HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02205
Datum 25 september 2026
ARREST
In de zaak van
[aannemer] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [aannemer] ,
advocaat: W.A. Jacobs,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [opdrachtgevers] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/15/314213 / HA ZA 21-136 van de rechtbank Noord-Holland van 12 januari 2022;
b. de arresten in de zaak 200.309.866/01 van het gerechtshof Amsterdam van 17 mei 2022, 17 december 2024 en 18 maart 2025.
[aannemer] heeft tegen het arrest van het hof van 17 december 2024 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [opdrachtgevers] is verstek verleend.
De zaak is voor [aannemer] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en tot verwijzing. De advocaat van [aannemer] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [opdrachtgevers] hebben in december 2014 een overeenkomst van aanneming van werk gesloten met [aannemer] voor het bouwen van een vrijstaande woning.
(ii) Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk 2013, vastgesteld door Bouwend Nederland op 27 maart 2013 (hierna: AVA 2013), van toepassing. De AVA 2013 bevatten onder meer de volgende bedingen:
“16.3 Aansprakelijkheid na oplevering
1. Na de dag waarop het werk als opgeleverd geldt, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk.
2. Het in het eerste lid bepaalde lijdt uitzondering indien sprake is van een gebrek:
a. dat in de onderhoudstermijn aan de dag is getreden en dat redelijkerwijs niet bij de oplevering door de opdrachtgever onderkend had kunnen worden, tenzij de aannemer aannemelijk maakt dat het gebrek met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden toegeschreven aan een omstandigheid, die aan de opdrachtgever kan worden toegerekend;
b. dat na afloop van de onderhoudstermijn aan de dag is getreden, dat redelijkerwijs niet bij oplevering door de opdrachtgever onderkend had kunnen worden en waarvan de opdrachtgever aannemelijk maakt dat het gebrek met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden toegeschreven aan een omstandigheid, die aan de aannemer kan worden toegerekend.
3. De rechtsvordering uit hoofde van het in lid 2 sub a bedoelde gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van twee jaren na het verstrijken van de onderhoudstermijn.
4. De rechtsvordering uit hoofde van het in lid 2 sub b bedoelde gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van vijf jaren na het verstrijken van de onderhoudstermijn. Ingeval het in het in lid 2 sub b bedoelde gebrek echter als een ernstig gebrek moet worden aangemerkt, is de rechtsvordering niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van tien jaren na het verstrijken van de onderhoudstermijn. Een gebrek is slechts dan als een ernstig gebrek aan te merken indien het werk geheel of gedeeltelijk is ingestort of dreigt in te storten, dan wel ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen.
Overige bepalingen
1. De opdrachtgever is in de gevallen als voorzien in de artikelen 16.1 tot en met 16.3 verplicht de aannemer van het gebrek binnen redelijke termijn na ontdekking mededeling te doen en de aannemer de gelegenheid te geven binnen een redelijke termijn voor diens rekening toerekenbare tekortkomingen en/of gebreken, waarvoor de aannemer aansprakelijk is, te herstellen/op te heffen.
(…)”
(iii) Het proces-verbaal van oplevering is gedateerd op 17 december 2015. Daarin zijn geen tekortkomingen vermeld.
(iv) De in art. 16.3 lid 2 AVA 2013 genoemde onderhoudstermijn liep af op 17 januari 2016.
(v) Na een klacht van [opdrachtgevers] bij [aannemer] over de cementdekvloer heeft de onderaannemer van [aannemer] daaraan herstelwerkzaamheden verricht.
(vi) Eind januari 2018 hebben [opdrachtgevers] [aannemer] aangesproken op de aanwezigheid van een losse gording. Herstel hiervan heeft in juni 2018 plaatsgevonden.
(vii) In september 2018 is bij een storm schade opgetreden aan het dak van de woning van [opdrachtgevers] De schade is op 26 oktober 2018 door een derde hersteld. Dit bedrijf heeft bij deze gelegenheid geconstateerd dat de nok niet op de juiste wijze was uitgevoerd en dat de gehele dakconstructie te licht leek te zijn uitgevoerd. De schade is ook gemeld bij [aannemer] , die op 10 november 2018 een inspectie heeft uitgevoerd, maar geen werkzaamheden heeft verricht.
(viii) In opdracht van [opdrachtgevers] heeft een pannendekker in maart 2019 de nok verlaagd en de wijze waarop de nokvorsten waren aangebracht, gewijzigd.
(ix) [opdrachtgevers] hebben [aannemer] op 19 februari 2019 in gebreke gesteld met betrekking tot gebreken aan het dak en aan de cementdekvloer.
(x) Bij brief van 12 november 2019 heeft de toenmalige advocaat van [opdrachtgevers] geconstateerd dat de gebreken niet waren hersteld en [aannemer] aansprakelijk gesteld voor de schade die [opdrachtgevers] lijden als gevolg van de gebreken aan het dak en aan de cementdekvloer.
In deze procedure, die [opdrachtgevers] bij inleidende dagvaarding van 5 maart 2021 aanhangig hebben gemaakt, vorderen [opdrachtgevers] onder meer veroordeling van [aannemer] , primair tot betaling van vervangende schadevergoeding, subsidiair tot herstel van de gebreken aan het dak en de vloer en tot betaling van aanvullende schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep van [aannemer] op de vervaltermijn van vijf jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn (art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013) gehonoreerd en de vorderingen van [opdrachtgevers] afgewezen.
Het hof heeft bij tussenarrest van 17 december 2024 (hierna: het tussenarrest) geoordeeld dat het vervalbeding van art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013 onredelijk bezwarend en oneerlijk is (als bedoeld in art. 6:233, aanhef en onder a, BW en in Richtlijn 93/13/EEG; hierna: Richtlijn 93/13) en dat [aannemer] daarom geen beroep kan doen op dit vervalbeding. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
“Het vervalbeding van artikel 16.3, derde en vierde lid, AVA 2013 is een onredelijk bezwarend/oneerlijk beding
Een beding in algemene voorwaarden is op grond van artikel 6:233, onderdeel a, BW vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Hierbij spelen een rol:
- de aard en de inhoud van de overeenkomst;
- de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen;
- de wederzijds kenbare belangen van partijen; en
- de overige omstandigheden van het geval.
Daarnaast is relevant of een beding voorkomt op de grijze of zwarte lijst van de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Bedingen op de zwarte lijst zijn onredelijk bezwarend en bedingen op de grijze lijst worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Bovendien is relevant of het beding in strijd is met dwingend consumentenrecht.
Bij een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument, zoals in deze zaak, valt de toets of een beding onredelijk bezwarend is grotendeels samen met de vraag of het beding oneerlijk is als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen). Een beding wordt als oneerlijk beschouwd als het in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Als het beding voorkomt op de indicatieve lijst van de Richtlijn oneerlijke bedingen is dat een aanwijzing dat het beding oneerlijk is. Concreet is de vraag of het beding in de algemene voorwaarden, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en zonder rechtvaardiging, de wederpartij/consument in een aanzienlijk slechtere positie brengt ten opzichte van de andere partij dan waarin deze zou verkeren zonder het beding. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten. Bedingen die de wettelijke rechten van een consument ten aanzien van de wederpartij in geval van wanprestatie op ongepaste wijze beperken of uitsluiten, staan bijvoorbeeld op de indicatieve lijst van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
Het beding waar het in deze zaak om gaat is het vervalbeding van artikel 16.3, vierde lid, AVA 2013. Dit beding komt er kort gezegd op neer dat de consument zijn rechten tegenover de aannemer met betrekking tot gebreken aan de woning verliest als de consument de aannemer niet binnen de in het beding genoemde termijn dagvaardt. Deze termijn vangt aan na afloop van de onderhoudstermijn van dertig dagen en bedraagt twee, vijf of tien jaren, afhankelijk van het moment waarop de gebreken door de consument zijn ontdekt en de ernst van de gebreken. Deze termijn kan niet worden gestuit.
Zonder het beding zouden in ieder geval de volgende wettelijke bepalingen gelden. In de eerste plaats heeft een consument een klachtplicht. Hij moet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken klagen bij de aannemer. Hoe de consument klaagt, is vormvrij. Klaagt hij niet binnen bekwame tijd, dan verliest de consument zijn recht om de aannemer alsnog op het gebrek aan te spreken. De rechtsvordering van de consument met betrekking tot een gebrek verjaart als twee jaar is verstreken sinds hij bij de aannemer heeft geklaagd. De vordering van de consument verjaart in ieder geval door verloop van twintig jaren na de oplevering van het bouwwerk. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming, zoals hier aan de orde is, kan worden gestuit door een daartoe strekkende mededeling, door een aanmaning of door een daad van rechtsvervolging. Als de consument (op tijd) de verjaring stuit, gaat een nieuwe verjaringstermijn lopen.
De situaties als geschetst in 5.6 en 5.7 met elkaar vergelijkend en de omstandigheden van het geval afwegend, komt het hof tot de conclusie dat het beding onredelijk bezwarend en oneerlijk is. De volgende omstandigheden spelen daarbij een rol:
- Het vervalbeding in de AVA 2013 vervangt een wettelijke verjaringstermijn door een vervaltermijn. Dergelijke bedingen staan op de grijze lijst en worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn.
- Het doel van het vervalbeding is om de aannemer te beschermen tegen late onverwachte vorderingen waartegen de aannemer zich door een met de jaren slechter wordende bewijspositie moeilijk kan verdedigen. Het doel van de wettelijke klachtplicht en verjaringsregeling is hetzelfde. De wettelijke regeling en het vervalbeding beschermen dus hetzelfde belang van de aannemer, maar het vervalbeding heeft voor de consument verdergaande negatieve consequenties.
- Weliswaar wordt zowel in het geval van het vervalbeding als in het geval van de wettelijke klachtplicht van [opdrachtgevers] verwacht dat zij onderzoek doen en op tijd klaagt. Het vervalbeding dwingt [opdrachtgevers] echter tot procederen. Zij verliezen immers hun rechten als de dagvaarding niet op tijd is uitgebracht. De wettelijke regeling vereist “slechts” dat [opdrachtgevers] op tijd bij [aannemer] klagen. De wettelijke regeling biedt dus meer ruimte aan partijen om het conflict in eerste instantie in goed overleg op te lossen.
- Een vervaltermijn kan niet worden gestuit. Ingebrekestellingen door [opdrachtgevers] hebben dus geen invloed op de vervaltermijn. Dit in tegenstelling tot de verjaringstermijn, die wel kan worden gestuit. Een ingebrekestelling geeft [opdrachtgevers] dus meer tijd om [aannemer] te dagvaarden. Overigens geeft dit beide partijen ook meer tijd om een procedure te voorkomen door het voeren van minnelijk overleg.
- De consequenties van een vervalbeding verschillen van de consequenties van de wettelijke verjaringsregeling. Als de vervaltermijn is verstreken, verliezen [opdrachtgevers] hun recht geheel. Zowel de vordering als de natuurlijke verbintenis gaan teniet. Bij verjaring verliezen [opdrachtgevers] alleen hun recht om een vordering in te stellen met betrekking tot de gestelde gebreken. Zij houden wel de natuurlijke verbintenis en kunnen die bijvoorbeeld als verweer gebruiken in het geval [aannemer] hen in rechte zou aanspreken.
- De termijn die de consument op grond van het vervalbeding krijgt voordat zijn recht vervalt, is twee, vijf of tien jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn. Anders dan de wettelijke verjaringstermijn van twee jaar na de eerste klacht kunnen de contractuele vervaltermijnen al gaan lopen voordat het gebrek is ontdekt. Dat is weliswaar ook het geval bij de wettelijke verjaringstermijn van twintig jaar, maar die is weer aanzienlijk langer dan de contractuele termijnen.
Kortom, het vervalbeding dient hetzelfde doel als de wettelijke regeling, maar heeft voor [opdrachtgevers] meer negatieve consequenties, namelijk de noodzaak om te procederen, geen mogelijkheid de termijn te stuiten en verval van al haar recht bij verstrijken van de termijn. [opdrachtgevers] komt hiermee dus in een aanzienlijk slechtere positie dan waarin zij zou hebben verkeerd als de wettelijke regeling van toepassing zou zijn.
[aannemer] heeft aangevoerd dat het handelen van [opdrachtgevers] het verval van hun recht rechtvaardigt. [opdrachtgevers] waren volgens [aannemer] al in de onderhoudstermijn van de gebreken op de hoogte, hebben de AVA 2013 zelf voorgesteld als voorwaarden, en hebben erkend dat [aannemer] geen aansprakelijkheid heeft erkend of toezegging heeft gedaan. De eerste en de laatste omstandigheid kunnen echter geen rol spelen bij de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding. Een beding in de algemene voorwaarden wordt getoetst zonder daarbij de omstandigheden mee te nemen van na sluiting van de overeenkomst (zie ook hiervoor onder 5.5). Het komt immers aan op eventuele onredelijk bezwarende gevolgen van het beding, ongeacht of deze zich ook daadwerkelijk hebben voorgedaan. Dat [opdrachtgevers] de AVA 2013 zelf hebben voorgesteld is weliswaar relevant, maar legt onvoldoende gewicht in de schaal om het beding daarom niet onredelijk bezwarend of oneerlijk te achten. Niet vastgesteld kan worden dat [opdrachtgevers] als consumenten op de hoogte waren van de verstrekkende gevolgen van het vervalbeding voor hun rechten.
[aannemer] heeft ook aangevoerd dat de termijn van vijf jaar lang genoeg is om een procedure te starten en dat een vergelijkbaar beding in andere algemene voorwaarden staat die in samenspraak met belangenorganisaties voor consumenten zijn opgesteld. Dat de termijn van vijf jaar lang genoeg is om een procedure te starten, maakt het beding niet eerlijk. De omstandigheden die naar het oordeel van het hof maken dat het beding onredelijk bezwarend en oneerlijk is, zien immers niet alleen op de duur van de vervaltermijnen maar op de negatieve consequenties van het beding voor [opdrachtgevers] ten opzichte van de wettelijke regeling die hetzelfde doel dient. Dat het beding ook in andere algemene voorwaarden staat, maakt het oordeel van het hof ook niet anders. Dergelijke voorwaarden kunnen een compromis zijn tussen verschillende partijen en zeggen niets over de (on)eerlijkheid van een concreet beding in een individueel geval. De toetsing daarvan is aan de rechter.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het vervalbeding uit artikel 16.3, vierde lid, AVA 2013 onredelijk bezwarend en oneerlijk is, omdat [opdrachtgevers] door het beding in een aanzienlijk slechtere positie komen te verkeren en het evenwicht tussen de rechten en plichten van [opdrachtgevers] en [aannemer] aanzienlijk wordt verstoord. Aangezien de omstandigheden op grond waarvan het beding onredelijk bezwarend en oneerlijk is gelijk zijn voor zowel de vervaltermijn van vijf jaar als die van twee en tien jaar, geldt dit oordeel ook voor de vervalbedingen uit de artikelen 16.3, derde lid, AVA 2013 en 16.3, vierde lid, tweede volzin, AVA 2013. Omdat het vervalbeding in zijn geheel onredelijk bezwarend is, behoeft de vraag of de gebreken ‘ernstig’ zijn in de zin van dit beding geen bespreking. [aannemer] kan geen beroep doen op het vervalbeding.
Slotsom
De eerste grief slaagt. Het hof komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil tussen partijen. (...)”
Het hof heeft tussentijds cassatieberoep tegen het tussenarrest opengesteld.
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel II van het middel richt zich met verschillende klachten tegen het oordeel van het hof (in rov. 5.4-5.13) dat het vervalbeding van art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013 onredelijk bezwarend en oneerlijk is (als bedoeld in art. 6:233, aanhef en onder a, BW en in Richtlijn 93/13).
Onderdeel II.1 klaagt onder meer dat voor zover het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd dat het verstrijken van de vervaltermijn van vijf jaar het verval van alle rechten van [opdrachtgevers] tot gevolg heeft, het een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het vervalbeding van art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013, gelet op de tekst van het beding, de toelichting daarop, en hetgeen [aannemer] over de consequenties van het beding heeft gesteld.
Deze klacht slaagt. Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.30, is het oordeel van het hof dat art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013 het verval van alle rechten tot gevolg heeft, onbegrijpelijk in het licht van de tekst van deze bepaling en het partijdebat.
Onderdeel II.3 is gericht tegen rov. 5.11. Hierin heeft het hof geoordeeld dat de omstandigheid dat een met het vervalbeding vergelijkbaar beding ook voorkomt in andere algemene voorwaarden, die in samenspraak met belangenorganisaties voor consumenten zijn opgesteld, het oordeel van het hof niet anders maakt omdat dergelijke voorwaarden een compromis kunnen zijn tussen verschillende partijen en niets zeggen over de (on)eerlijkheid van een concreet beding in een individueel geval.
Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof hiermee heeft miskend dat bij de beoordeling of een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend dan wel oneerlijk is, de omstandigheid dat een (vrijwel) gelijkluidend beding voorkomt in algemene voorwaarden die zijn opgesteld in overleg met belangenorganisaties voor consumenten wel degelijk van betekenis is.
Deze klacht slaagt. Anders dan het hof in rov. 5.11 klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen, komt bij de beoordeling of een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is (als bedoeld in art. 6:233, aanhef en onder a, BW) of oneerlijk is (als bedoeld in Richtlijn 93/13), mede betekenis toe aan de omstandigheid dat een vergelijkbaar beding voorkomt in andere algemene voorwaarden, die in overleg met belangenorganisaties voor consumenten zijn opgesteld.
Onderdeel II.4 richt een klacht tegen rov. 5.12, voor zover het hof hierin heeft geoordeeld dat ook het vervalbeding van art. 16.3 lid 3 AVA 2013 onredelijk bezwarend is op dezelfde gronden als volgens het hof gelden voor het vervalbeding van art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat voor het vervalbeding van art. 16.3 lid 3 AVA 2013 niet geldt – zoals het hof in rov. 5.8, laatste gedachtestreepje, in aanmerking heeft genomen – dat de daarin bedoelde vervaltermijn van twee jaar al kan gaan lopen voordat het gebrek is ontdekt.
Ook deze klacht slaagt. Art. 16.3 lid 3 AVA 2013 houdt in dat de rechtsvordering uit hoofde van het in lid 2 onder a van dit artikel bedoelde gebrek – dat wil zeggen een gebrek dat in de onderhoudstermijn aan de dag is getreden – niet ontvankelijk is, indien zij wordt ingesteld na verloop van twee jaren na het verstrijken van de onderhoudstermijn (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)). Deze bepaling laat geen andere uitleg toe dan dat de daarin neergelegde termijn niet kan gaan lopen voordat het gebrek aan de dag is getreden. Het vervalbeding van art. 16.3 lid 3 AVA 2013 verschilt dus in dit opzicht van het vervalbeding van art. 16.3 lid 4, eerste volzin, AVA 2013. In het licht hiervan is zonder nadere motivering niet begrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat beide bedingen op grond van dezelfde omstandigheden onredelijk bezwarend en oneerlijk zijn.
Het slagen van de hiervoor in 3.2, 3.4 en 3.6 weergegeven klachten brengt mee dat het tussenarrest niet in stand kan blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [opdrachtgevers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [aannemer] begroot op € 8.654,43 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [opdrachtgevers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.