inbreuk op verschoningsrecht noodzakelijk is. Daarmee heeft Rb (niet onbegrijpelijk) tot uitdrukking gebracht dat, wat betreft belang van waarheidsvinding, deze stukken niet in zodanig direct verband staan met strafbaar feit waarvan vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om waarheid aan het licht te brengen. Ook daarop voortbouwend oordeel van Rb dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verschoningsrecht van klager moet wijken voor belang van waarheidsvinding (waarin Rb verder nog heeft betrokken dat klager in deze zaak zelf geen verdachte is en dat niet is komen vast te staan dat relevante gegevens niet op andere manier kunnen worden verkregen), getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Rb heeft t.a.v. enkele stukken overwogen dat “stukken die via openbaar register kunnen worden opgevraagd, ook onder verschoningsrecht van klager vallen, omdat ook t.a.v. deze stukken niet gezegd kan worden dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat standpunt van klager onjuist is”. Rb is daarmee uitgegaan van onjuiste rechtsopvatting. Stukken die raadpleegbaar zijn via openbare registers, kunnen als zodanig niet worden aangemerkt als stukken waarover verschoningsrecht zich uitstrekt. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, o.m. als dergelijke stukken deel uitmaken van andere stukken die onder verschoningsrecht vallen. Rb heeft echter niet vastgesteld dat van zo’n samenhang met andere stukken sprake is. Dat hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot vernietiging van uitspraak Rb en terugwijzing van zaak te leiden, nu het gaat om stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd en waarover OM dus zelf beschikking kan krijgen. Ad 3. Geen middelen ingediend, klager n-o. Volgt verwerping. Samenhang met 25/04731 Bv. Vervolg op HR:2024:1290.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/02404 Bv

Datum 22 september 2026

BESCHIKKING

op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2025, nummer RK 24/027861, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

handelend in zijn hoedanigheid van waarnemer van het protocol van oud-notarissen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ,

thans opgevolgd door [betrokkene 7] ,

hierna: de klager.

1. Procesverloop in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klager en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de klager niet voorgesteld.

Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De raadsvrouw van de klager, L.E.G. van der Hut, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep en tot verwerping van het beroep van het openbaar ministerie.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de klager

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet worden doorbroken.

In deze beklagprocedure heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld (HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290). Het procesverloop in deze zaak voor terugwijzing door de Hoge Raad is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1-2.6. De beschikking van de rechtbank houdt over de gevolgde procedure na terugwijzing het volgende in:

“Op 28 januari 2025 heeft de rechter-commissaris uit eigen beweging per e-mail aan de rechtbank, de raadsvrouw en de officier van justitie een toelichting gegeven op welke wijze het onderzoek van de gegevensbestanden heeft plaatsgevonden en wat haar bevindingen waren. Zij heeft de rechtbank en klager daarbij een inventarisatie verstrekt van de bestanden die betrekking hebben op klager. Tevens heeft zij de rechtbank een Excel-bestand verstrekt, waarop ten aanzien van de aangetroffen bestanden een nadere verduidelijking wordt gegeven van de inhoud van deze bestanden.

Naar aanleiding van de regiezitting op 4 februari 2025 heeft de rechtbank in haar beslissing van 18 februari 2025 het volgende opgenomen. Uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat in de afweging van de rechtbank blijk moet worden gegeven te hebben onderzocht – mede aan de hand van de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht van klager zich uitstrekt en de mate waarin de betrokken belangen van zijn cliënten worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken – of ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van klager sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van deze klager. Om te voldoen aan het op grond van het arrest van de Hoge Raad noodzakelijke nadere onderzoek, is meer inzicht nodig in de aard en de inhoud van de treffers die uit het onderzoek van de inbeslaggenomen bestanden zijn gekomen. Door haar e-mailbericht van 28 januari 2025 heeft de rechter-commissaris, als houder van deze informatie, het de rechtbank en de betrokken partijen mogelijk gemaakt om tot een zinvol debat te komen over de wijze waarop gevolg kan worden gegeven aan het arrest van de Hoge Raad, zodat het verweer van de verdediging dat de rechter-commissaris in die stand van de procedure geen rol meer mocht spelen, is verworpen.

De rechtbank heeft bepaald dat klager door de rechter-commissaris in de gelegenheid diende te worden gesteld tot inzage in de Excel-overzichten en indien nodig de onderliggende stukken. De rechtbank heeft klager verzocht om voor elk stuk waarop hij een beroep doet op zijn verschoningsrecht, te specificeren welke belangen van zijn cliënten daarbij betrokken zijn. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat, voor zover inhoudelijke overlap bestaat tussen individuele (soorten van) stukken, dit per categorie stukken of categorie (andere) cliënten van klager kan worden gespecificeerd.

De rechtbank heeft verder de rechter-commissaris opdracht gegeven een proces-verbaal op te maken waarin deze reacties gecategoriseerd worden, zonder daarbij een eigen oordeel te geven of sprake zou moeten zijn van een doorbreking van het verschoningsrecht van de derde-verschoningsgerechtigden.

Ook heeft de rechtbank het, gelet op de huidige stand van de procedure en de door de rechtbank beoogde vervolgstappen, opportuun geacht dat aan de zijde van het openbaar ministerie een geheimhouderofficier van justitie zou worden aangewezen die net als de verdediging bij de rechter-commissaris kennis kon nemen van de inventarisatielijsten en Excel-overzichten en zo nodig de onderliggende stukken.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechter-commissaris.

Uit het proces-verbaal van verrichtingen van de rechter-commissaris van 27 mei 2025 met betrekking tot inzage en gecategoriseerde reactie van de klagers, volgt dat de rechter commissaris de op 13 maart 2025 aangestelde geheimhouderofficier van justitie op 14 maart 2025 de relevante stukken heeft verstrekt, waaronder inventarisaties, Excel-overzichten en relevante mailwisselingen.

Namens de klager is op 7 maart 2025 aan de rechter-commissaris verzocht om de geheimhouderofficier van justitie te verzoeken het materiaal kritisch te beoordelen op de inbeslagneming als het gaat om de relevantie voor het strafrechtelijk onderzoek. De rechter commissaris heeft dit verzoek op 14 maart 2025 aan de geheimhouderofficier overgebracht en zij heeft de geheimhouderofficier gevraagd om na de kennisneming van het in het geding zijnde materiaal een voorlopig standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de voortduring van de inbeslagneming. Op diezelfde dag heeft de rechter-commissaris op verzoek van de klager en met instemming van de rechtbank, de Excel-overzichten digitaal aan de advocaten van de klagers verstrekt onder de toezegging dat deze Excel-overzichten niet zouden worden verspreid.

De geheimhouderofficier heeft blijkens het proces-verbaal te kennen gegeven geen behoefte te hebben gehad aan inzage in de onderliggende stukken en zij heeft op 19 maart 2025, kort gezegd, aan de rechter-commissaris te kennen gegeven dat de in het geding zijnde documenten van uiteenlopende aard zijn. Het gaat om overeenkomsten, aktes, volmachten en werklijsten, die teruggaan tot het jaar 2003. Alle documenten hebben volgens de geheimhouderofficier treffers op panden met verdachte transacties of namen van betrokken personen met criminele antecedenten en hun ondernemingen. De geheimhouderofficier acht het ten behoeve van de waarheidsvinding dan ook van belang om inzicht te krijgen in de rol en verhouding van de verdachten met betrekking tot de genoemde panden en de personen met criminele antecedenten, waarbij de geheimhouderofficier heeft opgemerkt dat ook de oude berichten die teruggaan tot 2003 van belang zijn om te onderzoeken, omdat hieruit zou kunnen blijken of een bepaalde klantenkring zich al dan niet heeft gekoppeld aan een bepaalde verdachte, hetgeen belastend kan zijn voor die verdachte, maar ook ontlastend voor medeverdachten. De geheimhouderofficier gaat er vanwege de aanwezigheid van treffers op de gefilterde termen van uit dat deze documenten relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek. Zij meent dat het vrijgeven van de documenten de toets van proportionaliteit en subsidiariteit doorstaat en zij ziet dan ook geen reden om het beslag op voorhand in te perken.

Uit de reactie van mr. Van der Hut van 20 maart 2025 op voornoemd standpunt volgt dat de raadslieden van mening zijn dat dit standpunt geenszins in lijn is met de beschikking van de Hoge Raad. Het standpunt geeft volgens hen geen blijk van een concreet onderzoek of aan de voorwaarden voor de doorbreking van het verschoningsrecht van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is voldaan, laat staan dat de betrokken belangen van (andere) cliënten van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn meegewogen. Daarnaast is evident niet getoetst of er bijvoorbeeld sprake is van stukken die uit openbare bronnen kunnen worden gehaald, zoals openbare registers of kadasters, en dus in elk geval niet via deze weg vrijgegeven mogen worden, terwijl daar ten aanzien van het onderhavige beslag wel sprake van is. De raadsvrouw heeft de rechter-commissaris gevraagd om de geheimhouderofficier nogmaals, en in lijn met de beschikking van de Hoge Raad, een gemotiveerd standpunt in te laten nemen.

De geheimhouderofficier van justitie heeft op 21 maart 2025 op voornoemd verzoek gereageerd en gerefereerd aan haar standpunt van 19 maart 2025, waaraan zij heeft toegevoegd dat het feit dat er openbare stukken tussen de stukken zouden zitten, niet afdoet aan het belang van die stukken voor het onderzoek, en dat klagers ten aanzien van die stukken sowieso geen beroep op het verschoningsrecht toekomt. De geheimhouderofficier meent dat het voor de overige stukken aan klager is om aan te geven wat zijn belangen zijn.

De rechter-commissaris heeft zowel de raadslieden als [betrokkene 5] op 24 maart 2025 laten weten dat zij de geheimhouderofficier niet zal opdragen om per (categorie) document een nader standpunt te formuleren, dat met het voorlopige standpunt kan worden volstaan en dat een verder debat in raadkamer dient plaats te vinden. Tevens heeft de rechter commissaris de raadslieden verzocht om binnen twee weken aan te geven of zij nog inzage wensen in de onderliggende stukken.

Klager heeft op 4 en 7 april bij de rechter-commissaris inzage gevraagd in de onderliggende stukken. (...)

Klager en [betrokkene 8] hebben op 15 en 29 april 2025 op het kabinet inzage gehad in de onderliggende stukken in de Axiom Cases.

Op 26 mei 2025 ontving de rechter-commissaris het schriftelijke standpunt van klager, welk standpunt als bijlage aan het proces-verbaal is gehecht. (...)”

De rechtbank heeft het beklag gedeeltelijk gegrond verklaard. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:

6. Inhoud klaagschrift en standpunt klager

Klaagschrift

(...)

Schriftelijk standpunt 26 mei 2025

Klager en zijn raadsman hebben, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op 24 september 2024, op 15 en 29 april 2025 op het kabinet inzage gehad in de onderliggende stukken in de Axiom Cases. Namens klager is in het schriftelijk standpunt van 26 mei 2025, in lijn met de tussenbeslissing van de rechtbank van 18 februari 2025, per (categorie van) inbeslaggenomen stuk(ken) gespecificeerd of het valt onder zijn verschoningsrecht en, zo ja, welke belangen van zijn cliënten daarbij betrokken zijn. De raadslieden hebben opgemerkt dat niet alle documenten konden worden geopend, zoals (...).

Ten aanzien van de documenten die wel zijn ingezien, geldt dat een oppervlakkige inzage in (een deel van) het bronmateriaal direct volstrekt helder zou maken/hebben gemaakt dat het beslag (nog) een enorme hoeveelheid documenten c.q. artefacten bevat die ofwel ogenschijnlijk niets met [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] van doen hebben, ofwel evident op geen enkele wijze kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen met betrekking tot de strafbare feiten waar het onderliggende onderzoek Ambon op ziet en/of anderszins niet voldoen aan de voorwaarden voor doorbreking van het verschoningsrecht in dezen, ofwel andere verschoningsgerechtigden betreffen (die kennelijk niet in kennis zijn gesteld en zijn gevraagd naar een standpunt omtrent de inbeslagneming). Daarnaast is er sprake van een groot aantal doublures.

Het schriftelijk standpunt van 26 mei 2025 houdt, kort gezegd, het volgende in.

Verschoningsgerechtigd materiaal dat onder het verschoningsrecht van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] valt

Ten aanzien van een deel van het beslag geldt dat dit verschoningsgerechtigd materiaal betreft dat onder het verschoningsrecht van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] valt. Ten aanzien van deze stukken stelt klager dat het verschoningsrecht in de weg staat aan inbeslagneming c.q. vrijgave daarvan aan het openbaar ministerie. Er is geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd – doet prevaleren boven het verschoningsrecht, oftewel: die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn beiden niet als verdachte aangemerkt en geenszins kan worden gezegd dat de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Daarbij zijn deze stukken niet strikt nodig voor het aan het licht brengen van de waarheid van de desbetreffende feiten. Het gaat om de volgende stukken: (...).

Notariële stukken dan wel verschoningsgerechtigd materiaal, maar niet te beoordelen of deze informatie in openbare registers is opgenomen dan wel is gedeeld met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] in hoedanigheid van notaris

Ten aanzien van een deel van het beslag geldt dat dit notariële stukken (lijken te) zijn dan wel dat dit verschoningsgerechtigd materiaal betreft, maar dat klager niet kan beoordelen of de informatie ook integraal in openbare registers is opgenomen dan wel of de stukken zijn gedeeld met de notarissen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en aldus zodanig aan hen in hun hoedanigheid van notaris zijn toevertrouwd dan wel deel uitmaken van een notarieel stuk en/of verschoningsrechtigde correspondentie. Een aantal stukken stamt uit een periode van (ver) voor de (aanvang van de) periode waarop de strafrechtelijke verdenkingen zien. Klager stelt zich op het standpunt dat deze stukken evenwel vallen onder het verschoningsrecht, dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen en in het bijzonder niet van stukken die kunnen dienen om de waarheid ten aanzien van de strafbare feiten waarop de verdenking ziet aan het licht te brengen. (...)

Onderhandse akten c.q. stukken

De volgende stukken lijken om onderhandse akten c.q. stukken te gaan, oftewel: schriftelijke stukken die niet zijn opgesteld door een notaris, maar door een of meer partijen onderling, en waar notaris(sen) [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] (ogenschijnlijk) inhoudelijk geen bemoeienis mee heeft/hebben gehad. Toch vallen deze stukken onder het verschoningsrecht van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] , nu het nog steeds stukken kunnen zijn die zien, of waarvan de inhoud ziet, op wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van notaris [betrokkene 4] of [betrokkene 3] . Er is geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen. (...)

Niet-notariële stukken

Tevens bevinden zich in de lijsten stukken die in beginsel geen notariële stukken zijn, maar waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze zijn gedeeld met [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] en dus als zodanig aan hen in hun hoedanigheid van notaris zijn toevertrouwd dan wel op enigerlei wijze - bijvoorbeeld als bijlage - deel uitmaken van een notarieel stuk en/of verschoningsgerechtigde correspondentie. Daarbij komt dat sommige stukken uit een periode stammen van (ver) voor de aanvang van de periode waarop de strafrechtelijke verdenkingen zien. Klager stelt zich op het standpunt dat ook deze stukken vallen onder het verschoningsrecht, dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen en in het bijzonder niet van stukken die kunnen dienen om de waarheid ten aanzien van de strafbare feiten waarop de verdenking ziet aan het licht te brengen. (...)

Stukken zonder namen van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] , maar wel namen van [medeklager] en/of andere notarissen

De volgende stukken hebben ogenschijnlijk niets met [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] te maken, maar bevatten de naam van medeklager [medeklager] en/of andere notarissen. Het is dan ook niet aan klager om zich uit te laten over de vraag of deze vallen onder het verschoningsrecht van [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] . (...)

Niet te beoordelen stukken en referte

Ten aanzien van een aantal stukken kan klager niet beoordelen of deze op enigerlei wijze toch onder diens verschoningsrecht vallen en refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. (...)

In raadkamer hebben de raadslieden, met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van 26 mei 2025, aangevoerd dat alle zich in het beslag bevindende documenten/stukken/artefacten vallen onder het professionele verschoningsrecht van (oud-)notarissen [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] , althans enig professioneel verschoningsrecht, en dat het (belang van eerbiediging dan wel waarborging van het) professionele verschoningsrecht zich verzet tegen inbeslagneming c.q. vrijgave van deze stukken aan het Openbaar Ministerie. Het beklag ten aanzien van al deze stukken dient dan ook gegrond te worden verklaard. Ten aanzien van een enkel, specifiek genoemd document refereert klager zich aan het oordeel van de rechtbank. Een hit of treffer op een dergelijke ‘tag’ is, is naar mening van klager evident onvoldoende om het oordeel te (kunnen) vellen dat deze stukken het belang van de waarheidsvinding kunnen dienen. Dit geldt nog eens in het bijzonder voor de stukken die ruim buiten de periode van verdenking vallen. Op geen enkele wijze wordt of kan worden onderbouwd dat het betreffende stuk daadwerkelijk redelijkerwijs in een zodanig direct verband staat met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat de gegevens in dit stuk kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen ten aanzien van dat feit.

7. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift op alle punten ongegrond moet worden verklaard.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat in het schriftelijk standpunt niet is ingegaan op de mate waarin de belangen van klager bij doorbreking van het verschoningsrecht worden geschaad, terwijl dat blijkens de tussenbeslissing van de rechtbank van 18 februari 2025 wel had gemoeten.

De aard en inhoud van de stukken volgt uit de bevindingen van de rechter-commissaris. Daarbij heeft zij op de juiste manier toegelicht waarom ook de oude stukken van belang kunnen zijn voor het onderzoek. Dat maakt dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan het verschoningsrecht kan worden doorbroken.

Het onderzoek aan de in beslag genomen stukken is van belang om te kunnen vaststellen wat de rol van verdachte [betrokkene 2] is geweest, ook in de periode voordat hij bij [A] werkzaam was. Dit kan belastend zijn voor een verdachte, maar ook ontlastend voor medeverdachten. Door te selecteren op de criminele contacten is al een heel strenge selectie gemaakt als het gaat om de inbeslagneming van de stukken.

8. Beoordeling

Op 19 mei 2022 zijn onder [betrokkene 2] in zijn woning gegevensdragers in beslag genomen. [betrokkene 2] was destijds medewerker van notaris [betrokkene 1] . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden verdacht van overtreding van art. 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Deze verdenking is gebaseerd op 59 transacties die zijn uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot 12 oktober 2022 en die niet aan de FIU zijn gemeld, terwijl wordt vermoed dat de verdachten deze wel hadden moeten melden. Verder is de verdenking gebaseerd op het gegeven dat er in een periode van zes jaar in totaal 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldenrekening van [A] zijn verricht, waarbij acht andere personen betrokken zijn geweest met criminele antecedenten. In de loop van het onderzoek is de verdenking ontstaan dat de verdachten zich tevens schuldig hebben gemaakt aan (het maken van een gewoonte van) (schuld)witwassen ex art. 420bis, 420ter en/of 420quater Sr door het opmaken van hypotheek- en leveringsakten ten behoeve van het verhullen van de oorsprong van de gelden en/of de geldstromen van personen met criminele antecedenten te faciliteren.

Indien de verdenkingen bewezen worden verklaard, is sprake van zeer ernstige delicten gepleegd in een lang tijdsbestek en betrekking hebbend op grote bedragen. Het verwijt is dat [betrokkene 1] en [A] dit bewust, structureel en over een langere periode hebben gedaan en de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris, dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.

Tussen de in beslag genomen stukken bevinden zich stukken waar de namen van [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [medeklager] in voorkomen. Zij zijn geen verdachten in het onderzoek en kunnen worden aangemerkt als derde-verschoningsgerechtigden. De rechtbank gaat ervan uit dat de stukken waar de naam van [medeklager] in voorkomt, onderdeel uitmaken van het beklag in zijn zaak.

Op grond van artikel 98 lid 1 Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of de stukken en/of gegevens onder het verschoningsrecht vallen. Daarbij is irrelevant of de stukken en/of gegevens zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij de cliënt bevinden. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

In deze zaak is de rechter-commissaris er op voorhand van uitgegaan dat klager zich op zijn verschoningsrecht wilde beroepen en heeft zij hem niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het beklag, waartoe art. 98 Sv wel verplicht. De klager is pas na de beslissing van de rechter-commissaris van 9 juni 2023 inzage geboden in de gegevens waar het om gaat. Zoals in het klaagschrift is omschreven, kleefden aan de mogelijkheid tot inzage zodanige gebreken dat op grond hiervan de klager nauwelijks in de gelegenheid was om een standpunt in te nemen ten aanzien van welke gegevens hij zich op zijn verschoningsrecht wilde beroepen. Naar aanleiding van de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad en de tussenbeslissing van de rechtbank van 18 februari 2025, is door klager na de inzage in de onderliggende stukken in de Axiom Cases een schriftelijk standpunt opgesteld waarin per (categorie van) inbeslaggenomen stuk(ken) gespecificeerd is of het valt onder het verschoningsrecht van klager en, zo ja, welke belangen van de cliënten daarbij betrokken zijn. Of de stukken volgens klager al dan niet onder zijn verschoningsrecht vallen, is in raadkamer van 3 juni 2025 uitvoerig besproken.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld ziet of het standpunt van klager, dat zich onder de inbeslaggenomen voorwerpen materiaal bevindt dat onder zijn verschoningsrecht valt, moet worden gerespecteerd, of dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Ten aanzien van stukken waarvan de rechtbank oordeelt dat het verschoningsrecht van klager van toepassing is, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de doorbreking daarvan gerechtvaardigd is.

Wel of geen materiaal dat onder het verschoningsrecht van klager valt?

Ten aanzien van een aantal stukken heeft klager bepleit dat per definitie sprake is van verschoningsgerechtigd materiaal dat onder het verschoningsrecht van [betrokkene 4] en/of [betrokkene 3] valt. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van klager ten aanzien van die stukken dient te worden gerespecteerd, omdat over die stukken niet kan worden gezegd dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het standpunt van klager onjuist is. Dat betekent dat het verschoningsrecht van klager op de volgende stukken van toepassing is: (...)

Ook ten aanzien van de stukken die niet konden worden geopend overweegt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat het standpunt van klager onjuist is. Dat betekent dat het standpunt van klager dient te worden gerespecteerd en dus op deze stukken het verschoningsrecht van klager rust. Het gaat om de volgende stukken: (...)

De rechtbank is van oordeel dat de stukken die via het openbare register kunnen worden opgevraagd, ook onder het verschoningsrecht van klager vallen, omdat ook ten aanzien van deze stukken niet gezegd kan worden dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat het standpunt van klager onjuist is. Dit betreffen de stukken: (...).

De rechtbank ziet dit anders ten aanzien van de overige stukken waarvan klager heeft gesteld dat deze in beginsel geen notariële stukken zijn, de onderhandse akten c.q. stukken, de notariële stukken dan wel verschoningsgerechtigd materiaal, waarvan niet te beoordelen is of deze informatie in openbare registers is opgenomen dan wel is gedeeld met [betrokkene 4] en [betrokkene 3] in hoedanigheid van notaris en de stukken waarin niet de namen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] maar van andere notarissen zijn genoemd. Dat het verschoningsrecht van klager op die stukken van toepassing is, is naar het oordeel van de rechtbank - mede gelet op de begeleidende toelichting - onvoldoende onderbouwd. Dat brengt mee dat het standpunt van klager dat zijn verschoningsrecht ook op deze stukken van toepassing is, niet zal worden gerespecteerd, omdat ten aanzien van deze stukken te veel twijfel bestaat dat het standpunt van klager juist is.

De stukken waaraan klager zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank geldt dat de rechtbank van oordeel is dat op die stukken geen verschoningsrecht van klager van toepassing is. Nu door klager niet kan worden aangetoond dat sprake is van enige betrokkenheid of bemoeienis van notarissen [betrokkene 4] en of [betrokkene 3] bij deze stukken is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van deze stukken het beroep op het verschoningsrecht onvoldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van deze stukken bestaat te veel twijfel dat het standpunt van klager juist is.

Doorbreking van het verschoningsrecht?

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de doorbreking van het verschoningsrecht gerechtvaardigd is ten aanzien van de stukken waarop het verschoningsrecht van klager van toepassing is.

De rechtbank overweegt dat het verschoningsrecht van onder meer de notaris in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen (HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665.)

Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.

De rechtbank dient in dit geval te onderzoeken – mede aan de hand van de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt (dus de stukken waarin de namen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] voorkomen) en de mate waarin de betrokken belangen van hun cliënten worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken – of ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van de klager, als waarnemer van het protocol van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van deze klager.

De rechtbank is van oordeel dat die zeer uitzonderlijke omstandigheden zich in dezen niet voordoen. Voor die beoordeling is allereerst van belang dat het in deze zaak gaat om een niet-verdachte klager. Bovendien is gebleken dat de datering van veel stukken buiten de periode valt waarop de verdenking ziet. Naar het oordeel van de rechtbank had door de geheimhouderofficier specifiek aangeduid moeten worden wat de directe link tussen deze stukken en de verdenking is. Dat is niet gebeurd. Dat betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van een zodanig verband tussen de in beslag genomen stukken waarop het verschoningsrecht rust en de verdenking, dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk is, en evenmin dat de relevante gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. Een aantal documenten ziet namelijk op gegevens van de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Het enkele feit dat een stuk waarop het verschoningsrecht van toepassing is relevant kan zijn voor de waarheidsvinding, is onvoldoende om een uitzondering te maken op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht. Dat betekent dat de rechtbank het beklag gegrond verklaart ten aanzien van de volgende stukken: (...).

Ten aanzien van de stukken waarvan de rechtbank heeft overwogen dat deze niet onder het verschoningsrecht van klager vallen, geldt dat het beklag ongegrond wordt verklaard.”

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.Het verschoningsrecht van onder meer de notaris is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen. Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.(Vgl. HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290.)

Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).

De rechtbank heeft geoordeeld dat in deze zaak geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. De rechtbank heeft aan dat oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat de datering van veel van de stukken waarop het verschoningsrecht rust, buiten de periode valt waarop de verdenking ziet, en dat – nu door de geheimhoudersofficier van justitie niet specifiek is aangeduid wat de “directe link” is tussen die stukken en de verdenking in het strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] , [A] en [betrokkene 2] – niet een zodanig verband bestaat tussen de stukken die onder het verschoningsrecht vallen en de verdenking, dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk is. Daarmee heeft de rechtbank – niet onbegrijpelijk – tot uitdrukking gebracht dat, wat betreft het belang van de waarheidsvinding, deze stukken niet in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Ook het daarop voortbouwende oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding – waarin de rechtbank verder nog heeft betrokken dat de klager in deze zaak zelf geen verdachte is, en dat niet is komen vast te staan dat de relevante gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen – getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt.

4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd, ook onder het verschoningsrecht van de klager vallen.

De rechtbank heeft ten aanzien van enkele stukken overwogen dat “de stukken die via het openbare register kunnen worden opgevraagd, ook onder het verschoningsrecht van klager vallen, omdat ook ten aanzien van deze stukken niet gezegd kan worden dat er redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat het standpunt van klager onjuist is”. De rechtbank is daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Stukken die raadpleegbaar zijn via openbare registers, kunnen als zodanig niet worden aangemerkt als stukken waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, onder meer als dergelijke stukken deel uitmaken van andere stukken die onder het verschoningsrecht vallen. De rechtbank heeft echter niet vastgesteld dat van zo’n samenhang met andere stukken sprake is.

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. Dat hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak te leiden, nu het gaat om stukken die via openbare registers kunnen worden opgevraagd en waarover het openbaar ministerie dus zelf de beschikking kan krijgen.

5. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep van de klager niet-ontvankelijk;

- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand