ECLI:NL:HR:2026:1533

ECLI:NL:HR:2026:1533

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 25/00064
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2024:3300

Samenvatting

Overdrachtsbelasting; art. 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer; art. 20, lid 2, AWR; opleggen naheffingsaanslag aan rechtspersoon na splitsing en fusie; bevestiging ECLI:NL:HR:2025:358

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/00064

Datum 9 oktober 2026

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 november 2024, nr. 21/1663, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/3173) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1. Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.M.S.M. van Esdonk-Bongaarts en P.H.J. Körver, heeft een verweerschrift ingediend.

2. Uitgangspunten in cassatie

In 2010 heeft [A] B.V. aandelen verkregen in [B] B.V., een vennootschap die zich bezighoudt met exploitatie van panden. Bij de aandelenoverdracht ging [A] B.V. vanwege de getaxeerde waarde van de panden van [B] B.V. en een dochtervennootschap van deze laatste B.V. (hierna: de panden) ervan uit dat geen sprake was van verkrijging van een fictieve onroerende zaak als bedoeld in artikel 4 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Zij heeft daarom ter zake van deze verkrijging van aandelen geen overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

In 2012 is [A] B.V. zuiver gesplitst in [C] B.V. en [D] B.V, welke vennootschappen in 2013 via een juridische fusie zijn verdwenen in [X] B.V. (belanghebbende) respectievelijk [E] B.V.

In 2015 heeft een taxateur van de Belastingdienst de panden getaxeerd naar de datum van de hiervoor in 2.1 genoemde verkrijging. Uitgaande van deze taxatiewaarde was wel sprake van verkrijging van een fictieve onroerende zaak. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur ter zake van de verkrijging in 2010 van aandelen in [B] B.V. naheffingsaanslagen in de overdrachtsbelasting opgelegd aan belanghebbende en aan [E] B.V.

3. De oordelen van het Hof

Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of de op naam van belanghebbende gestelde naheffingsaanslag aan de verkeerde rechtspersoon is opgelegd doordat deze aanslag is opgelegd aan belanghebbende en niet aan de rechtspersoon die de desbetreffende aandelen in [B] B.V in 2010 heeft verkregen ([A] B.V.).

Het Hof is tot het oordeel gekomen dat de naheffingsaanslag wegens een onjuiste tenaamstelling moet worden vernietigd. Belanghebbende is weliswaar aansprakelijk voor de verschuldigde overdrachtsbelasting, maar zij is niet de belastingplichtige verkrijger, want dat is [A] B.V. Aan die rechtspersoon had de naheffingsaanslag moeten worden opgelegd, aldus het Hof.

4. Beoordeling van het middel

Het middel klaagt over het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde rechtspersoon is opgelegd. Het voert daartoe aan dat de beslissing van het Hof niet in lijn is met het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD9229 (hierna: het arrest van 5 juni 2009), waarin is geoordeeld dat de inspecteur na een juridische fusie van twee stichtingen de keuze had om een naheffingsaanslag in de omzetbelasting op te leggen aan de verdwenen rechtspersoon dan wel aan de verkrijgende rechtspersoon. Volgens het middel is er geen reden om dit oordeel niet door te trekken naar de situatie van een juridische splitsing. Het middel voert verder aan dat bij belanghebbende geen onduidelijkheid kan zijn ontstaan ter zake van welk belastbaar feit de naheffingsaanslag is opgelegd.

Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

Met het opleggen van een belastingaanslag wordt vastgesteld dat een belastingschuld is ontstaan. Deze betekenis verliest de belastingaanslag niet door de omstandigheid dat degene aan wie hij is of zal worden opgelegd, na het ontstaan van de belastingschuld overlijdt (natuurlijke persoon) of ophoudt te bestaan (niet-natuurlijke persoon).

Na een zuivere splitsing van een rechtspersoon, waarbij de gesplitste rechtspersoon ophoudt te bestaan, moet een belastingaanslag die betrekking heeft op vóór die splitsing ontstane belastingschulden van deze rechtspersoon daarom ten name van die verdwenen rechtspersoon worden gesteld en niet ten name van een of meer van de verkrijgende rechtspersonen. Daarbij is niet van belang of bij de rechtspersoon op wiens naam de belastingaanslag wordt gesteld onduidelijkheid kan zijn ontstaan over de vraag op welk belastbaar feit die aanslag betrekking heeft.

Wat hiervoor in 4.2.2 is vooropgesteld, geldt op overeenkomstige wijze indien een rechtspersoon ophoudt te bestaan als gevolg van een juridische fusie. Het geldt zowel voor belastingen die door middel van een aanslag worden geheven (Hoofdstuk III van de AWR) als voor belastingen die worden geheven door middel van voldoening of afdracht op aangifte (Hoofdstuk IV van de AWR).

De hiervoor in 4.2.2 en 4.2.3 geformuleerde rechtsregels brengen mee dat de inspecteur na een juridische fusie en een zuivere splitsing niet de keuze heeft op naam van welke betrokken rechtspersoon hij een belastingaanslag stelt. In zoverre is de Hoge Raad teruggekomen van het arrest van 5 juni 2009, zoals al besloten ligt in zijn arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:358, rechtsoverweging 4.1.1.

Gelet op wat hiervoor in 4.2 is vooropgesteld, faalt het middel.

5. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 25/00063 samenhangt met deze zaak in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.868, oftewel € 934, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/2109 NDFR Nieuws 2026/1547 Viditax (FutD) 2026100916
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand