HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/02004 B
Datum 6 oktober 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2025, nummer RK 24/023674, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat N. Talhaoui bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank aan de gegrondverklaring van het klaagschrift een voorwaarde heeft verbonden en geen onvoorwaardelijke last tot teruggave heeft gegeven.
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de onder de klager inbeslaggenomen telefoon, gegrond verklaard “onder de voorwaarde dat het verboden materiaal van de telefoon kan worden en wordt verwijderd”. De rechtbank heeft daartoe overwogen:
“Feiten
Op 20 januari 2023 is onder de klager beslag gelegd op het volgende voorwerp:
- iPhone XR kleur zwart (hierna de telefoon).
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
Dit beslag is gelegd in het kader van de onder opgemeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de klager. Hij werd verdacht van het bezitten van kinderporno en afdreiging.
(...)
Beoordeling klacht
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f Sv.
Uit de stukken blijkt dat er kinderpornografisch materiaal op de telefoon is aangetroffen. Onder die omstandigheden kan de telefoon niet terug naar de klager. De zaak is inmiddels afgedaan middels een sepot. Dat betekent dat er geen rechter meer naar de inhoudelijke zaak en het beslag zal kijken. De rechtbank vraagt de officier van justitie om bij de politie na te gaan of het verboden materiaal van de telefoon kan worden verwijderd. Als dit mogelijk is, mag de telefoon terug naar de klager. Als dit echter (technisch) niet mogelijk is, kan de telefoon niet worden teruggegeven aan de klager.
De rechtbank oordeelt dat het beklag gegrond is, mits het mogelijk is om het verboden materiaal te verwijderen van de telefoon. Als niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, acht de rechtbank het beklag ongegrond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag gegrond onder de voorwaarde dat het verboden materiaal van de telefoon kan worden en wordt verwijderd.”
De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke beslissing over strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Als de rechter van oordeel is dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, dan moet hij het klaagschrift waarin de teruggave van dat voorwerp wordt verzocht ongegrond verklaren. Is daarvan geen sprake, dan moet in de regel teruggave worden gelast. (Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692.) De rechtbank heeft dit miskend.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.