HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01379
Datum 25 september 2026
ARREST
In de zaak van
WATERSCHAP RIJN EN IJSSEL,
gevestigd te Doetinchem,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: het Waterschap,
advocaten: B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove,
tegen
ADS GROEP B.V.,
gevestigd te Goor,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: ADS,
advocaten: H. Boom en R.P.J.L. Tjittes.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/08/249618 / HA ZA 20-238 van de rechtbank Overijssel van 19 mei 2021 en de vonnissen in de zaak C/19/135960 / HA ZA 21-92 van de rechtbank Noord-Nederland van 15 maart 2023 en 14 juni 2023;
b. de arresten in de zaak 200.331.601/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2024, 14 januari 2025 en 11 februari 2025 (herstelarrest).
Het Waterschap heeft tegen het eindarrest van het hof van 14 januari 2025 beroep in cassatie ingesteld.
ADS heeft tegen het tussenarrest van 16 januari 2024 en tegen het eindarrest van 14 januari 2025 voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor het Waterschap mede door L.A. Burwick en J.H.G. Hordijk en voor ADS mede door H.C.A. van Winden. De bijlage die bij de schriftelijke toelichting van het Waterschap is gevoegd, bevat gegevens van feitelijke aard die in feitelijke instanties niet in het geding waren. De Hoge Raad zal daarom op deze bijlage geen acht slaan.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van het Waterschap en ADS hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Aanbesteding en gunning
(i) Het Waterschap heeft in 2007 een aanbesteding gehouden voor de nieuwbouw van het hoofdkantoor van het Waterschap in Doetinchem (hierna: het gebouw).
(ii) ADS heeft op de aanbesteding ingeschreven en deed de winnende aanbieding, waarna het ontwerp (het uitwerken van het ‘definitief ontwerp plus’ tot een uitvoeringsontwerp) en de realisatie van het gebouw door het Waterschap aan ADS zijn gegund.
Contractuele bepalingen
(iii) De gunning heeft geleid tot een aannemingsovereenkomst tussen partijen van 11 mei 2007 (hierna: de overeenkomst) waarop de Uniforme Algemene Voorwaarden Geïntegreerde Contracten 2005 (hierna: UAV-GC) van toepassing zijn, met uitzondering van die onderdelen die afwijkend zijn gedefinieerd in de overeenkomst.
(iv) In de UAV-GC is onder meer het volgende bepaald:
“Paragraaf 4 Verplichtingen van de Opdrachtnemer
1. De Opdrachtnemer is verplicht de Ontwerp- en Uitvoeringswerkzaamheden zodanig te verrichten dat het Werk op de in de Basisovereenkomst vastgelegde datum van oplevering voldoet aan de uit de Overeenkomst voorvloeiende eisen. Voldoet het Werk niet aan die eisen, dan is er sprake van een gebrek. (…)
Paragraaf 28 Aansprakelijkheid voor gebreken na de feitelijke datum van oplevering
1. (…)
2. De rechtsvordering uit hoofde van een gebrek waarvoor de Opdrachtnemer krachtens lid 1 aansprakelijk is, is niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van:
a. vijf jaren na de in lid 1 bedoelde dag, of
b. tien jaren na de in lid 1 bedoelde dag, indien het Werk hetzij geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten hetzij het Werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de Overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen.”
(v) Bij het inschrijfdocument zijn diverse ‘dwingende bijlagen’ opgenomen. In de dwingende bijlage onder ‘06.01 Vraagspecificatie Nieuwbouw’ is het volgende bepaald:
“De prestatie-eisen voor de hoofddraagconstructie zijn opgenomen in de documenten van [ingenieursbedrijf 1] . De bouwfysische prestatiespecificatie is opgenomen in de map van DGMR.”
(vi) In de notitie van [ingenieursbedrijf 1] Ingenieursbedrijf is het volgende bepaald over de prestatie- eisen voor de hoofddraagconstructie en de uitvoering van de verdiepingsvloeren:
“2 Eisen met betrekking tot belastingen en vervormingen
Alle constructieve onderdelen van het gebouw dienen te voldoen aan de in het Bouwbesluit, alsmede de in de TGB 1990 (NEN6700-serie) gestelde eisen ten aanzien van belastingen en vervormingen. (…)
11. Verdiepingsvloeren en dakvloer
De verdiepingsvloeren dienen te worden uitgevoerd als een bollenplaatvloer (of gelijkwaardig) met een dikte van maximaal 340 mm. De onderzijde van de vloer wordt vlak uitgevoerd en de vloer wordt voorzien van betonkernactivering ten behoeve van de klimaatbeheersing.
Eisen ten aanzien van belastingen en vervormingen, alsmede gelijkmatig verdeelde veranderlijke vloerbelastingen volgen uit de in dit document omschreven “uitgangspunten voor de veranderlijke vloerbelastingen”, de TGB 1990 (NEN6700-serie).”
Oplevering / maatregelen vanwege bollenplaatvloeren / aansprakelijkstelling
(vii) Het gebouw is op 28 november 2008 door ADS aan het Waterschap opgeleverd.
(viii) In het gebouw zijn breedplaatvloeren met gewichtsbesparende kunststof bollen van het type Bubbledeck toegepast.
(ix) Na de instorting van de parkeergarage bij Eindhoven Airport in 2017 en het verschijnen van een in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties opgesteld stappenplan op basis waarvan eigenaars en constructeurs van constructies met breedplaatvloeren een eerste risicobeoordeling konden uitvoeren (hierna: Stappenplan 2017), heeft het Ingenieursbureau ABT B.V. (hierna: ABT) in opdracht van het Waterschap een beoordeling uitgevoerd van de constructieve veiligheid van de bollenplaatvloeren in het gebouw. Een eerste inventarisatie van ABT heeft ertoe geleid dat begin 2018 ongeveer 46 werkplekken zijn ontruimd. Deze werkplekken bevonden zich op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw.
(x) Het Waterschap heeft ADS bij brief van 22 januari 2018 aansprakelijk gesteld voor de opgetreden verborgen gebreken ten aanzien van de toegepaste vloerconstructie in het gebouw. ADS heeft bij brief van 6 februari 2018 aan het Waterschap laten weten dat zij wil meewerken om tot een werkbare oplossing te komen, zonder het (al dan niet bij voorbaat) erkennen van enige aansprakelijkheid.
Onderzoeken van ABT en [deskundige]
(xi) ABT heeft haar bevindingen over de constructieve veiligheid van de vloeren van het gebouw vastgelegd in het rapport ‘Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer’ van 1 maart 2018. ABT heeft het onderzoek uitgevoerd op grond van het Stappenplan 2017. ABT heeft geconcludeerd dat op verschillende plaatsen koppelwapening niet voldoet aan het afkeurniveau uit NEN 8700 en dat als rekening wordt gehouden met de werkelijke belasting (die veelal lager is dan de ontwerpbelasting) een aantal vloerdelen niet voldoet aan het afkeurniveau of zelfs niet aan het allerlaagste veiligheidsniveau uit NEN 8700. Ook heeft ABT erop gewezen dat in de vloeren een grote hoeveelheid leidingen is opgenomen, terwijl ABT in de berekeningen niet heeft teruggevonden dat het effect hiervan op de vloer is beschouwd. ABT komt tot de volgende conclusies en aanbevelingen:
“Hoewel de vloeren al ongeveer 10 jaar naar behoren functioneren, kunnen wij op basis van een puur theoretische beschouwing volgens het informatiedocument van BZK [= het Stappenplan 2017, Hoge Raad], de veiligheid niet 100% garanderen.
Concluderend zijn maatregelen noodzakelijk op de korte termijn voor de volgende onderdelen
• De rood omkaderde vloerdelen zoals aangegeven op de figuren in §10.1
Mogelijke maatregelen (in overleg met de constructeur zijn):
‒ Vloerdelen buiten gebruik stellen
‒ Vloerdelen (lokaal) onderstempelen
‒ Proefbelasten op korte termijn
Daarnaast wordt nader onderzoek geadviseerd voor alle vloeren van de 1e verdieping tot en met het dak, om het effect van de leidingen in de vloer te onderzoeken.”
(xii) Naar aanleiding van dit advies van ABT heeft het Waterschap aan ABT de opdracht gegeven om de invloed van leidingen en kanalen ter plaatse van plaatnaden nader te onderzoeken. Dit heeft geleid tot het rapport ‘Problematiek leidingen’ van 5 juli 2019. De conclusie van dit rapport luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“De 2D DIANA modellen laten zien dat de capaciteit ter plekke van een naad met leidingen sterk gereduceerd wordt. (...) Dit is wat we nu zien in het 3D DIANA model. (…)
De resultaten van de 3D DIANA berekening kunnen zodoende gezien worden als een bevestiging van de Bubbledeckproblematiek. De conclusie dat de leidingen dicht bij een naad de capaciteit sterk verminderen wordt met name gebaseerd op de resultaten van de 2D berekeningen. Uitgangspunt is dat een koppelstaaf dan niet of nauwelijks aangesproken kan worden ter plaatse van de leiding. Zodra er dan onthechting bij een naad optreedt, zal de beperkte doorsnede boven de leiding vrijwel direct doorscheuren.”
(xiii) Gelet op deze conclusies heeft ABT het Waterschap geadviseerd om versterkingsmaatregelen aan te brengen op locaties waar leidingen parallel aan de plaatnaden zijn gesitueerd.
(xiv) Na het verschijnen van het rapport ‘Voorstellen voor en achtergronden bij rekenregels voor de beoordeling van bestaande bouw’ van 20 mei 2019 (hierna: Rekenregels 2019) heeft ABT in opdracht van het Waterschap de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren opnieuw beoordeeld. Dit heeft geleid tot het rapport ‘Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer Stappenplan 2019’ van 21 augustus 2019. De conclusie van dit rapport luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“Conclusie
(…)
In dit rapport is onderscheid gemaakt tussen resultaten als gevolg van belastingen conform het oorspronkelijk ontwerp en belastingen volgens het wettelijk minimum (normwaarde). Voor beide gevallen is de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau. (…)
Benadrukt wordt dat de conclusie van dit rapport niet betekent dat er sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw. Als gevolg van het stappenplan 2017 zijn al diverse werkplekken ontruimd en daarmee is voor de urgente locaties de belasting verlaagd. Ook geeft het delaminatieonderzoek zoals weergegeven in Bijlage 2 geen reden tot extra urgentie.”
(xv) ABT heeft in deze rapportage ook opgemerkt dat de aanwezige bijlegwapening mogelijk een gunstige werking kan hebben. Het Waterschap heeft ABT vervolgens opdracht gegeven om dit aspect nader te onderzoeken. Dit heeft geresulteerd in het rapport ‘Aanvullende analyse invloed doorgaande bijlegstaven’ van 20 september 2019. De conclusie van dit rapport luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“Hoewel niet van elke specifieke naad een apart model is gemaakt kan op basis van de resultaten van de huidige modellen in combinatie met engineering judgement in de optiek van ABT het volgende gesteld worden:
Voor diverse (langsvoeg) naden op de 1e en 2e verdieping die in eerste instantie als kritisch werden beoordeeld volgens het stappenplan 2019 (zie overzichten [Ref. 01]), hoeven deze door de aanwezigheid van doorgaande bijlegstaven (met name met configuraties Ø12-333, Ø12-300 of Ø12-150) niet meer als kritisch te worden aangemerkt voor de situatie met veranderlijke belasting o.b.v. de normwaarde (2,5 kN/m2). Voor de situatie met veranderlijke belasting o.b.v. de ontwerpwaarde (4,0 kN/m2) kunnen minder naden als niet meer kritisch worden aangemerkt.
Dit leidt tot aangepaste plattegronden met minder kritische naden.”
(xvi) ADS heeft de rapportages van ABT voorgelegd aan [deskundige] (hierna: [deskundige] ). In april 2021 is een rapportage van [deskundige] verschenen, waarin hij erop wijst dat bollenplaatvloeren tot aan de instorting van de parkeergarage in Eindhoven gedurende meer dan 25 jaar zonder problemen internationaal zijn toegepast. Het ontwerp, alsmede de detailtekeningen en detailberekeningen wijken volgens [deskundige] niet af van hetgeen in die periode gebruikelijk was. Daarnaast stelt [deskundige] dat er geen scheuren, grote doorbuigingen of andere gebreken in de vloeren zijn geconstateerd. ADS heeft aan [deskundige] gevraagd om de vraag te beantwoorden of er een concreet risico bestaat op (dreigende) instorting van de vloeren. Bij de beantwoording van deze vraag heeft [deskundige] niet de Rekenregels 2019 gebruikt, maar een methode naar eigen inzicht. Het antwoord van [deskundige] luidt als volgt:
“Om deze vraag te kunnen beantwoorden heb ik de 1e verdieping doorgerekend en me met name geconcentreerd op de locaties die door ABT als rode Bubbledeck problemen zijn aangeduid. Mijn conclusie, naar aanleiding van onderstaand verslag, is dat er geen dreigend instortingsgevaar aanwezig is.”
(xvii) [deskundige] heeft de belastingresultaten van de door hem beschouwde naden vergeleken met het afkeurniveau uit NEN 8700. Op basis daarvan trekt [deskundige] de conclusie dat alle beschouwde naden voldoen aan dit afkeurniveau, met uitzondering van één naad die over een lengte van twee meter niet voldoet. Ook heeft [deskundige] zich op het standpunt gesteld dat ABT uitspraken doet over de invloed van de aanwezige leidingen, maar dat het antwoord op de vraag of de leidingen een rol spelen en welke invloed zij hebben samenhangt met hun feitelijke ligging in de vloerconstructie, waartoe nader onderzoek nodig is.
(xviii) Het Waterschap heeft de bevindingen van [deskundige] voorgelegd aan ABT, die daarop heeft gereageerd in een memo van 4 oktober 2021. De samenvatting van de bevindingen van ABT naar aanleiding van het rapport van [deskundige] luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
“Hoewel het Stappenplan 2019 als methode is aangewezen om vloeren te beoordelen, kiest [deskundige] voor een eigen berekeningsmethode. De resultaten van zijn berekeningen doen geen afbreuk aan de conclusies uit de onderzoeken van ABT. Hier en daar zijn kleine verschillen. In sommige gevallen is zijn methode conservatiever dan de methode zoals in het Stappenplan 2019 wordt beschreven en welke door ABT is gevolgd.
Het verschil zit in de wijze waarop de invloed van de doorgaande wapening is verdisconteerd. (…)
Er kan dus inderdaad een verschil zijn ontstaan tussen de resultaten van [deskundige] en die van ABT voor de eerste verdiepingsvloer.
[deskundige] heeft echter slechts een beperkte hoeveelheid naden beschouwd. Hij heeft niet naar de overige verdiepingen zonder de doorgaande staven gekeken. Als de door [deskundige] gehanteerde methode consequent over alle naden wordt doorgezet, dan is zeer waarschijnlijk een groter deel van de naden kritisch en zullen ook met zijn berekeningsmethode aanzienlijk meer versterkingen nodig zijn.
Met betrekking tot de leidingenproblematiek constateert [deskundige] dat hier alleen na gedegen onderzoek een goede conclusie te trekken is. Dit onderschrijven wij, want de kort-door-de-bocht analyse van [deskundige] is niet correct. ABT heeft middels hoogwaardige berekeningen het gedrag van de vloer rond kanalen en leidingen beschouwd, en aangetoond dat deze het draagvermogen ter plaatse van de plaatnaden aanmerkelijk reduceren. Deze kennis is samen met de ligging van kanalen en grotere leidingconcentraties vertaald in de rapportage van de te versterken naden.”
(xix) In een rapportage van 20 februari 2022 heeft [deskundige] gereageerd op enkele standpunten van ABT uit haar memo van 4 oktober 2021. [deskundige] heeft onder meer de vraag opgeworpen met welke kennis ADS had moeten weten dat de vloer structurele fouten bevatte. Het voegdetail waarvan ABT vermeldt dat deze op basis van een rekenkundige analyse op basis van de Rekenregels 2019 niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, werd volgens [deskundige] namelijk al vele tientallen jaren toegepast.
(xx) In een memo van 8 september 2022 heeft ABT hierop gereageerd.
Het Waterschap vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat ADS aansprakelijk is voor de schade die het Waterschap lijdt als gevolg van de geconstateerde gebreken in de vloeren van het gebouw, en veroordeling van ADS tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat het Waterschap in beginsel heeft aangetoond dat er een gebrek is in de zin van paragraaf 4 lid 1 UAV-GC en heeft vervolgens overwogen dat zij behoefte heeft aan onafhankelijke deskundige voorlichting over de vraag of sprake is van een ernstig gebrek als bedoeld in paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. De rechtbank heeft vervolgens tussentijds hoger beroep tegen haar tussenvonnis toegelaten.
In hoger beroep heeft ADS bij incident gevorderd dat het Waterschap op grond van art. 22 (oud) Rv en art. 843a (oud) Rv openheid van zaken geeft en (een afschrift van) diverse stukken dient over te leggen. Bij tussenarrest heeft het hof de incidentele vorderingen van ADS afgewezen.
Bij eindarrest heeft het hof het tussenvonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van het Waterschap afgewezen. Het hof overwoog daartoe onder meer het volgende:
“3.7 De vraag is dan welke partij hier wat moet stellen en zo nodig bewijzen. Bij de beantwoording van die vraag is het uitgangspunt dat het pand op 28 november 2008 feitelijk is opgeleverd, en dat het Waterschap een rechtsvordering heeft ingesteld na verloop van vijf jaar sinds het verstrijken van de onderhoudstermijn (twaalf maanden na de feitelijke oplevering), maar net binnen tien jaar (26 november 2019). De bewijslast is dan als volgt verdeeld.
a) Het Waterschap moet onderbouwen (en zo nodig bewijzen) dat sprake is van een gebrek. Komt dat niet vast te staan, dan is een beroep op de gebrekenregeling niet mogelijk;
b) Als een gebrek komt vast te staan, dan kan ADS bewijzen dat dit niet is te wijten aan haar schuld, en dat het evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt. In overeenstemming met de wettelijke regeling (en in afwijking van de UAV-GC) zijn partijen deze bewijsregel expliciet overeengekomen [voetnoot 1 van het hof: Artikel 13 van de aannemingsovereenkomst];
c) Als een gebrek komt vast te staan, dan moet het Waterschap ook bewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat dit laatste slechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen.
Het hof zal hierna ingaan op de vraag of het Waterschap aan de verplichtingen onder a) en c) heeft voldaan. (...)
(...)
De vraag of sprake is van ernstige gebreken
- Inleiding
Voor het geval dat van de hiervoor behandelde gebreken al sprake zou zijn, heeft ADS zich op het standpunt gesteld dat de rechtsvordering van het Waterschap uit hoofde van die gebreken niet-ontvankelijk is, omdat het gebouw niet geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten en ook niet ongeschikt is geraakt of dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is – terwijl niet is voldaan aan de voorwaarde dat dit slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Zoals het hof al heeft overwogen, rust de bewijslast (ook) in dit opzicht op het Waterschap.
Volgens ADS is geen sprake van instortingsgevaar, en is een gebruiksbeperking geen ernstig gebrek. In dit geval is het gebouw bestemd voor de huisvesting van de personele organisatie van het Waterschap, vergaderruimten voor het bestuur en archief. Zolang deze bestemming kan worden vervuld, kan een ernstig gebrek niet aan de orde zijn, aldus ADS. Tot op heden maakt het Waterschap ook gewoon gebruik van het gebouw conform de beoogde bestemming. Dat rekenkundig een gebrek is vastgesteld, maakt dat volgens ADS niet anders; het gaat om feitelijke signalen die wijzen op een ernstig gebrek – en die zijn niet gesteld, laat staan aangetoond. Het Waterschap heeft bijvoorbeeld geweigerd een proefbelasting uit te voeren – terwijl dat volgens het door ADS ingeschakelde constructiebureau [ingenieursbedrijf 3] veilig zou kunnen gebeuren. Het Waterschap heeft ook geen monitoringsgegevens ingediend waaruit het feitelijke gedrag van de vloer blijkt. Evenmin is melding gemaakt van klemmende deuren of glasbreuk (terwijl in het gebouw veel glas is verwerkt).
Het Waterschap heeft de bevindingen van [ingenieursbedrijf 3] bestreden met rapporten van [ingenieursbedrijf 2] en ABT. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat het onverantwoord is een proefbelasting uit te voeren. [ingenieursbedrijf 2] baseert dat vooral op een kosten-batenanalyse. Ook zonder een dergelijk onderzoek staat volgens het Waterschap echter wel vast dat sprake is van (i) dreigende instorting van het gebouw en (ii) een gebruiksbelasting die alleen met aanzienlijke investeringen kan worden opgeheven. Daarom is de vordering volgens het Waterschap zonder nader onderzoek toewijsbaar. Met dit standpunt komt het Waterschap op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is onderbouwd op grond waarvan feitelijk kan worden vastgesteld dat het gebouw bij een volledige bezetting van de werkplekken geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of dat het ontruimen van de diverse werkplekken ertoe heeft geleid dat het gebouw feitelijk ongeschikt is of ongeschikt dreigt te raken voor de daaraan gegeven bestemming.
Het hof zal beide argumenten hierna bespreken.
- Is sprake van instortingsgevaar?
Het Waterschap baseert zich op de rekenkundige beoordelingen van ABT en [ingenieursbedrijf 2] , die hebben gewezen op het risico van bros bezwijken (lees: plotseling instorten) van vloeren op de eerste drie verdiepingen als gevolg van delaminatie tot aan de tralieligger. Nu proefbelasten in de ogen van het Waterschap geen optie is, blijft alleen deze beoordeling over. Die zijn echter wel verricht conform stappenplan 2019, en daaruit volgt dat het gebouw niet voldoet aan het afkeurniveau dat is vastgelegd in NEN 8700. In de ogen van de wetgever is daarmee sprake van een vanuit maatschappelijke veiligheid onacceptabele hoge kans dat het gebouw bezwijkt. Daarmee is volgens van het Waterschap voldaan is aan het criterium "dreigt in te storten" uit par. 28-2 onder b UAV-GC. Het gebouw wordt wel gebruikt, maar dat gebeurt in goed overleg met deskundigen, na het onderstempelen van vloerdelen en gedeeltelijke ontruiming.
Het hof volgt het Waterschap hierin niet en licht dat hierna toe.
Buiten de ingestorte parkeergarage in Eindhoven (waarbij specifieke problemen speelden die hier niet aan de orde zijn) zijn tot nu toe geen andere gebouwen met breedplaatvloeren gevonden waarbij in de praktijk sprake was van lokaal bezwijken of grote constructieve problemen. In de woorden van TNO: na decennia is sprake van bewezen sterkte van de gekozen constructie. Voor dit gebouw in het bijzonder geldt dat het met enige beperking al sinds de oplevering in 2008 in gebruik is, en dat al die jaren geen scheuren, grote doorbuigingen of andere gebreken in de vloeren zijn geconstateerd. Delaminatie vindt volgens [deskundige] bovendien altijd wel plaats, zonder dat dat de degelijkheid van de constructie hoeft aan te tasten. Al met al geven de bevindingen van de deskundigen – ook die van ABT – onvoldoende aanleiding tot zorg op dat punt. Weliswaar is verdedigbaar dat op basis van rekenkundige modellen de conclusie kan worden getrokken dat de vloer niet aan de thans geldende bouwvoorschriften voldoet, en ook al is daadwerkelijk sprake van delaminatie, daar staat tegenover dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is.
[deskundige] is hierover het meest uitgesproken: volgens hem is geen dreigend instortingsgevaar aanwezig en voldoen alle beschouwde naden aan het afkeurniveau, met uitzondering van één naad, die over een lengte van 2 meter niet voldoet. Op 5 juli 2019 kwam ABT tot dezelfde conclusie: “Bij ongewijzigd gebruik valt de vloer in de oranje categorie en is daarmee veilig”. [ingenieursbedrijf 2] schrijft: “Als een breedplaatvloer niet geheel aan de eisen volgens NEN 8700 voldoet, wil dit niet zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat.” Ook ABT benadrukt op 21 augustus 2019 nog dat de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoet aan het vereiste veiligheidsniveau niet betekent dat sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw.
Het Waterschap zelf lijkt in de praktijk evenmin van enig instortingsgevaar uit te gaan: het pand is sinds de oplevering op enkele ingrepen en beperkingen na gewoon in gebruik genomen, en in de jaarverslagen die na het incident in Eindhoven zijn uitgegeven, wordt benadrukt dat uit de fysieke inspectie en berekeningen blijkt dat geen sprake is van een risico voor het pand als geheel; “Wel zijn er in het pand enkele specifieke plekken die in theorie niet aan de geldende normen voldoen bij de huidige be[l]asting. Dit wil niet zeggen dat deze plekken onveilig zijn: het pand heeft zich immers al 9 jaar bewezen!”
Op grond van wat hiervoor al is overwogen, staat ook een reëel gevaar van instorting van het nu ongebruikte deel van het gebouw bij de beoogde belasting nog niet vast. Van dergelijke belasting is bovendien in de praktijk geen sprake. Met de genomen maatregelen is zelfs in de ogen van het Waterschap elk mogelijk instortingsgevaar ondervangen. Ter zitting is namelijk bevestigd dat de vloer van het deel dat nu is afgezet, in onbelaste staat niet aan instortingsgevaar onderhevig is (het in gebruik genomen deel uiteraard ook niet). Dat neemt niet weg dat de maatregelen die ter voorkoming van problemen zijn genomen, wel hebben geleid tot beperking van de gebruiksmogelijkheden van het gebouw. (…)
Al met al is hiermee in ieder geval wel onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van instortingsgevaar.
- Is het gebouw ongeschikt voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en kan dat ernstige gebrek alleen worden opgeheven door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen?
Het Waterschap redeneert als volgt: in het Bouwbesluit artikel 2.7 en 2.8 is de NEN 8700 aangewezen om vast te stellen of een bestaande constructie wat betreft de constructieve veiligheid een te laag niveau heeft, zodat het gebruik daarvan niet langer verantwoord is. Indien het vereiste niveau niet wordt gehaald, moeten versterkende maatregelen getroffen worden of het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt. Daaraan doet niet af dat het Waterschap het gebouw toch tijdelijk gebruikt. Dat gebeurt namelijk in goed overleg met deskundigen en na het onderstempelen van vloerdelen en gedeeltelijke ontruiming. Gelet op de publiekrechtelijke normen voor veiligheid, staan de gebreken aan de vloer ook dan in de weg aan het gebruik van het pand als kantoorpand.
Naar het oordeel van het hof is ook aan dit standpunt onvoldoende onderbouwing gegeven. Op zichzelf is denkbaar dat reële maatregelen die moeten worden getroffen om een rekenkundig risico op instorting te elimineren zodanig ingrijpend zijn, dat het pand niet meer als kantoorpand kan worden gebuikt. De praktijk is echter anders. Het hof stelt vast dat het gebouw niet slechts tijdelijk wordt gebruikt, maar al sinds 2008 in gebruik is, en niet is aangevoerd dat dit gebruik – ook na 2017 – niet in overeenstemming is met de bestemming waarvoor het is gebouwd. Het mag dan zo zijn dat enkele tientallen werkplekken niet in gebruik zijn, en dat enkele vloerdelen zijn onderstempeld, maar dat alleen rechtvaardigt niet de conclusie dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het is bedoeld. Er werken immers honderden mensen, en het Waterschap heeft niet aangevoerd dat die werknemers in het gebouw geen adequate werkplek kunnen vinden omdat het gebouw deels niet wordt gebruikt, of dat de geplaatste stempels aan het gebruik in de weg staan.
Ook hier is dus onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ernstig gebrek.”
3. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
Hoewel het incidentele beroep voorwaardelijk is ingesteld, zal de Hoge Raad dit beroep eerst behandelen, omdat het de verste strekking heeft en de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, zoals hierna zal blijken, is vervuld.
Onderdeel II.1.1 van het middel bestrijdt rov. 3.7 onder c) van het eindarrest, voor zover daaruit volgt dat het hof paragraaf 28, lid 2, onder b, UAV-GC (hiervoor weergegeven in rov. 2.1 onder (iv)) zo uitlegt dat alleen het antwoord op de vraag of het gebouw ongeschikt is dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het is bedoeld, ervan afhangt of dit slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Dat oordeel is volgens het onderdeel onjuist dan wel onbegrijpelijk nu de tekst van de paragraaf voor geen andere uitleg vatbaar is dan dat de vraag of buitengewone en kostbare voorzieningen nodig zijn, zowel moet worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van instortingsgevaar als van de vraag naar de geschiktheid van het gebouw voor de bestemming waarvoor het is bedoeld.
Het hof oordeelt in rov. 3.43-3.49 over de vraag of instortingsgevaar bestaat in de zin van paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC. Daarbij is het hof uitgegaan van een uitleg van deze bepaling volgens welke voor het aannemen van instortingsgevaar niet vastgesteld behoeft te worden dat dit slechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen (zie rov. 3.7 onder c, hiervoor in 2.5 weergegeven).
Bij de uitleg van een bepaling in algemene voorwaarden, zoals de UAV-GC, zijn in beginsel niet slechts de bewoordingen van die bepaling beslissend. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Uit de stukken van het geding kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat niet gesteld is dat over de aan de orde zijnde bepaling tussen de hier betrokken professionele partijen is onderhandeld. Deze omstandigheid brengt mee dat de uitleg in dit geval met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling gelezen in het licht van de voorwaarden als geheel en de bij de voorwaarden behorende toelichting.
Paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC bepaalt dat een rechtsvordering uit hoofde van een gebrek niet ontvankelijk is indien zij wordt ingesteld na verloop van:
“tien jaren na de in lid 1 bedoelde dag, indien het Werk hetzij geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten hetzij het Werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de Overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen.”
In de bij de UAV-GC behorende toelichting is over deze bepaling onder meer het volgende opgemerkt:
“De laatstgenoemde termijn geldt ten aanzien van ernstige gebreken. Van een zodanig gebrek is sprake, indien het Werk hetzij geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten, hetzij ongeschikt is (of ongeschikt dreigt te geraken) voor de bestemming waarvoor het blijkens de Overeenkomst bedoeld is en de laatstgenoemde toestand slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. (…) Het eerste criterium is een herintroductie van het oude soliditeitscriterium dat besloten lag in artikel 7A:1645 BW (oud). Het tweede criterium, het zogenaamde bestemmingscriterium, is een uitbreiding van het soliditeitscriterium. Die uitbreiding (inclusief de nuancering met betrekking tot de aard en de omvang van de te treffen voorzieningen) is in ons land mede geïntroduceerd door de Raad van Arbitrage in het kader van de uitleg van § 12 lid 2 sub a UAV 1989.”
Het oordeel van het hof dat de zinsnede “en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen” in paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC, alleen betrekking heeft op de omstandigheid dat een werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is, en niet op de omstandigheid dat het werk geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten, geeft, gelet op de hiervoor in 3.6 aangehaalde bewoordingen van paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC en de bijbehorende toelichting op die bepaling, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Onderdeel II.1.1 faalt dus.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Onderdeel 2.1 van het middel is gericht tegen het oordeel in rov. 3.45-3.46 van het eindarrest dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is en tegen het oordeel in rov. 3.48 dat mede op grond daarvan ook een reëel gevaar voor instorting van het ongebruikte deel van het gebouw bij de beoogde belasting niet vaststaat.
Het onderdeel voert onder meer aan dat de in rov. 3.46 bedoelde bevindingen van ABT uit 2019 zien op de situatie waarin al maatregelen zijn genomen en op het huidige gebruik van het gebouw. Deze bevindingen kunnen daarom niet de conclusie dragen dat ABT bij de beoogde belasting van het gebouw ervan uitgaat dat instorting geen realistisch scenario is, aldus het onderdeel. Daarbij wijst het onderdeel op rov. 3.19, waarin het hof overweegt dat ABT in 2018 na een eerste beoordeling heeft geconcludeerd dat zij de veiligheid niet 100% kon garanderen en dat op korte termijn maatregelen nodig waren. Dat advies heeft geleid tot ontruiming van rond de veertig werkplekken op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw.
Deze klacht slaagt. Het hof beantwoordt in rov. 3.45-3.47 de vraag of instortingsgevaar bestaat. Daarbij neemt het in rov. 3.46 onder meer bevindingen van ABT uit 2019 in aanmerking die uitgaan van het huidige gebruik nadat in 2018 maatregelen zijn genomen. In rov. 3.48 komt het hof op basis van de daaraan voorafgaande overwegingen tot de conclusie dat ook een reëel gevaar van instorting van het nu ongebruikte deel van het gebouw bij de beoogde belasting nog niet vaststaat. Met ‘de beoogde belasting’ doelt het hof kennelijk op de belasting in de hypothetische situatie dat het sinds 2018 ontruimde gedeelte van het gebouw als kantoorruimte zou zijn ingericht en als zodanig zou worden gebruikt. De in rov. 3.46 bedoelde bevindingen van ABT uit 2019, die zien op de situatie na het nemen van onder meer ontruimingsmaatregelen in 2018, kunnen zonder nadere motivering niet bijdragen aan een oordeel over instortingsgevaar bij de beoogde belasting, waarbij het gebouw niet gedeeltelijk is ontruimd.
Onderdeel 2.3 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.45-3.46 dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is en dat deskundige [deskundige] daarover het meest uitgesproken is: volgens [deskundige] is geen dreigend instortingsgevaar aanwezig. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken dat het Waterschap heeft gesteld dat [deskundige] alleen berekeningen heeft gemaakt voor de eerste verdiepingsvloer en dat op basis daarvan geen uitspraak kan worden gedaan over de andere vloeren.
Ook deze klacht treft doel. Uit rov. 3.45-3.46 blijkt niet dat het hof deze in dit kader essentiële stelling van het Waterschap heeft betrokken bij zijn beoordeling.
Onderdeel 2.6 keert zich tegen de oordelen in rov. 3.48 dat van de beoogde belasting in de praktijk geen sprake is en dat ter zitting is bevestigd dat de vloer van het deel van het gebouw dat nu is afgezet, in onbelaste staat niet aan instortingsgevaar onderhevig is. Voor zover het hof deze oordelen mede ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie dat dreigend instortingsgevaar niet is komen vast te staan, is dat volgens het onderdeel onbegrijpelijk. De omstandigheid dat veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, kan volgens het onderdeel niet afdoen aan de conclusie dat het gebouw ernstig gebrekkig is, omdat zonder die maatregelen het gebouw immers dreigt in te storten, zoals het Waterschap heeft gesteld.
Deze klacht is terecht voorgesteld. Het is onbegrijpelijk dat het hof de vraag of zich instortingsgevaar in de zin van paragraaf 28 lid 2, onder b, UAV-GC voordoet, kennelijk heeft beoordeeld met inachtneming van de maatregelen die volgens het Waterschap reeds zijn getroffen om mogelijk instortingsgevaar te voorkomen.
Onderdeel 2.8, gericht tegen de slotsom van het hof in rov. 3.49 dat het Waterschap onvoldoende heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van dreigend instortingsgevaar, slaagt in het voetspoor van de hiervoor besproken klachten.
De klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt ADS in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap begroot op € 1.049,47 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ADS deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt ADS in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Waterschap begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ADS deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 25 september 2026.