HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04717
Datum 25 september 2025
ARREST
op het door Stichting [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2023, nr. 21/01772.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Belanghebbende heeft met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht als bedoeld in artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, Awb in samenhang gelezen met artikel 29 AWR en artikel 8:109 Awb gedaan.De griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld de betalingsonmacht te onderbouwen. Daarop heeft belanghebbende via het webportaal van de Hoge Raad op 27 februari 2024 aan de griffier doen toekomen (i) een ingevuld “Formulier voor Verklaring afwezigheid vermogen”, (ii) een salarisspecificatie van het loon van de bestuurder van belanghebbende voor de periode 4 december 2023 tot en met 31 december 2023, (iii) een afdruk van de aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 van belanghebbende, en (iv) twee brieven.
Op 17 april 2026 heeft de griffier een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst. Daarin is aan belanghebbende meegedeeld dat betalingsonmacht niet aannemelijk is gemaakt, en dat belanghebbende op korte termijn nog één maal een nota griffierecht ontvangt met een betalingstermijn van vier weken. Tevens is daarin meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij aangetekende brief van 22 april 2026 is belanghebbende opnieuw gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en is voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL op 30 april 2026 afgehaald op de afhaallocatie. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier heeft op 22 mei 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald.
Belanghebbende heeft op 10 juni 2026 via het webportaal van de Hoge Raad een brief ingediend waarin zij met een beroep op artikel 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken verzet aantekent tegen de hiervoor in 1.2 vermelde mededeling van de griffier dat betalingsonmacht niet aannemelijk is gemaakt.
Met hetgeen belanghebbende in de hiervoor in 1.1 vermelde stukken heeft aangevoerd, heeft zij niet een zodanig inzicht verschaft in de inkomsten en het vermogen van haarzelf en de personen die een direct belang bij haar hebben, in de voor betaling van het verschuldigde griffierecht relevante periode dat aan de hand daarvan kan worden geconcludeerd dat heffing van het volgens de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om beroep in cassatie in te stellen.Hetgeen belanghebbende in de hiervoor in 1.5 vermelde brief heeft aangevoerd, bevat geen nadere informatie over de inkomsten en het vermogen van haarzelf en de personen die een direct belang bij haar hebben. Hetgeen belanghebbende in die brief verder aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende ter zake van het niet-betalen van het griffierecht niet in verzuim is geweest. Daarbij verdient opmerking dat – anders dan waarvan belanghebbende uitgaat – in belastingzaken de Wet griffierechten burgerlijke zaken niet van toepassing is. De hiervoor in 1.2 bedoelde mededeling van de griffier is dan ook niet aan te merken als een beslissing als bedoeld in artikel 29, lid 1, van die wet waartegen op grond van die bepaling in verzet kan worden gekomen.
Uit de brief van belanghebbende van 10 juni 2026 kan niet anders worden afgeleid dan dat zij de hiervoor in 1.3 bedoelde brief die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak namens de griffier aan haar is verstuurd ter herinnering aan het voor deze cassatieprocedure nog te betalen griffierecht, heeft ontvangen. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat zij laatstgenoemde brief niet heeft ontvangen.
Hetgeen hiervoor in 1.6 en 1.7 is overwogen, leidt tot de slotsom dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest noch dat belanghebbende op de datum waarop het verschuldigde griffierecht uiterlijk moest zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeerde.
Gelet op hetgeen hiervoor in 1.3 en 1.8 is overwogen, moet het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft in de brief van 10 juni 2026 geklaagd over de lange duur van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad merkt deze klacht aan als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de termijn die als redelijk kan worden beschouwd voor de cassatiefase.
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 23 november 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden, maar niet meer dan 12 maanden. Aangezien het met deze zaak gemoeide financiële belang minder bedraagt dan € 1.000, volstaat de Hoge Raad met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.