ECLI:NL:HR:2026:1539

ECLI:NL:HR:2026:1539

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 24/00707
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:479

Samenvatting

Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, art. 9.5 WVW 1994. Bewijsklacht bekendmaking en inwerkingtreding van besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat besluit van CBR aan verdachte bekend is gemaakt en op moment van tlgd. van kracht was? Voor bewezenverklaring van een op art. 9.5 WVW 1994 toegesneden tll. moet uit bewijsvoering allereerst blijken dat geldigheid van rijbewijs van verdachte is geschorst en dat dit besluit op moment van tlgd. van kracht was. O.g.v. art. 3:40 Awb geldt dat besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Deze bekendmaking kan plaatsvinden d.m.v. toezending of uitreiking aan belanghebbende, dan wel (als bekendmaking niet kan geschieden d.m.v. toezending of uitreiking) op andere geschikte manier (art. 3:41 Awb). Bij toezending geldt terpostbezorging door CBR als moment van bekendmaking. Volgens Awb is het bij deze manier van bekendmaking niet uitgesloten dat in besluit wordt bepaald dat geheel besluit of bepaald onderdeel ervan pas enige tijd na bekendmaking in werking treedt (vgl. RVS:2022:243). Uit bewijsvoering zal naar voren moeten komen dat besluit aan verdachte is verzonden of is uitgereikt, dan wel op andere geschikte manier bekend is gemaakt a.b.i. art. 3:41.2 Awb en op welke datum het besluit van kracht werd. Daarnaast moet uit bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat verdachte t.t.v. besturen van motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij overtreding van art. 107 WVW 1994. Het verdient in dit type zaken aanbeveling dat van processtukken deel uitmaken (a) mededeling van CBR aan verdachte met besluit tot schorsing waarin is bepaald wanneer besluit tot schorsing in werking treedt en (b) aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending (dan wel andere manier van bekendmaking) van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. OM is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat zaak ttz. wordt behandeld, bij processtukken worden gevoegd (vgl. art. 149a.1 Sv), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij CBR. In voorkomend geval kan rechter (desnoods door aanhouding van behandeling van zaak) bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij processtukken worden gevoegd. Als bewijs toch op andere manier door rechter wordt aangenomen, moet hij in beginsel in zaken waarin verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, nader motiveren hoe hij bewezenverklaring uit bewijs heeft afgeleid (vgl. HR:2025:826). Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat besluit van CBR tot schorsing van geldigheid van rijbewijs van verdachte aan verdachte is bekendgemaakt en op moment van tlgd. van kracht was. Anders dan hof kennelijk heeft geoordeeld zijn (mede gelet op wat hiervoor is overwogen) voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte en ‘s hofs vaststellingen over resultaten van raadpleging door verbalisanten van RDW-register daartoe niet voldoende. Wat betreft verklaring van verdachte is daarbij van belang dat daaruit weliswaar volgt dat verdachte op moment van verhoor op de hoogte was van schorsing, maar dat uit die verklaring niet kan worden afgeleid dat besluit tot schorsing van rijbewijs al op datum van tlgd. aan verdachte bekend was gemaakt en van kracht was. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00707

Datum 29 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 februari 2024, nummer 21-002067-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel ziet op het in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 bewezenverklaarde. Het klaagt dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat op het moment van het tenlastegelegde het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs aan de verdachte bekend was gemaakt en dat dit besluit toen van kracht was.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op 28 april 2019 te [plaats] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de [a-straat] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“4.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 juli 2019 (...) voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Volgens het RDW heeft u een geschorst rijbewijs voor de categorie B. Was u hiervan op de hoogte?

A: Ja, daar ben ik van op de hoogte.

5.

Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en aspirant van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces verbaal van overtreding van 23 juli 2019 (...) voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zondag 28 april 2019 omstreeks 16.15 uur, waren wij, verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met de noodhulp voor de regio [plaats] .

Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , zag dat ons vanuit tegengestelde richting een voertuig passeerde. Dit voertuig betrof een witte [automerk] , voorzien van het [kenteken] . Ik, verbalisant, [verbalisant 2] bevroeg het genoemde kenteken via het RDW register. Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , zag dat er een rood uitroepteken vermeld stond bij het zoekresultaat van het RDW. Ik, verbalisant, zag dat er bij de te naam gestelde, betreffende: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [verbalisant 2] , een maatregel van toepassing was op het rijbewijs. Het betrof een schorsingsmaatregel die 22 februari 2019 van kracht was voor de categorie B.

Ik, verbalisant, [verbalisant 2] herkende de bestuurder, nader genoemd als verdachte van het betrokken voertuig voor 100% als zijnde de te naam gestelde van het voertuig, dit naar aanleiding van de recente foto. In het betrokken voertuig zaten geen andere personen.

(...)

Ik, [verbalisant 2] , heb de verdachte herkend als zijnde de te naam gestelde van het betrokken voertuig, dit door middel van de politie-registers en een beschikbare foto van de verdachte die als bijlage bij dit proces-verbaal zal worden gevoegd.

(...)

6.

De verklaring van [verbalisant 2] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:

Wij waren op een surveillancedienst. We hebben veel voertuigen gecontroleerd. Ik was bijrijder. Ik had de taak om kentekens te controleren. In de verte zag ik een witte auto aanrijden. Ik pakte het toetsenbord er bij en controleerde het kenteken.

Toen kwam er iets roods naar voren, er was iets met dat rijbewijs. Het was een rood teken wat naar voren komt en dan staat er ‘maatregel rijbewijs’. Toen besloten we om verder te controleren. Toen zag ik onder andere een foto van de tenaamgestelde.

Wij stonden stil voor het kruispunt en de auto reed voorbij. Hij reed best wel sloom. Ik herkende de bestuurder als de persoon als die ik op de foto zag. Ik herkende hem als [verdachte] . Hij zat alleen in de auto. U vraagt mij hoe zeker ik van mijn zaak ben dat het [verdachte] betrof. Ik herkende hem van de foto. De afstand tussen ons en de witte auto was ongeveer 3 à 4 meter. Mijn ogen zijn goed.

Wij reden vervolgens achter de witte auto aan. Wij zagen al vrij snel dat hij sneller ging rijden.

Ik had de foto gezien en ik herkende het gezicht van de bestuurder als zijnde de persoon van de foto.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat hij best wel sloom reed toen hij passeerde en vraagt mij hoe lang ik de bestuurder heb kunnen zien. Dat weet ik niet meer. Wel lang genoeg om de persoon te herkennen. Ik zei ook direct tegen mijn collega dat ik hem herkende.

8.

De verklaring van [verbalisant 1] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:

U vraagt mij naar de dag van het incident, 28 april 2019, en vraagt mij wat ik mij kan herinneren.

Er kwam een wit voertuig uit tegengestelde richting. Mijn collega trok het kenteken na. Er kwam een rood vlaggetje op de diensttelefoon, een signalering. Er bleek een maatregel van toepassing. We hebben gekeken waar de tenaamgestelde woonde. Hij woonde in [verbalisant 2] .

Mijn collega keek naar de bestuurder. Er stond een recente foto van de tenaam-gestelde in het systeem. Ik had die foto vooraf gezien. Toen de auto passeerde, controleerde ik het kenteken. Ik keek ook vluchtig naar de bestuurder. Ik zag iemand die leek op de foto in het systeem. Ik kon op dat moment niet met zekerheid vaststellen dat de bestuurder dezelfde persoon was als de persoon op de foto. Mijn collega zat naast me en zei: “Dat is hem, honderd procent”. Wij zijn vervolgens gekeerd en erachteraan gegaan.

U vraagt mij hoe hard de auto voorbij reed. Meneer kwam uit de bebouwde kom, dus de snelheid was laag. 40 à 50 km per uur. (...)”

Het hof heeft verder overwogen:

“In de zaak met parketnummer 08-241480-19 overweegt het hof dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto had uitgeleend aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft in zijn verklaring bevestigd dat hij de auto van verdachte had geleend maar stelt dat hij die dag niet met de auto heeft gereden. [betrokkene 1] verklaart dat hij die avond naar een café is gegaan, dat hij daar tussen 18.00 uur en 24.00 uur was, dat hij de sleutels op een tafeltje had neergelegd en dat ze even later weg waren. Toen hij thuis kwam stond de auto bij zijn huis maar anders geparkeerd. Uit het proces verbaal van de politie komt naar voren dat de verbalisanten de auto van verdachte omstreeks 16.15 uur zagen rijden. Nu [betrokkene 1] in zijn eerste verklaring heeft gezegd dat hij de sleutels pas na aankomst in het café om 18.00 uur die avond zou zijn kwijtgeraakt, biedt de verklaring van [betrokkene 1] – die het hof op zichzelf reeds weinig waarschijnlijk acht – naar het oordeel van het hof geen geloofwaardige onderbouwing van de ontkenning van verdachte.

Wat betreft de herkenning van verdachte als bestuurder van de auto is door de raadsman bij pleidooi aangevoerd dat ten aanzien van deze herkenning behoedzaamheid dient te worden betracht. Het hof overweegt in dit verband als volgt. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen op 28 apri1 2019 de op naam van verdachte gestelde auto rijden. Navraag via het RDW-register leerde dat het rijbewijs van verdachte op 22 februari 2019 was geschorst voor categorie B.

[verbalisant 2] herkende de bestuurder van de auto vervolgens voor 100% als verdachte aan de hand van een recente foto. Er zaten geen andere personen in de auto.

Verbalisanten wilden verdachte daarna staande houden, maar verdachte reed – nadat hij een stopteken kreeg – door. Verbalisanten schakelden de geluids- en optische signalen van hun voertuig in, waarop verdachte zijn snelheid verhoogde. Verbalisanten zagen dat de verdachte met zeer hoge snelheid zijn voorliggers inhaalde en dat de bestuurders van deze voertuigen schrokken en uitweken waardoor de verdachte gevaar en hinder veroorzaakte. De beide verbalisanten zijn gehoord bij de rechter-commissaris.

Met betrekking tot zijn herkenning is [verbalisant 2] bij zijn verklaring gebleven. Hij heeft aangegeven dat hij de bijrijder was en dat zij bij het kruispunt stonden toen de auto voorbijreed. De auto reed best wel sloom. Hij herkende de bestuurder als de man van de foto, [verdachte] . De afstand was ongeveer 3 à 4 meter en zijn ogen zijn goed. [verbalisant 1] – die de auto bestuurde – heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de foto in het systeem had gezien en dat de bestuurder leek op de foto in het systeem. Hij kon op dat moment zelf niet met zekerheid vaststellen of het dezelfde persoon was, maar hij hoorde dat zijn collega ( [verbalisant 2] ) zei: “Dat is hem, honderd procent”.

Gelet op hetgeen [verbalisant 2] heeft verklaard over de omstandigheden waaronder de 100%-herkenning zijn gedaan (in het bijzonder de matige snelheid, de korte afstand en het goede zicht van de verbalisant) en op het feit dat de verklaring van [verbalisant 1] goed bij de verklaring van [verbalisant 2] aansluit, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onbetrouwbare herkenning.

Verdachte was de tenaamgestelde van de auto waarmee de gevaarzettende verkeersgedragingen zijn verricht en is als bestuurder van deze auto herkend. Naar het oordeel van het hof is aldus bewezen dat verdachte ook de onder parketnummer 08-241480-19 tenlastegelegde feiten heeft begaan. Daarbij heeft voor de overtuiging van het hof meegewogen dat verdachte – van wie het rijbewijs geschorst was – toen hij een stopteken van de politie kreeg daar geen gevolg aan gaf maar ervandoor ging.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, kort gezegd, over de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 in dat de verdachte ontkent dat hij op 28 april 2019 de bestuurder was van zijn auto toen deze over de [a-straat] reed.

Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen uit de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) van belang.

- Artikel 9 lid 5 WVW 1994:

“Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen besturen.”

- Artikel 130 WVW 1994:

“1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.

4. In geval van toepassing van het tweede lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die de vordering heeft gedaan, zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats, indien aan de vordering is voldaan.

5. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”

- Artikel 131 WVW 1994:

“1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;

b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR;

c. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene niet overeenkomstig onderdeel a, wordt geschorst, doch diens rijbewijs wel overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat het rijbewijs onverwijld aan betrokkene wordt teruggegeven.

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

4. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.”

Daarnaast zijn de volgende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van belang.

- Artikel 3:40 Awb:

“Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.”

- Artikel 3:41 Awb:

“1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.”

Overtreding van artikel 9 lid 5 WVW 1994 is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.

Voor een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 5 WVW 1994 toegesneden tenlastelegging moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte is geschorst en dat dit besluit op het moment van het tenlastegelegde van kracht was. Op grond van artikel 3:40 Awb geldt dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Deze bekendmaking kan plaatsvinden door middel van toezending of uitreiking aan de belanghebbende, dan wel – als de bekendmaking niet kan geschieden door middel van toezending of uitreiking – op een andere geschikte manier (artikel 3:41 Awb). Bij toezending geldt de terpostbezorging door het CBR als het moment van bekendmaking. Volgens de Awb is het bij deze manier van bekendmaking niet uitgesloten dat in het besluit wordt bepaald dat het gehele besluit of een bepaald onderdeel ervan pas enige tijd na bekendmaking in werking treedt (vgl. ABRvS 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:243, rechtsoverweging 5.1 en 5.2).Uit de bewijsvoering zal naar voren moeten komen dat het besluit aan de verdachte is verzonden of is uitgereikt, dan wel op een andere geschikte manier bekend is gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3:41 lid 2 Awb en op welke datum het besluit van kracht werd.

Daarnaast moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994.

Het verdient in dit type zaken aanbeveling dat van de processtukken deel uitmaken (a) een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot schorsing waarin is bepaald wanneer het besluit tot schorsing in werking treedt en (b) een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending – dan wel een andere manier van bekendmaking – van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij het CBR. In voorkomend geval kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. Als het bewijs toch op een andere manier door de rechter wordt aangenomen, moet hij in beginsel in zaken waarin de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, nader motiveren hoe hij de bewezenverklaring uit het bewijs heeft afgeleid. (Vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826, met betrekking tot het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.)

Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat het besluit van het CBR tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt en op het moment van het tenlastegelegde van kracht was. Anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld zijn – mede gelet op wat onder 2.4.2 is overwogen – de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 4) en de vaststellingen van het hof over de resultaten van de raadpleging door de verbalisanten van het RDW-register daartoe niet voldoende. Wat betreft de verklaring van de verdachte is daarbij van belang dat daaruit weliswaar volgt dat de verdachte op het moment van het verhoor op 10 juli 2019 op de hoogte was van de schorsing, maar dat uit die verklaring niet kan worden afgeleid dat het besluit tot schorsing van het rijbewijs al op de datum van het tenlastegelegde aan de verdachte bekend was gemaakt en van kracht was.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand