HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 26/01369
Datum 25 september 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/604622 / FV RK 25-3226 van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026 en tot afdoening als onder 3.9 in de conclusie vermeld.
2. Uitgangspunten en feiten
Ten aanzien van betrokkene zijn aansluitende machtigingen voor het verlenen van verplichte zorg verleend, laatstelijk van 4 februari 2025 tot en met 4 februari 2026.
Op 23 december 2025 heeft de officier van justitie een verzoek voor een opvolgende zorgmachtiging van twaalf maanden (digitaal) ingediend.
De mondelinge behandeling vond plaats op 14 januari 2026. Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene onder meer betoogd dat de beslistermijn al de dag voor de zitting was verstreken, zodat een nieuwe zorgmachtiging niet voor twaalf maanden kan worden afgegeven, maar ten hoogste voor zes maanden. Naar aanleiding van dit betoog heeft de rechter blijkens het proces-verbaal van de zitting het volgende opgemerkt:
“(…) Voor de termijn ga ik uit van 24 december. Het verzoek is om half 11 (22.30 uur) binnengekomen en buiten kantoortijden rekenen we dat als de volgende dag. We zijn een organisatie die niet 24/7 bereikbaar is. We kunnen het verzoek de volgende werkdag pas inboeken. Dat zal ik ook zo in de beschikking zetten.”
Bij mondelinge uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het verzoek toegewezen en bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 14 januari 2027. Over de beslistermijn heeft de rechtbank in rov. 3.10 het volgende overwogen:
“De advocaat verzoekt subsidiair de zorgmachtiging toe te wijzen voor de duur van maximaal zes maanden. Omdat de beslistermijn van drie weken volgens de advocaat is verstreken, kan de rechtbank de zorgmachtiging niet verlenen voor meer dan zes maanden. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift op 23 december 2025 na 17:00, buiten kantoortijd, bij de rechtbank is binnengekomen. Omdat het verzoekschrift de volgende werkdag pas kan worden ingeboekt, gaat de rechtbank uit van 24 december 2025 als ontvangstdatum. De rechtbank stelt vast [dat] de termijn van drie weken waarbinnen op het verzoek dient te worden beslist, daarmee niet is overschreden en verleent de zorgmachtiging voor de verzochte duur van twaalf maanden.”
3. Beoordeling van het middel
Het middel keert zich tegen rov. 3.10 en klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van haar uitspraak de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz was verstreken. Het verzoek was immers ingediend op 23 december 2025, dus de laatste dag van de beslistermijn was 13 januari 2026. Op grond van art. 6:6 lid 2 Wvggz was op de datum van uitspraak de eerdere zorgmachtiging reeds vervallen. Dat betekent dat er geen sprake was van een aansluitende zorgmachtiging, zodat de zorgmachtiging niet voor de duur van twaalf maanden maar slechts voor de duur van zes maanden kon worden verleend, aldus het middel.
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:6 lid 2 Wvggz. Voor een dergelijk verzoek geldt een beslistermijn van drie weken, die aanvangt met de ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Op 23 december 2025 is het verzoekschrift bij de rechtbank binnengekomen (zie rov. 3.10 van de bestreden beschikking). In dit geval kon het verzoekschrift digitaal worden ingediend op ieder moment van de dag. Dat het verzoekschrift buiten kantoortijd is ontvangen, is daarom niet relevant. De rechtbank moest uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 13 januari 2026) beslissen. Dat heeft de rechtbank niet gedaan. De daarop gerichte klacht slaagt.
Na het verstrijken van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz en het vervallen van de eerdere machtiging kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan evenwel slechts op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist, dus tot en met 14 juli 2026.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 14 januari 2027;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 14 juli 2026.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.