ECLI:NL:HR:2026:155

ECLI:NL:HR:2026:155

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 23/02619
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1139
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2023:3346

Samenvatting

Overdragen van wapen, art. 31.1 55 WWM. Bewijsklacht t.a.v. processen-verbaal van politie waarin delen van verklaringen van getuigen zijn “weggelakt”. Kunnen verklaringen voor bewijs worden gebruikt? HR gaat in op onderling samenhangend systeem voor omgang met en verantwoordelijkheid voor processtukken gedurende loop van strafproces. Dit systeem komt erop neer dat o.g.v. art. 149a.1 Sv OvJ tijdens opsporingsonderzoek verantwoordelijk is voor samenstelling van processtukken. Hij is in beginsel gehouden om alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door rechter ttz. te nemen beslissingen bij processtukken te voegen, zo nodig met weglating van gegevens a.b.i. art. 149a.3 Sv. Het gaat hierbij om relevantie van die stukken. In (uitzonderlijk) geval dat bij relevant stuk zich omstandigheden voordoen a.b.i. art. 187d.1 Sv, schept art. 149b.1 Sv mogelijkheid dat OvJ voeging van (gedeelten van) stuk achterwege laat. OvJ heeft daarvoor machtiging van RC nodig. Gedurende vooronderzoek kan verdediging o.g.v. art. 34.1 Sv OvJ verzoeken om specifiek omschreven stukken bij processtukken te voegen. Om verzoek te kunnen onderbouwen, geeft art. 34.2 Sv verdediging daarnaast recht om eerst kennis te nemen van specifiek omschreven stukken. Als OvJ het verzoek tot voeging van stukken dan wel kennisneming weigert, heeft hij schriftelijke machtiging van RC nodig (art. 34.4 Sv). Met begin van onderzoek ttz. gaat verantwoordelijkheid voor samenstelling en volledigheid van processtukken over van OvJ naar zittingsrechter. In die fase kan zittingsrechter ambtshalve overlegging van stukken en voeging daarvan bij processtukken bevelen. Verdediging kan o.g.v. art. 328 Sv zittingsrechter verzoeken om toepassing te geven aan die bevoegdheid. Bij nemen van zijn beslissing moet rechter in aanmerking nemen dat o.g.v. art. 149a.2 Sv in beginsel alle stukken aan dossier worden toegevoegd die voor de ttz. door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Ook hiervoor is bepalend relevantie van stukken (vgl. HR:2021:218). Voordat rechter (ambtshalve of op verzoek) beslist over voeging van stukken bij processtukken, stelt hij OvJ en (zo nodig) verdediging in gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken. In geval dat OvJ zich verzet tegen voeging omdat hij zich op standpunt stelt dat stukken niet relevant zijn of dat belangen a.b.i. art. 187d.1 Sv hiertoe dwingen, kan zittingsrechter beslissen dat nader onderzoek door RC noodzakelijk is. RC beoordeelt dan of sprake is van niet-relevante stukken of dat zich omstandigheid a.b.i. art. 187d.1 Sv voordoet en geeft (zoals in wetsgeschiedenis van art. 34, 149a.1, 149a.2 en 149b Sv tot uitdrukking komt) t.b.v. zittingsrechter (nadere) onderbouwing. Uiteindelijk beslist zittingsrechter over het wel of niet voegen van verzochte stukken bij processtukken (vgl. HR:2022:900). Zittingsrechter neemt hierbij (gelet op beginsel van interne openbaarheid) geen kennis van stukken die aan verdediging worden onthouden (vgl. HR:1999:ZD5266). Uit ’s hofs vaststellingen in zijn bewijsvoering en procesverloop blijkt dat p-v’s zijn opgemaakt van verhoren van getuigen, waarna onderdelen van verklaringen op verzoek van OvJ zijn “weggelakt” omdat deze onderdelen “niet relevant” zouden zijn. ’s-Hofs oordeel dat met dit weglakken van onderdelen uit p-v’s in overeenstemming met wet en jurisprudentie is gehandeld, getuigt van onjuiste rechtsopvatting. OvJ kan eventueel wel in zo’n stuk door middel van aantekening of doorhaling aanduiden welk gedeelte van stuk naar zijn oordeel niet relevant is, mits dat gedeelte leesbaar blijft. Uit stukken blijkt niet dat van die mogelijkheid gebruik is gemaakt. Hof heeft, in afwijking van verweer, verklaringen van getuigen voor bewijs gebruikt, terwijl in onderliggende p-v’s delen waren weggelakt. Hof heeft geoordeeld dat weggelakte onderdelen van verklaringen “niet relevant zijn voor dossier van verdachte” en dat niet weggelakte onderdelen “op zichzelf duidelijk en ondubbelzinnig [zijn], waardoor niet gebleken is op welke manier deze uit hun verband kunnen zijn getrokken.” Deze oordelen zijn niet z.m. begrijpelijk, nu hof inhoud van weggelakte passages niet kan hebben gekend en ook niet blijkt dat hof over relevantie van deze passages oordeel RC of Rh-C heeft ingewonnen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02619

Datum 3 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juni 2023, nummer 20-001142-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.C. van der Want bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het bewijs van feit 2 kunnen worden gebruikt. Het voert daartoe aan dat in de betreffende processen-verbaal van politie delen van de verklaringen van deze getuigen zijn ‘weggelakt’.

Het arrest van het hof

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd wat betreft de bewezenverklaring onder 2, met – voor zover het gaat om de bewijsvoering – wijziging van gronden. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:

“in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 14 oktober 2020 in Nederland, een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een dubbelloops centraalvuur hagelgeweer, merk Miroku, type MK70 sport, kaliber 12-76,

zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer,

heeft overgedragen.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“11.9

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] d.d. 11 oktober 2020, pagina’s 144 tot en met 149 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven: 2017305305/woninginbraak [plaats] , 2017

V: het jachtgeweer/shotgun wat in je woning is aangetroffen. Waar komt dat vandaan

A: Het komt van [verdachte] vandaan. Ik heb er 350 euro. Ik zou er nog 2 dozen patronen bij krijgen. Dat is geen geld. Ik heb gekeken op internet. Dat geweer kost 2000 euro.

V: Het is afkomstig van een woninginbraak in [plaats] , wat kun je daar over vertellen

A: Ik weet niet waar dat geweer vandaan komt. Ik heb dit 3 a 4 maanden geleden van [verdachte] gekocht. Het kan ook 1 a 2 maanden geleden zijn.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 2] , pagina’s 186 tot en met 189 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Heb je gezien dat [verdachte] het jachtgeweer aan [betrokkene 1] verkocht?

A: Ja daar was ik bij. Dat is een maand of drie geleden. Volgens mij heeft [verdachte] dat ding gebracht naar [betrokkene 1] . Er zat geen munitie bij.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2020, pagina’s 201 tot en met 2015 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door mij is de inbeslaggenomen telefoon , beslagnummer […] , in gebruik bij [betrokkene 1] nader handmatig onderzocht. Ik heb de Whatsapp contacten bekeken en zag dat onder het opgeslagen [telefoonnummer] de naam […] was vermeld.

Uit dit onderzoek is gebleken dat het [telefoonnummer] in gebruik is bij: [verdachte] ( [verdachte] ) [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , [a-straat 1] [plaats] .

Ik zag dat in 2020 er regelmatig contacten tussen deze twee nummers waren.

Ik zag dat er op 7 oktober 2020 om 01:42 uur een tekst gezonden was van het toestel van [betrokkene 1] naar het toestel van [verdachte] .

Uit bovenstaande bericht blijkt dat er gevraagd wordt: “Hey [verdachte] waar blijven die twee dozen met minuut the die bij die 12 gauge shotgun horen die hebt verkocht” en wordt een smiley met knipoog meegezonden.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 oktober 2020, pagina 208 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Tijdens de overdracht van de nachtdienst werd mij medegedeeld dat er een verdachte aangehouden was in verband met de wet wapens en munitie. Bij hem was een vuurwapen van het merk Miroku aangetroffen. Dit vuurwapen was in beslag genomen. [..]

Ik zag dat het serienummer […] betrof. [..] Ik zag dat onder registratienummer […] aangifte is gedaan van diefstal van een Miroku vuurwapen met serienummer […] . Kennelijk is het vuurwapen dat bij verdachte aangetroffen werd dus afkomstig van diefstal.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 oktober 2020, pagina 206 en 207 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op maandag 12 oktober 2020, werden een goed voor nader onderzoek aan mij aangeboden. Dit goed is op 11 oktober 2020 aangetroffen en in beslag genomen.

Uit nader onderzoek bleek mij, verbalisant, het volgende:

- Omschrijving hagelgeweer goednummer […]

Het in beslag genomen voorwerp betreft een voor de jacht ontwikkeld geweer, van het merk Miroku, type MK70 sport, zijnde een dubbelloops, centraalvuur, hagelgeweer, kaliber 12-76, voorzien van het serienummer […] . Bij de controle van dit wapennummer in de politiesystemen, bleek dit vuurwapen sinds 20 december 2017 geregistreerd te zijn als gestolen.

Juridische omschrijving geweer

Het hiervoor beschreven geweer is een voorwerp dat geschikt is om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing.

Derhalve is dit geweer een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 2, lid I, categorie III onder I van de Wet Wapens en Munitie. Het vuurwapen valt niet onder de categorie II, sub 2, 3 of 6 van de Wet Wapens en Munitie.

Strafbaarstelling:

Het voorhanden hebben van het hiervoor beschreven geweer is een overtreding van artikel 26, lid 1, van de Wet Wapens en Munitie en is strafbaar gesteld in artikel 55, lid 3 onder a Wet Wapens en Munitie.”

De bewijsvoering houdt verder onder meer in:

“Kunnen de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] worden gebruikt voor het bewijs?

De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van verdachte [betrokkene 1] en getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet voldoen aan de wettelijke vereisten die aan bewijsmiddelen worden gesteld, althans dat deze verklaringen onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn en daarom niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 152, eerste lid, Sv dienen opsporingsambtenaren proces-verbaal op te maken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Ingevolge het tweede lid kan het opmaken van proces-verbaal onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie achterwege worden gelaten. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad staat het de opsporingsambtenaren slechts dan vrij het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden naar hun, aan toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. Ingeval het opmaken van een proces-verbaal achterwege blijft, zal evenwel dienen te worden voorzien in een zodanige verslaglegging van de desbetreffende verrichtingen en bevindingen, dat doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van de rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat onderdeel van het opsporingsonderzoek. Belangen van derden en/of van het opsporingsonderzoek vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. Aan die belangen kan immers door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in dat proces-verbaal worden gerelateerd, voldoende worden tegemoetgekomen.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak wel processen-verbaal zijn opgemaakt van de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , maar dat onderdelen van de verklaringen zijn ‘weggelakt’, omdat deze niet relevant zijn voor het dossier van verdachte. Dit is gebeurd op verzoek van de behandelend (zaaks)officier van justitie, ter toetsing voorgelegd aan de zaaksofficier en derhalve gebeurd met zijn uitdrukkelijke instemming. Een toelichting van de desbetreffende officier van justitie is aan het dossier toegevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank is door deze werkwijze in overeenstemming met de wet en jurisprudentie gehandeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de verklaringen van de getuigen zijn gedenatureerd door het weglakken van onderdelen van die verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de getuigen over de aan verdachte ten laste gelegde feiten op zichzelf duidelijk en ondubbelzinnig, waardoor niet gebleken is op welke manier deze uit hun verband kunnen zijn getrokken. Bovendien is de verdediging in de gelegenheid gesteld om onderzoekswensen kenbaar te maken waardoor de mogelijkheid voor de verdediging bestond om de volledige processen-verbaal op te vragen, dan wel een verzoek tot het horen van de getuigen bij de rechter-commissaris in te dienen, teneinde de verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te toetsen. Van deze gelegenheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt, hetgeen – gelet op het standpunt dat de verdediging inneemt – wel op haar weg had gelegen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de enkele omstandigheid dat er onderdelen van de hiervoor genoemde verklaringen zijn weggelakt, niet tot gevolg heeft dat de processen-verbaal van verhoor van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet kunnen worden aangemerkt als wettig bewijs. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer van de verdediging.”

Het procesverloop komt, samengevat, op het volgende neer. Bij appelschriftuur heeft de verdediging het verzoek gedaan om de gehele verklaringen van onder meer de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij de processtukken te voegen. Deze appelschriftuur houdt daarover in:

“Onvolledig dossier

Het is een bijzonder einddossier dat het Openbaar Ministerie had gepresenteerd. Dit met name gelet op de aanleiding van het onderzoek en de onvolledige verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] (3x) en getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] .

Uit het proces-verbaal p. 6 maakt de verdediging op dat de aanleiding van het onderzoek naar cliënt een verklaring zou zijn van [betrokkene 1] , welke zou hebben gesteld dat hij een wapen van cliënt zou hebben gekocht.

Ter zitting d.d. 22 april 2021 gaf de officier van justitie onder meer aan dat [betrokkene 1] was doorgedraaid en zelf naar de politie was gestapt. Voorts gaf de officier aan dat [betrokkene 1] een speedgebruiker was. Dit ontbreekt echter in het dossier en is uiteraard van belang voor het toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] .

Daarnaast is [betrokkene 1] zelf op 22 april 2021 veroordeeld door de rechtbank te Middelburg. [betrokkene 1] had zelf belangen om cliënt te belasten.

Kortom; de volledige aanleiding ontbreekt in dit dossier.

Daarnaast heeft de rechtbank en de verdediging een einddossier ontvangen met daarin onvolledige verklaringen van medeverdachte [betrokkene 1] (3x) en getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . De officier van justitie heeft bij brief d.d. 20 oktober 2020 hierover bericht: “De politie heeft een strafdossier opgemaakt tegen verdachte [betrokkene 4] en [verdachte] . Daarin zit een verklaring van verdachte [betrokkene 1] , een verklaring van getuige [betrokkene 3] en een verklaring van getuige [betrokkene 2] . Deze verdachte en getuigen hebben in hun verklaringen over een aantal onderwerpen hebben verklaard, die niet van belang zijn voor de afdoening van de zaken tegen voornoemde verdachten [betrokkene 4] en [verdachte] . Hetgeen in die verklaringen niet van belang is, is in opdracht van mij verwijderd. Dat verklaart de witte passages in voornoemde verklaringen.”

Art. 152 en 153 Sv geven de eisen aan waaraan een proces-verbaal dient te voldoen. Deze verklaringen voldoen niet aan de wettelijke vereisten.

Daarnaast geeft art. 342 Sv (onder punt 4 Tekst & Commentaar) voor wat betreft de opname van de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis aan dat hier uiteraard de eis wordt gesteld dat de verklaring van de getuige niet mag worden gedenatureerd. Dat wil zeggen dat de onderdelen niet uit hun verband mogen worden getrokken.

Dat is door het Openbaar Ministerie gedaan. Bepaalde onderdelen mogen niet uit hun verband worden getrokken, maar hier ontbreekt zelfs de verdere inhoud en context. Het is voor de verdediging en uw rechtbank niet mogelijk is om deze onvolledige verklaringen – op basis van dit dossier – verder te toetsen, zonder de verdere inhoud en context te kennen. Mogelijk is er sprake van ‘cherrypicking’ door enkel mogelijke belastende delen van de verklaringen te publiceren. Dat kan nu niet worden nagegaan op basis van dit dossier. Ook het toetsen van de betrouwbaarheid van deze verklaringen wordt onmogelijk gemaakt. Voor wat betreft het toetsen van de betrouwbaarheid heeft daarbij ook nog te gelden dat [betrokkene 1] zelf verdachte was en kennelijk belangen heeft om cliënt te belasten. [betrokkene 1] is op 22 april 2021 door de rechtbank veroordeeld.

Het is tenslotte niet aan de officier van justitie om te oordelen welke onderwerpen wel of niet van belang zijn voor de afdoening van de zaak tegen cliënt. Dat is uiteraard aan de rechtbank/het gerechtshof.

De verdediging heeft hier – zie pleitnota eerste aanleg – verweren op gevoerd. Primair voldoen de voornoemde verklaringen niet aan de wettelijke vereisten welke gelden voor (het opmaken van) een proces-verbaal, en zijn dit geen geldige bewijsmiddelen. Voorts kan e.e.a. verder niet getoetst worden. Subsidiair zijn de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor nu onbetrouwbaar en ongeloofwaardig en tast e.e.a. de waarde van de verklaringen dusdanig aan dat dit de overtuiging raakt.

(...)

Verzoek om gehele verklaringen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en aanleiding van het onderzoek

De verdediging is het met deze overwegingen niet eens. Het is immers een einddossier dat door het Openbaar Ministerie wordt verstrekt.

Gelet op vorenstaande wordt verzocht om in hoger beroep het gehele dossier te verstrekken aan zowel uw Gerechtshof als aan de verdediging. Opgevraagd worden de gehele processen-verbaal van zowel de aanleiding van het onderzoek, het zelf melden van [betrokkene 1] aan politie, alsmede de volledige processen-verbaal van de verhoren van [betrokkene 1] (3x), [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .

Afhankelijk van de gehele verklaringen en aanleiding van het onderzoek zal worden bezien of er getuigen dienen te worden gehoord om hun betrouwbaarheid te toetsen, zoals o.a. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .”

Bij de stukken bevindt zich een bericht van de poortraadsheer aan de raadsman van de verdachte. Dit bericht houdt onder meer in:

“Als onderzoekswensen zijn opgegeven:

1. Verstrekken van de gehele processen-verbaal van zowel de aanleiding van het onderzoek, het zelf melden van [betrokkene 1] aan politie, alsmede de volledige processen-verbaal van de verhoren van [betrokkene 1] (3x), [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ;

(...)

Ter terechtzitting in eerste aanleg is gemotiveerd toegelicht waarom een deel van de verklaringen is weggelakt. Deze zijn niet relevant voor het dossier van verdachte en zien op een andere kwestie. Dat is een weloverwogen beslissing geweest. Om die reden wordt het verzoek om het verstrekken van deze processen-verbaal afgewezen.

De poortraadsheer heeft geen bezwaar om de verdediging inzage te geven in deze processen-verbaal met dien verstande dat de zwartgelakte passages gehandhaafd mogen blijven. De advocaat-generaal heeft hiertoe opdracht gekregen.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Bewezenverklaring:

4. Ik zal dit trachten te doen op chronologische volgorde, te beginnen met feit 2.

Uit het relaas proces-verbaal (p. 6) maakt de verdediging op dat de aanleiding van het onderzoek naar cliënt een verklaring zou zijn van [betrokkene 1] , welke zou hebben gesteld dat hij een wapen van cliënt zou hebben gekocht.

Feit 2: Overdracht wapen in de periode 1 juni 2020 t/m 14 oktober 2020

Bewezenverklaring: Verzoek vrijspraak (onvoldoende wettig en overtuigend bewijs)

Cliënt ontkent stellig een wapen te hebben verkocht. Dat heeft hij nog nooit gedaan, dus ook niet aan [betrokkene 1] .

Over dit feit is in het dossier aanwezig gedeeltelijke verklaringen van verdachte [betrokkene 1] (p. 147), een gedeeltelijke verklaring van getuige [betrokkene 3] (p. 182) en een gedeeltelijke verklaring van getuige [betrokkene 2] (p. 188).

Primair:

5. Het staat vast dat de verklaringen van [betrokkene 1] (3x), [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in dit dossier dus niet volledig zijn (p. 144 t/m 195). Delen zijn ‘weggelakt’. Hierover is het nodige gezegd in eerste aanleg.

Art. 152 en 153 Sv geven de eisen aan waaraan een proces-verbaal dient te voldoen. Daarnaast geeft art. 342 Sv (onder punt 4 Tekst & Commentaar) voor wat betreft de opname van de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis aan dat hier uiteraard de eis wordt gesteld dat de verklaring van de getuige niet mag worden gedenatureerd. Dat wil zeggen dat de onderdelen niet uit hun verband mogen worden getrokken.

De officier van justitie heeft aangegeven waarom dit ‘weglakken’ is gebeurd. De rechtbank is in haar vonnis op de verweren van de verdediging ingegaan. Deels gebruikt de rechtbank de jurisprudentie waarbij processen-verbaal geheel achterwege worden gelaten. Maar dat is hier niet het geval. Hier zijn wel processen-verbaal opgemaakt van verklaringen, maar zijn deze gedeeltelijk ‘weggelakt’. Dat is wezenlijk iets heel anders.

De poortraadsheer is er ook op ingegaan, gelet op de onderzoekswensen van de verdediging n.a.v. het vonnis, en gaf aan dat het een weloverwegen beslissing is geweest van de officier van justitie. Omdat u als Gerechtshof de laatste feitelijke instantie bent wenst de verdediging dit verweer ook aan u voor te leggen.

Nu er in dit dossier bij voornoemde verklaringen volgens de verdediging niet is voldaan aan de wettelijke vereisten welke gelden voor (het opmaken van) een proces-verbaal, zijn dit geen geldige bewijsmiddelen. Voorts kan e.e.a. op basis van dit dossier niet worden getoetst door uw Gerechtshof. Op basis van dit dossier ontbreekt primair wettig bewijs, zodat cliënt vrijgesproken dient te worden.”

Juridisch kader

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 34 lid 1, 2 en 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“1. De verdachte kan de officier van justitie verzoeken specifiek omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en is met redenen omkleed.

2. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan de verdachte de officier van justitie toestemming verzoeken om kennis te nemen van de stukken, bedoeld in het eerste lid.

4. De officier van justitie kan het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.”

- Artikel 149a lid 1, 2 en 3 Sv:

“1. De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.

2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.

3. In de processtukken en in stukken waarvan de kennisneming ingevolge dit wetboek wordt toegestaan blijven in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bepaalde daarin aan te wijzen gegevens in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer onvermeld, tenzij deze gegevens voor door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn.”

- Artikel 149b lid 1 Sv:

“De officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd.”

- Artikel 187d lid 1 Sv:

“De rechter-commissaris kan hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman of de getuige beletten dat antwoorden op vragen betreffende een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, indien er gegrond vermoeden bestaat dat door de openbaarmaking van dit gegeven:

a. de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd,

b. een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad, of

c. het belang van de staatsveiligheid wordt geschaad.”

- Artikel 315 lid 1 Sv:

“Indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, zoo noodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.”

- Artikel 316 lid 1 Sv:

“Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.”

- Artikel 328 Sv:

“Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dezen Titel kan door den officier van justitie eene vordering en door den verdachte een verzoek tot de rechtbank worden gedaan, tenzij uit eenige bepaling het tegendeel volgt.”

- Artikel 329 Sv:

“Alvorens te beslissen op eenig verzoek of verzet van den verdachte, hoort de rechtbank den officier van justitie. Alvorens te beslissen op eenige vordering of op eenig verzet van den officier van justitie, stelt de rechtbank den verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman in de gelegenheid het woord te voeren.”

- Artikel 414 lid 1 Sv:

“De advocaat-generaal en de verdachte kunnen zoowel ter terechtzitting in eersten aanleg gehoorde als nieuwe getuigen en deskundigen doen dagvaarden of schriftelijk doen oproepen. Zij kunnen ook nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging overleggen.”

- Artikel 415 lid 1 Sv:

“Behoudens de volgende artikelen van deze titel, zijn de artikelen 268 tot en met 314, 315 tot en met 353 en 356 tot en met 366a op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing (...).”

- Artikel 420 lid 1 Sv

“In de gevallen van de artikelen 295, 316 en 347 wordt het onderzoek gevoerd door een rechter-commissaris in de rechtbank die in eerste aanleg heeft gevonnist dan wel een raadsheer-commissaris bij het gerechtshof waar de zaak aanhangig is.”

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 1 december 2011, Stb. 2011, 601, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de herziening van de regels inzake de processtukken, de verslaglegging door de opsporingsambtenaar en enkele andere onderwerpen (herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken), waarbij artikel 34, 149a lid 1 en 2 en 149b Sv in hun huidige vorm zijn ingevoerd, houdt onder meer in:

“Toepassing van de voorgestelde procedure tot afscherming van bepaalde informatie kan een inbreuk op de verdedigingsrechten opleveren. Indien evenwel compenserende waarborgen aanwezig zijn waardoor verzekerd kan worden dat de rechten van de verdediging in voldoende mate in acht worden genomen, staat het in artikel 6 EVRM neergelegde beginsel van een eerlijk proces aan toepassing van deze procedure niet in de weg (vgl. ook EHRM 16 februari 2000, 27054/95, Jasper tegen het Verenigd Koninkrijk). Deze waarborgen zijn daarin gelegen dat de relevantie van het materiaal alsmede de noodzaak tot de afscherming daarvan wordt getoetst door de onafhankelijke rechter. Indien de rechter-commissaris van oordeel is dat een machtiging krachtens artikel 149b, eerste lid, Sv moet worden gegeven, dient de officier van justitie daarvan, voor zover in het licht van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen mogelijk, mededeling te doen in een proces-verbaal. Op deze wijze zal ook de zittingsrechter steeds op de hoogte zijn van het feit dat in een eerder stadium van de strafprocedure over de samenstelling van het procesdossier beslissingen zijn genomen. Uiteindelijk bepaalt de zittingsrechter of er voldoende informatie beschikbaar is voor een goede beoordeling van de zaak. Hij kan bevelen dat bepaalde stukken alsnog worden overgelegd (artikel 315, eerste lid, Sv). Het ligt in de rede dat de zittingsrechter, indien hem gebleken is van de toepassing van deze regeling, uiterst zorgvuldig met de bevoegdheid uit laatstgenoemde bepaling zal omgaan. Dat direct de overlegging van de niet-gevoegde stukken wordt bevolen, welk bevel de (onomkeerbare) openbaarmaking van die stukken tot gevolg heeft, zal in de regel dan ook niet de geëigende weg zijn om een nadere beoordeling van deze stukken bewerkstelligen. De betrokkenheid, wederom, van een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris hierbij is aangewezen. Bij toepassing van het voorgestelde artikel 149b, eerste lid, Sv – waarbij alsdan de vordering van de officier van justitie achterwege kan blijven en vooral de (afgeschermde) beoordeling door de rechter-commissaris van de stukken centraal staat – kan in dat geval, mede tegen de achtergrond van de visie van de zittingsrechter, eventueel een nadere onderbouwing worden gegeven van de redenen die aan het (wederom) niet voegen van de informatie ten grondslag liggen.”

(Kamerstukken II 2009/10, 32468, nr. 3, p. 30.)

Het hiervoor weergegeven samenstel van bepalingen vormt een onderling samenhangend systeem voor de omgang met en verantwoordelijkheid voor de processtukken gedurende de loop van het strafproces. Dit systeem komt in hoofdlijnen op het volgende neer.

Op grond van artikel 149a lid 1 Sv is de officier van justitie tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Die verantwoordelijkheid brengt mee dat hij in beginsel gehouden is om alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door de rechter op de terechtzitting te nemen beslissingen bij de processtukken te voegen, zo nodig met weglating daarin van de in artikel 149a lid 3 Sv bedoelde gegevens. Het gaat hierbij om de relevantie van die stukken. Als een stuk niet van belang kan zijn voor enige door de rechter te nemen beslissing, hoeft de officier van justitie het stuk dus niet bij de processtukken te voegen. In het (uitzonderlijke) geval dat een stuk wel van belang kan zijn, maar zich één van de omstandigheden voordoet die in artikel 187d lid 1 Sv worden genoemd, schept artikel 149b lid 1 Sv de mogelijkheid dat de officier van justitie voeging van (gedeelten van) het stuk achterwege laat. De officier van justitie heeft daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris nodig. De in artikel 149b Sv voorziene procedure verplicht er bovendien toe dat een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin voor zover mogelijk wordt toegelicht waarom van deze procedure gebruik wordt gemaakt.

Gedurende het vooronderzoek kan de verdediging – dat wil zeggen: de verdachte of, gelet op artikel 48 Sv, zijn raadsman – op grond van artikel 34 lid 1 Sv de officier van justitie verzoeken om specifiek omschreven stukken die zij van belang acht voor de beoordeling van de zaak bij de processtukken te voegen. Zo’n verzoek kan betrekking hebben op stukken waarvan de verdediging meent dat die door de officier van justitie onterecht niet als relevant zijn aangemerkt, en op stukken die door de officier van justitie – al dan niet gedeeltelijk – buiten de processtukken zijn gehouden op grond van de bevoegdheid bedoeld in artikel 149b lid 1 Sv. Om dit verzoek te kunnen onderbouwen, geeft artikel 34 lid 2 Sv de verdediging daarnaast het recht om eerst kennis te nemen van specifiek omschreven stukken. Als de officier van justitie het verzoek tot voeging van stukken dan wel de kennisneming daarvan weigert, heeft hij een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig (artikel 34 lid 4 Sv).

Met het begin van het onderzoek op de terechtzitting gaat de verantwoordelijkheid voor de samenstelling en de volledigheid van de processtukken over van de officier van justitie naar de zittingsrechter. In die fase kan de zittingsrechter ambtshalve de overlegging van stukken en de voeging daarvan bij de processtukken bevelen. De verdediging kan op grond van artikel 328 Sv de zittingsrechter verzoeken om toepassing te geven aan die bevoegdheid. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier worden toegevoegd die voor de op de terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Ook hiervoor is bepalend de relevantie van de stukken (vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218, rechtsoverweging 2.4).

Voordat de rechter – ambtshalve of op verzoek – beslist over de voeging van bepaalde stukken bij de processtukken, stelt hij de officier van justitie en, zo nodig, de verdediging in de gelegenheid hun standpunten kenbaar te maken. In het geval dat de officier van justitie zich verzet tegen voeging omdat hij zich op het standpunt stelt dat de betreffende stukken niet relevant zijn of dat de in artikel 187d lid 1 Sv bedoelde belangen hiertoe dwingen, kan de zittingsrechter beslissen dat nader onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is. De rechter-commissaris beoordeelt dan, in lijn met de regeling van artikel 34 lid 4 en 149b lid 1 Sv, of sprake is van niet-relevante stukken of dat zich een in artikel 187d lid 1 Sv bedoelde omstandigheid voordoet en geeft, zoals ook in de onder 2.4.2 genoemde wetsgeschiedenis tot uitdrukking komt, ten behoeve van de zittingsrechter een (nadere) onderbouwing van de bevindingen van zijn daartoe verrichte onderzoek. Uiteindelijk beslist de zittingsrechter ook in dat geval over het wel of niet voegen van de verzochte stukken bij de processtukken (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, rechtsoverweging 4.4.3). De zittingsrechter neemt hierbij, anders dan de rechter-commissaris, geen kennis van stukken die aan de verdediging worden onthouden. Het beginsel van interne openbaarheid staat daaraan in de weg (vgl. in een ander verband HR 20 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD5266, rechtsoverweging 4.2.3).

Wat hiervoor onder 2.5.4 en 2.5.5 is overwogen over de zittingsrechter en de rechter-commissaris geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 414 lid 1 Sv, in hoger beroep op grond van artikel 415 lid 1 Sv ook voor de zittingsrechter in hoger beroep en de raadsheer-commissaris.

Het oordeel van de Hoge Raad

Uit de onder 2.2 weergegeven vaststellingen van het hof en het onder 2.3 weergegeven procesverloop blijkt dat in deze zaak processen-verbaal zijn opgemaakt van verhoren van onder meer de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarna onderdelen van de verklaringen op verzoek van de officier van justitie zijn “weggelakt” omdat deze onderdelen “niet relevant” zouden zijn. Het oordeel van het hof dat met het op deze manier weglakken van onderdelen uit processen-verbaal in overeenstemming met de wet en de jurisprudentie is gehandeld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit wat onder 2.5 is overwogen, volgt immers dat de officier van justitie niet zelfstandig de bevoegdheid heeft om een stuk waarin (mede) informatie is opgenomen die redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door de rechter op de terechtzitting te nemen beslissingen, zo te bewerken dat een gedeelte van dat stuk onleesbaar wordt. De officier van justitie kan eventueel wel in zo’n stuk door middel van een aantekening of doorhaling aanduiden welk gedeelte van het stuk naar zijn oordeel niet relevant is, mits dat gedeelte leesbaar blijft. Uit de stukken van deze zaak blijkt echter niet dat van die mogelijkheid gebruik is gemaakt.

Het hof heeft, in afwijking van het op de terechtzitting gevoerde verweer, de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor het bewijs gebruikt, terwijl in de onderliggende processen-verbaal delen waren weggelakt. In dat verband heeft het hof geoordeeld dat de weggelakte onderdelen van die verklaringen “niet relevant zijn voor het dossier van verdachte” en dat de niet weggelakte onderdelen “op zichzelf duidelijk en ondubbelzinnig [zijn], waardoor niet gebleken is op welke manier deze uit hun verband kunnen zijn getrokken.” Deze oordelen zijn niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof de inhoud van de weggelakte passages zelf niet kan hebben gekend en ook niet blijkt dat het hof over de relevantie van deze passages het oordeel van de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris heeft ingewonnen.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?