ECLI:NL:HR:2026:1557

ECLI:NL:HR:2026:1557

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 25/02769
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:575
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2025:3193

Samenvatting

Aansprakelijkheidsrecht. Geneeskundige behandelingsovereenkomst. Uitleg deskundigenbericht. Motiveringsklachten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02769

Datum 25 september 2026

ARREST

In de zaak van

[de patiënt],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [de patiënt],

advocaat: J.C. Zevenberg, aanvankelijk K. Aantjes,

tegen

STICHTING SINT MAARTENSKLINIEK,

gevestigd te Nijmegen,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Sint Maartenskliniek,

advocaten: W.A. Jacobs en R.J. ter Rele.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/05/365863/ HA ZA 20-104 van de rechtbank Gelderland van 11 september 2019 en 9 september 2020;

b. de arresten in de zaak 200.293.453 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2024 en 20 mei 2025.

[de patiënt] heeft tegen het arrest van het hof van 20 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld.

Sint Maartenskliniek heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor Sint Maartenskliniek toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [de patiënt] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [de patiënt] is verwezen naar de Sint Maartenskliniek in verband met rugklachten.

(ii) [de patiënt] heeft op 27 november 2013 in de Sint Maartenskliniek een operatie ondergaan aan zijn rug. Hij is geopereerd door een gespecialiseerd orthopedisch chirurg en een assistent in opleiding.

(iii) [de patiënt] heeft als gevolg van deze operatie een gedeeltelijke dwarslaesie en is rolstoelgebonden.

In deze procedure vordert [de patiënt] een verklaring voor recht dat Sint Maartenskliniek aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de operatie op 27 november 2013 en veroordeling van Sint Maartenskliniek tot schadevergoeding op te maken bij staat en tot voldoening van een bedrag van € 35.000,-- als voorschot op de schadevergoeding.

De rechtbank heeft de vorderingen van [de patiënt] afgewezen.

Het hof heeft bij tussenarrest een deskundige benoemd (hierna: deskundige 1).

Bij eindarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen.

“ Welke punten liggen ter beoordeling voor?

Het hof heeft in het tussenarrest van 7 mei 2024 (…) samengevat welke punten nog door het hof beoordeeld moeten worden en waarvoor een deskundigenbenoeming nodig is. Het gaat om, kort gezegd, de indicatiestelling voor de operatie van 27 november 2013, het alternatief voor deze operatie voor [de patiënt] als redelijk handelend patiënt en de vraag of de operatie volgens de regelen der kunst is uitgevoerd.

Welke deskundigen / instanties zijn aan het woord geweest?

(…)

Door tussenkomst van het IGZ is een extern onderzoek verricht door [deskundige 2], orthopedisch chirurg, om een onafhankelijke beoordeling te geven “ten aanzien van de in deze casus geleverde kwaliteit en veiligheid van patiëntenzorg”. [deskundige 2] heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 8 september 2015. [deskundige 2] kan beschouwd worden als een (van partijen) onafhankelijk deskundige.

(…)

Tot slot heeft [deskundige 1], orthopedisch chirurg, als onafhankelijk, gerechtelijk deskundige een rapport opgemaakt van 11 november 2024.

deskundige 2] heeft zijn onderzoek gebaseerd op het medisch dossier van [de patiënt] en hem zelf niet onderzocht. [deskundige 1] heeft naast het medisch dossier ook de stukken van deze procedure ontvangen, waaronder het rapport van [deskundige 2] en de uitspraken van de tuchtcolleges. Ook [deskundige 1] heeft [de patiënt] niet zelf onderzocht. Omdat beide deskundigen onafhankelijk van partijen hebben gerapporteerd zal het hof hun opinies als uitgangspunt nemen.

(…)

De conclusie van het hof over de indicatie

De visie van [deskundige 1] dat er op 27 november 2013 nog geen indicatie was om op dat moment de operatie uit te voeren volgt het hof niet gezien de andersluidende opinie van [deskundige 2] en de oordelen van het RTG en het CTG. Volgens [deskundige 2] ging om het om een langzaam progressieve afwijking met langzaam progressieve symptomen waardoor het gerechtvaardigd was deze operatie voor te stellen. Op de MRI van 28 mei 2013 lijkt de forse stenose op niveau Th10-Th11 iets toegenomen te zijn en zijn er zekere tekenen van een myelopathiehaard op dat niveau. Daarbij komt dat [de patiënt] ook zelf aangaf dat hij veel hinder en pijn ondervond van zijn klachten, dat het zijn kwaliteit van leven negatief beïnvloedde en dat hij zich zorgen maakte over de toekomst. De indicatie is niet alleen gesteld op basis van de MRI-bevindingen, zoals [deskundige 1] suggereert (en die [deskundige 1] anders interpreteert), maar er is ook gelet op de medische voorgeschiedenis, de bevindingen bij anamnese (waaronder de gemelde rugklachten) en verder (lichamelijk) onderzoek (waaronder een afwijkend looppatroon). De keuze om (op dat moment) wel of niet te opereren is kennelijk niet een hard gegeven, maar afhankelijk van de interpretatie van de ernst van de klachten, waaronder neurologische klachten en de risico’s voor de patiënt bij wel of niet ingrijpen. Het hof onderschrijft de opinie van [deskundige 2] en het oordeel van het CTG dat het gerechtvaardigd was hier een operatie voor te stellen gezien de ernstige stenose op thoracaal niveau met myelopathie die op dat moment het meest bedreigend was voor [de patiënt]. Deze aandoeningen zijn zeldzaam maar ook bekend met een hoog complicatie risico. Dat betekent dat naar het oordeel van het hof er al met al voldoende indicatie was voor het uitvoeren van de operatie op 27 november 2013.

De keuze voor [de patiënt] als redelijk handelend patiënt

Omdat het hof hierboven heeft geoordeeld dat er een indicatie was voor de uitgevoerde operatie op 27 november 2013, behoeft de vraag of [de patiënt] nog een andere keuze had kunnen maken als redelijk handelend patiënt geen beantwoording meer. Uit de opinies van beide deskundigen volgt dat er in theorie maar twee keuzemogelijkheden waren, namelijk uitstel van de operatie met (neurologische) follow-up of direct opereren. In het eerste geval zou, ook volgens [deskundige 1], op enig moment dezelfde operatie uitgevoerd moeten worden met dezelfde risico’s. Zoals [deskundige 1] schrijft: Indien er gekozen zou zijn voor een afwachtend beleid met adequaat neurologisch onderzoek gedurende follow up had in een later stadium door progressie van het neurologisch beeld een operatie aan de orde kunnen zijn. Daarbij zouden dezelfde risico’s bestaan met gelijke waarschijnlijkheid dan in november 2013 het geval was. Echter hadden potentiële risico’s dan niet meer opgewogen tegen de ernst van de aandoening en de progressie daarvan en zou [de patiënt] geen andere keus hebben gehad dan zich te laten behandelen. In zoverre was de keuze voor [de patiënt] dus een kwestie van uitstel van de operatie, waarbij dezelfde hoge risico’s bestonden voor ernstige complicaties. Dat hij hierover niet adequaat is voorgelicht doet aan het voorgaande niet af, nu de indicatie voor de operatie op 27 november 2013 juist is geweest en bij uitstel van de operatie [de patiënt] dezelfde risico’s liep.”

3. Beoordeling van het middel

Het middel klaagt onder meer dat de overwegingen van het hof in rov. 2.16 onbegrijpelijk zijn.

Volgens het middel is in het licht van de opinie van deskundige 1 onbegrijpelijk de overweging van het hof dat uit de opinies van beide deskundigen volgt dat er in theorie maar twee keuzemogelijkheden waren, namelijk uitstel van de operatie met (neurologische) follow-up of direct opereren, en dat in het eerste geval ook volgens deskundige 1 op enig moment dezelfde operatie met dezelfde risico’s zou moeten worden uitgevoerd. Deskundige 1 schrijft immers in zijn opinie dat indien er gekozen zou zijn voor een afwachtend beleid met adequaat neurologisch onderzoek gedurende follow-up, in een later stadium door progressie van het neurologisch beeld een operatie aan de orde had “kunnen” zijn, aldus het middel. [de patiënt] zou volgens de opinie van deskundige 1 dus nog de keuze hebben gehad om zich niet te laten opereren, aldus het middel.

Daarnaast klaagt het middel dat het hof in de opinie van deskundige 1 leest dat het neurologische beeld progressief is, terwijl deskundige 1 juist heeft vastgesteld en [de patiënt] heeft aangevoerd dat daarvan geen sprake is.

In rov. 2.15 heeft het hof overwogen

- dat het niet de visie van deskundige 1 volgt dat er op 27 november 2013 nog geen indicatie was om op dat moment de operatie uit te voeren, gezien onder meer de andersluidende opinie van deskundige 2,

- dat volgens deskundige 2 sprake was van een langzaam progressieve afwijking met langzaam progressieve symptomen, en

- dat op de MRI van 28 mei 2013 de forse stenose op niveau Th10-Th11 iets toegenomen lijkt te zijn en er zekere tekenen zijn van een myelopathiehaard op dat niveau.

Deze overwegingen, waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, komen erop neer dat het hof de opinie van deskundige 2 volgt dat sprake was van progressie van het neurologische beeld en dat een operatie hoe dan ook op enig moment zou hebben moeten plaatsvinden, en dat het hof niet meegaat in de andersluidende opinie van deskundige 1 dat niet opereren nog een optie was.

Met zijn verwijzing naar de opinie van deskundige 1 in rov. 2.16 heeft het hof kennelijk slechts bedoeld dat volgens deskundige 1 bij een uitgestelde operatie dezelfde risico’s zouden bestaan op ernstige complicaties, en niet dat ook volgens deskundige 1 in een later stadium zeker een operatie zou hebben moeten plaatsvinden.

De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten stuiten op het voorgaande af.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [de patiënt] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Sint Maartenskliniek begroot op € 3.004,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de patiënt] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand