HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/04731 Bv
Datum 22 september 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2025, nummer RK 24/027857, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de klager en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de klager niet voorgesteld.
Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadsvrouw van de klager, R. Croes-Hoogendoorn, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep en tot verwerping van het beroep van het openbaar ministerie.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de klager
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van de klager moet worden doorbroken.
Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2-4.
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/02404 Bv, ECLI:NL:HR:2026:1527, en die betrekking heeft op een in de kern gelijkluidend beklag van een notaris die optreedt als waarnemer van het protocol van oud-notarissen van wie eveneens de namen in de inbeslaggenomen stukken voorkomen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de klager niet-ontvankelijk;
- verwerpt het beroep van het openbaar ministerie.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.