HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03887
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2024, nummer 22-000416-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten M.M. Kuyp en J.L. Baar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het ten laste gelegde voorhanden hebben van een patroonmagazijn met zestien kogelpatronen en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van, kort gezegd, munitie en in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die munitie in het dashboardkastje van de auto waarin de verdachte zich bevond.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 5 september 2022 te [plaats] munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- een patroonmagazijn van het merk Glock met daarin zestien, kogelpatronen van het merk S&B, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
“In de auto waarin de verdachte zich bevond op 5 september 2022 te [plaats] is in het dashboardkastje een patroonhouder aangetroffen met munitie erin. Het gaat om een zwarte patroonhouder van het merk Glock (zie voor een foto daarvan p. 23 van het dossier). In de patroonhouder bevonden zich 16 stuks kogelpatronen van het kaliber 9mm van het merk/type S&B. Dit betreft munitie in de zin van artikel 1 onder 4 Wet wapens en munitie. Het gaat om munitie van categorie III als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet.
De verdachte bevond zich kort voor het aantreffen daarvan in de onmiddellijke nabijheid van de patroonhouder. Hij zat namelijk op de bijrijdersstoel met het dashboardkastje pal voor hem.
Op de telefoon van de verdachte is een foto aangetroffen van een identieke patroonhouder. Op diezelfde foto staat de verdachte ook als gesprekspartner van degene die de patroonhouder vasthoudt (p. 99 van het dossier). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij met zijn gezicht op die foto staat. De verdachte heeft geen aannemelijke hem ontlastende verklaring gegeven voor (de combinatie van) het aantreffen van de patroonhouder en van de foto met daarop zo’n zelfde patroonhouder op zijn telefoon. Het hof gaat er dan ook van uit dat de gevonden patroonhouder en de patroonhouder waarmee de verdachte op de foto staat dezelfde patroonhouder betreft. Het hof gaat gelet op het voorgaande voorbij aan de door [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring en stelt die als ongeloofwaardig terzijde voor zover [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte van niets wist en - mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf over met wie hij in de auto zat - in het bijzonder ook voor zover [medeverdachte] heeft verklaard dat er nog een derde persoon in de auto zat kort voordat de patroonhouder daarin werd aangetroffen.
Gelet op de omstandigheid dat de verdachte is aangetroffen in een auto in de onmiddellijke nabijheid van de patroonhouder waarvan hij een foto op zijn telefoon had staan, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de patroonhouder en munitie in het dashboardkastje. Het hof concludeert voorts dat de verdachte beschikkingsmacht had over de patroonhouder en munitie.
Het hof acht het voorhanden hebben van de patroonhouder met daarin de zestien kogelpatronen dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
Voor een veroordeling wegens het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.Verder vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen. (Vgl. HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504.)
Het hof heeft het volgende vastgesteld. In de auto waarin de verdachte zich eerder op de bijrijdersstoel bevond, lag in het dashboardkastje de in de bewezenverklaring bedoelde patroonhouder met kogelpatronen. Op de telefoon van de verdachte is vervolgens een foto aangetroffen die kennelijk is genomen tijdens een videobelgesprek tussen de verdachte en een derde, waarop de verdachte als gesprekspartner te zien is van degene die dezelfde patroonhouder vasthoudt.
Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat de verdachte de patroonhouder bewust aanwezig heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Uit die vaststellingen kan immers niet zonder meer volgen dat de verdachte zich op dat moment bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van de patroonhouder in het dashboardkastje. Dat de verdachte geen aannemelijke hem ontlastende verklaring heeft gegeven voor (de combinatie van) het aantreffen van de patroonhouder en van de foto met daarop dezelfde patroonhouder op zijn telefoon, maakt dit niet anders.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het tenlastegelegde voorhanden hebben van een patroonmagazijn met zestien kogelpatronen en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.