HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02300
Datum 29 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden van 11 juni 2024, nummer 21-000014-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt). Daartoe wordt aangevoerd dat de akte van uitreiking in strijd met artikel 36h van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet de identificerende gegevens vermeldt van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt.
Aan de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep is een akte van uitreiking gehecht. Deze akte houdt in dat de dagvaarding op 29 maart 2024 is uitgereikt op het adres [adres Stadsbank] in [plaats] aan een ander dan de verdachte die zich op dat adres bevond en die heeft beloofd de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. De akte vermeldt als naam van de ontvanger “ [betrokkene 1] ” en bevat een handtekening van de ontvanger. De gegevens (de soort en het nummer) van een identiteitsbewijs van de ontvanger zijn niet ingevuld.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
“De verdachte (...) is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal heeft gebeld om na te vragen of verdachte gedetineerd is. Dat is niet het geval. De zaak is goed betekend. Verdachte staat ingeschreven op het adres [adres Stadsbank] en aan dat adres is ook betekend.
(...)
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard.
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 36e lid 1 en 2, aanhef en onder a, Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt: a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon; b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden: 1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde. 2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.”
- artikel 36h lid 1 en 3 Sv:
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;e. de plaats van uitreiking;f. de dag en het uur van uitreiking.3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.”
- artikel 36n lid 1 Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
Als de dagvaarding overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, moet op grond van artikel 36h lid 1 Sv in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt. De strekking van dit voorschrift is dat achteraf kan worden nagegaan wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in de akte van uitreiking niet de persoon is vermeld aan wie de dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim – in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen – in beginsel nietigheid van de betekening van de dagvaarding tot gevolg. De rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan wie de dagvaarding is uitgereikt. (Vgl. HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1738, rechtsoverweging 2.4.)
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend. Dit oordeel is – mede gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet zonder meer begrijpelijk. De onder 2.2.1 genoemde akte van uitreiking vermeldt uitsluitend “ [betrokkene 1] ” als naam van de persoon aan wie de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt. In de handtekening van de ontvanger op de akte van uitreiking is geen naam leesbaar. Gegevens van een identiteitsbewijs van de ontvanger zijn niet ingevuld. Uit de akte van uitreiking kan dan ook niet worden afgeleid wie de persoon aan wie de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt. Het hof heeft er ook geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of dit anderszins uit de stukken kan worden afgeleid.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2026.