ECLI:NL:HR:2026:156

ECLI:NL:HR:2026:156

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 23/02689
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1187

Samenvatting

Belediging van treinconducteur, art. 266.1 jo. 267.1.2 Sr. Dubbel verstek. Ontvankelijkheid hoger beroep, gebrekkige volmacht (art. 450.3 Sv). Kon hof (enkelvoudige kamer) de verdachte n-o verklaren in zijn h.b. op de grond dat volmacht van advocaat aan griffiemedewerker Rb niet voldoet aan eisen van art. 450.3 Sv, nu daarin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b.? In HR:2009:BJ7810 heeft HR eisen geformuleerd waaraan schriftelijke volmacht van advocaat aan griffiemedewerker om h.b. in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden: a. verklaring van advocaat dat hij door verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot instellen van h.b. (art. 450.1.a Sv); b. verklaring van advocaat dat verdachte instemt met het door medewerker op griffie dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. (art. 450.3 Sv); en c. adres dat door verdachte is opgegeven voor toezending van afschrift van dagvaarding in h.b. (art. 450.3 Sv). Deze eisen moeten worden bezien tegen achtergrond van aanscherping van wettelijke regeling voor instellen van h.b. Die aanscherping heeft tot doel problemen m.b.t. betekening van dagvaardingen en oproepingen om in h.b. terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat mogelijkheid van (met instemming van verdachte) dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. door griffiemedewerker in het licht van regeling van art. 432.1.a jo. 6:1:16.1 Sv bijdraagt aan voortvarende tul van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als uitreiking in persoon aan verdachte (art. 450.5 Sv). Gelet op deze ratio van eisen waaraan volmacht moet voldoen die door advocaat is verstrekt, is in zaken waarin ttz. in h.b. noch verdachte noch door hem gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het h.b. dat advocaat door middel van schriftelijke volmacht aan griffiemedewerker heeft ingesteld, n-o als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet. In het licht van diezelfde ratio heeft HR in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van h.b. op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als ttz. in h.b. wel verdachte of gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar (zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd) heeft verklaard dat aan verlening van (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op geldige manier) h.b. te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als verdachte of gemachtigde raadsman ttz. in h.b. is verschenen, omdat belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR:2013:BY8357). Onderzoek is ttz. in h.b. van 17-1-2023 aangevangen. Op die tz. heeft hof blijkens daarvan opgemaakt p-v niet ontvankelijkheid van h.b. beoordeeld. Hof heeft op nadere tz. van 30-6-2023 (vanwege wijziging in samenstelling) onderzoek opnieuw aangevangen. Voor deze tz., waarop niet verdachte of gemachtigd raadsman is verschenen, was oproeping aan verdachte in persoon uitgereikt. Hof heeft op deze zitting het h.b. van verdachte n-o verklaard. Daartoe heeft hof overwogen dat schriftelijke volmacht die is opgenomen in e-mailbericht van advocaat, niet voldoet aan de in art. 450.3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat verdachte instemt met het door griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van oproeping voor tz. in h.b. Hoewel in zo’n geval, zoals volgt uit wat hiervoor is vooropgesteld, in de regel geldt dat beroep n-o wordt verklaard, bestaat daarvoor in dit geval, waarin oproeping van verdachte voor nadere tz. in h.b. in persoon aan verdachte is uitgereikt, onvoldoende grond. Belang dat met hiervoor genoemde eis is gediend, is hier vanwege die manier van uitreiken immers niet geschaad. ‘s Hofs oordeel dat ontbreken van genoemde instemming moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van h.b., getuigt daarom van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/02689

Datum 3 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juni 2023, nummer 20-002190-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep.

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 26 januari 2022 voor belediging van een treinconducteur bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien dagen.

Op 27 september 2022 heeft de griffier van de rechtbank Oost-Brabant een akte instellen hoger beroep opgemaakt. Aan deze akte is gehecht een e-mailbericht van de [advocaat] gericht aan de strafadministratie van de rechtbank, van 23 september 2022. Dit e-mailbericht houdt onder meer in:

“Ik verzoek u nu namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [plaats] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.

Groet, [advocaat]

[handtekening].”

De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van het hof van 17 januari 2023 is op 8 december 2022 uitgereikt aan een ander dan de verdachte op het adres waar de verdachte is ingeschreven in de basisregistratie personen, die heeft beloofd de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:

“De verdachte genaamd:

(...)

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

De raadsman van verdachte mr. [advocaat] , advocaat te [plaats] , is evenmin ter terechtzitting verschenen.

(...)

De voorzitter deelt mede dat op voorhand is bepaald dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld, maar dat deze zitting het karakter zal hebben van een rolzitting, waarop slechts de grieven tegen het vonnis worden geïnventariseerd.

De voorzitter deelt mede dat de verdachte bij schriftuur houdende grieven van 17 januari 2023 te kennen heeft gegeven dat het hoger beroep zich richt tegen de strafmaat.

De voorzitter deelt mede dat de inhoudelijke behandeling, zonder de verdere uitwerking van het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, zal worden gepland bij de enkelvoudige strafkamer van het hof.”

De oproeping van de verdachte in hoger beroep voor de nadere terechtzitting van het hof van 30 juni 2023 is op 12 mei 2023 in persoon uitgereikt aan de verdachte op zijn toenmalige detentieadres. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer in:

“De verdachte genaamd:

(...)

is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.

Het onderzoek ter terechtzitting dat op 17 januari 2023 is geschorst, wordt opnieuw aangevangen omdat het hof nu anders is samengesteld dan destijds.

De voorzitter deelt mede:

In de mail van mr. [advocaat] van 30 juni 2023 geeft hij aan dat hij en zijn cliënt niet ter terechtzitting van heden zullen verschijnen en dat zijn cliënt hem niet heeft gemachtigd om het hoger beroep in te trekken. In het kader van de rolzitting, toen verstek is verleend, heeft de raadsman voorgesteld dat in deze zaak een zitting wordt gepland, zodat zijn cliënt eventueel grieven kan uiten. In de mail van mr. [advocaat] van 23 september 2022 lees ik het volgende: Ik verzoek u namens cliënt om tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen. Cliënt heeft mij hiertoe gemachtigd en ik machtig op mijn beurt medewerkers van de rechtbank Den Bosch om dit hoger beroep daadwerkelijk in te stellen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep kan worden verstuurd aan cliënts BRP-adres aan het [a-straat 1] te [plaats] , zijn daklozenpostadres bij de Gemeente. Gaarne ontvang ik van u een akte instellen rechtsmiddel.”

Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:

“Het hof stelt vast dat voormelde schriftelijke bijzondere volmacht niet voldoet aan de daaraan in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. In de mail die als machtiging is opgevat is immers niet vermeld dat verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker van de griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. Het hof is van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.”

In zijn arrest van 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810 heeft de Hoge Raad eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:a. de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (artikel 450 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv));b. de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker op de griffie dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv);c. het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep (artikel 450 lid 3 Sv).

Deze eisen moeten worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping heeft tot doel problemen met betrekking tot de betekening van dagvaardingen en oproepingen om in hoger beroep terecht te staan, te voorkomen althans te verminderen. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid van het, met instemming van de verdachte, dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep door de griffiemedewerker in het licht van de regeling van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv in samenhang met artikel 6:1:16 lid 1 Sv bijdraagt aan een voortvarende tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, nu deze uitreiking geldt als een uitreiking in persoon aan de verdachte (artikel 450 lid 5 Sv).

Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een volmacht moet voldoen die door een advocaat is verstrekt, is in zaken waarin op de terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, in de regel het hoger beroep dat een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker heeft ingesteld, niet-ontvankelijk als die volmacht niet aan al die voorwaarden voldoet.

In het licht van diezelfde ratio is door de Hoge Raad in eerdere rechtspraak geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder a genoemde voorwaarde als op de terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een gemachtigde raadsman is verschenen en deze daar – zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd – heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op een geldige manier) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999), en ook niet op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder b en c vermelde voorwaarden als de verdachte of een gemachtigde raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is verschenen, omdat het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo’n geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357).

In deze zaak is het onderzoek op de terechtzitting op 17 januari 2023 aangevangen. Op die terechtzitting heeft het hof blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordeeld. Het hof heeft op de nadere terechtzitting van 30 juni 2023, vanwege een wijziging in de samenstelling, het onderzoek opnieuw aangevangen. Voor deze terechtzitting, waarop niet de verdachte of een gemachtigd raadsman is verschenen, was de oproeping aan de verdachte in persoon uitgereikt. Het hof heeft op deze zitting het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het hof overwogen dat de schriftelijke volmacht die is opgenomen in het onder 2.2.2 weergegeven e-mailbericht van de [advocaat] , niet voldoet aan de in artikel 450 lid 3 Sv gestelde eisen, omdat hierin niet is vermeld dat de verdachte instemt met het door de griffiemedewerker dadelijk in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep.

Hoewel in zo’n geval, zoals volgt uit wat onder 2.3.3 is vooropgesteld, in de regel geldt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daarvoor in dit geval, waarin de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep in persoon aan de verdachte is uitgereikt, onvoldoende grond. Het belang dat met de hiervoor genoemde eis is gediend, is hier vanwege die manier van uitreiken immers niet geschaad. Het oordeel van het hof dat het ontbreken van de genoemde instemming moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?