HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04222
Datum 29 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 november 2024, nummer 20-000563-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G.J.A. van de Grint bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.
De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 9 februari 2024 voor belediging van een politieambtenaar, straatschenderij en het niet voldoen aan de identificatieplicht bij verstek veroordeeld tot respectievelijk een gevangenisstraf van tien dagen, twee dagen hechtenis en twee dagen hechtenis.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [naam] te [plaats] .
De raadsman van verdachte mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven , is niet ter terechtzitting verschenen.
(...)
De voorzitter deelt mede dat op voorhand is bepaald dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting het karakter zal hebben van een rolzitting, waarop slechts de grieven tegen het vonnis worden geïnventariseerd.
De voorzitter deelt mede dat de raadsman van verdachte bij brief van 7 maart 2024, ingekomen op 8 maart 2024, te kennen heeft gegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de strafoplegging voor feit 2 en 3.
(...)
De verdachte verklaart:
Ik woon hier al 17 jaar. De politierechter heeft mij een straf gegeven. Ik ben aangehouden voor belediging. Dat is nep. Er is sprake van discriminatie.
(...)
De voorzitter deelt mede:
Tijdens de inhoudelijke behandeling mag u dat nader toelichten. Vandaag kunnen we niet meer doen dan de zaak aanhouden en bepalen dat de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zal worden gepland. De datum daarvan is nog niet bekend. Tegen de tijd dat de zitting is ingepland, ontvangen u en uw raadsman een nieuwe oproep. Uw raadsman kan u dan bijstaan.
(...)
Het hof, gehoord de advocaat-generaal en de verdachte:
- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. G.J.A. van de Grint, advocaat te Eindhoven .
De raadsman geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik ben niet gemachtigd. Ik heb al geruime tijd geen contact meer kunnen krijgen met cliënt. Inmiddels is cliënt niet meer gedetineerd. Ik weet niet of cliënt op de hoogte is van de terechtzitting van heden en acht mijzelf niet gemachtigd namens hem het woord tot verdediging te voeren.
De voorzitter deelt het volgende mede:
Het hof beschikt over een appelschriftuur d.d. 7 maart 2024, waaruit volgt dat het hoger beroep zich richt tegen de straffen die ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten zijn opgelegd.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep op juiste wijze is ingesteld. De schriftelijke bijzondere volmacht dient immers aan verschillende vereisten te voldoen. Het hof stelt vast dat in de volmacht d.d. 23 februari 2024 geen adres van de verdachte voor toezending van een afschrift van de appeldagvaarding wordt vermeld en dat uit de volmacht evenmin blijkt dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.
De advocaat-generaal geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik stel mij, gelet op hetgeen u, voorzitter, zojuist naar voren hebt gebracht, primair op het standpunt dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu de schriftelijke volmacht tot instellen van hoger beroep niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is immers geen adres van de verdachte opgegeven en er is geen alternatief adres vermeld.
De raadsman van de verdachte geeft desgevraagd het volgende te kennen:
Ik ben cliënt in de piketfase tegengekomen in het kader van een andere strafzaak. Toen bleek dat er een aantal openstaande zaken waren, heb ik die zaken op mij genomen. In eerste aanleg heb ik cliënt niet bijgestaan.
Na een korte onderbreking van het onderzoek voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede dat het onderzoek wordt gesloten en dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 6 november 2024 te 13.30 uur.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Het hof stelt op grond van de akte instellen hoger beroep vast dat het hoger beroep op 23 februari 2024 is ingesteld door een medewerker ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, daartoe gemachtigd blijkens een aan die akte gehecht schriftelijk stuk dat beschouwd dient te worden als bijzondere volmacht van de raadsman van de verdachte.
De aan de appelakte gehechte brief van raadsman mr. G.J.A. van de Grint d.d. 22 februari 2024, houdt - voor zover hier van belang - in:
“In de zaak met bovenvermeld parketnummer heeft [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 en zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats verblijvende te [plaats] , mij de opdracht gegeven om namens hem hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter te ’sHertogenbosch van 9 februari jl.
Hierbij verzoek en machtig ik een van uw griffiemedewerkers bepaaldelijk om uiterlijk op 23 februari a.s. voor het instellen van hoger beroep namens cliënt zorg te dragen.”
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman aan een griffiemedewerker een schriftelijke volmacht verlenen om namens de verdachte een rechtsmiddel in te stellen. Deze schriftelijke volmacht dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten om te voldoen aan de in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde eisen (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810):
(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv), en
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv), en
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Het hof stelt vast dat de brief van de raadsman, voor zover aan te merken als een schriftelijke volmacht, niet voldoet aan de twee laatstgenoemde eisen en dat derhalve niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld.
Indien niet aan elk van de hiervoor bedoelde vereisten is voldaan en de verdachte, noch een door hem ex artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman, ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, dient in de regel het door de raadsman door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999).
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen en mr. Van de Grint ten overstaan van het hof te kennen heeft gegeven niet op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering te zijn gemachtigd, is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.”
In zijn arrest van 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 heeft de Hoge Raad eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:a. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (artikel 450 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv));b. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker op de griffie dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv);c. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv).
Deze eisen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping heeft tot doel problemen met betrekking tot de betekening van dagvaardingen en oproepingen om in hoger beroep terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid van het, met instemming van de verdachte, dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep door de griffiemedewerker in het licht van de regeling van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv in samenhang met artikel 6:1:16 lid 1 Sv bijdraagt aan een voortvarende tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte (artikel 450 lid 5 Sv).
Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een volmacht moet voldoen die door een advocaat is verstrekt, is in zaken waarin op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het beroep dat een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker heeft ingesteld, niet-ontvankelijk als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet.
In het licht van diezelfde ratio is door de Hoge Raad in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als op de terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op een geldige manier) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als de verdachte of een gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, omdat het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357).
Het hof heeft geoordeeld dat het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de schriftelijke volmacht niet voldoet aan de in artikel 450 lid 3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep en hierin ook niet een adres is vermeld dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep. Het hof heeft daarmee het oog op het niet-voldoen aan de in rechtsoverweging 2.3.1 onder b en c bedoelde voorwaarden. Met dit oordeel heeft het hof – gelet op wat onder 2.3.4 is vooropgesteld – miskend dat het verzuim om te voldoen aan de genoemde voorwaarden voor gedekt kan worden gehouden doordat de verdachte is verschenen op de (eerste) terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2024. Door op die terechtzitting te verschijnen is het belang dat met de betreffende voorwaarden is gediend, immers niet geschaad. Dat het hof op de terechtzitting van 9 juli 2024 de zaak niet inhoudelijk heeft behandeld, maar het onderzoek heeft geschorst, en op de volgende terechtzitting van 23 oktober 2024 de verdachte en ook niet een gemachtigd raadsman zijn verschenen, leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.