HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/01950
Datum 16 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 april 2025, nr. BK-24/14, op het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/7016) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, in de rioolheffing en in de afvalstoffenheffing voor het jaar 2022.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Uitgangspunten in cassatie
[B] B.V. (hierna: [B]) heeft zich als gemachtigde van belanghebbende gesteld en een hogerberoepschrift van 9 januari 2024 ingediend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Bij het hogerberoepschrift heeft [B] een als volmacht aangeduid stuk van 7 februari 2022 overgelegd.
In brieven van 31 januari 2025 en 13 februari 2025 heeft het Hof [B] verzocht om uiterlijk ter zitting van 25 februari 2025 een recente machtiging die niet ouder is dan zes maanden voor de indiening van het hogerberoepschrift, en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van belanghebbende over te leggen. In die brieven is [B] erop gewezen dat niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan volgen wanneer zij aan dat verzoek geen gehoor geeft.
[B] heeft de gevraagde stukken niet binnen de daartoe gestelde termijn overgelegd.
3. De oordelen van het Hof
Omdat geen gevolg is gegeven aan het verzoek van het Hof een recente machtiging en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van belanghebbende te verstrekken, en [B] is gewezen op het mogelijke gevolg daarvan, namelijk niet-ontvankelijkheid, heeft het Hof het door [B] ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4. Beoordeling van de middelen
Het eerste en het tweede middel komen erop neer dat het Hof niet om een recente machtiging had mogen vragen en dat het Hof het hoger beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Deze middelen falen. Het Hof heeft bij het opvragen van een nieuwe machtiging niet de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden. Met dat opvragen heeft het Hof vastgesteld dat sprake is van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. Het oordeel van het Hof dat daarvan sprake is en dat dit verzuim niet is hersteld, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is verder niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het Hof was bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege dit verzuim niet-ontvankelijk te verklaren. Indien niet is voldaan aan de geboden herstelmogelijkheid, bestaat geen verplichting nogmaals gelegenheid te bieden dit verzuim te herstellen.
De oordelen van het Hof met betrekking tot het ontbreken van een recente machtiging worden in cassatie dus tevergeefs bestreden. Aangezien die oordelen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep door het Hof zelfstandig dragen, behoeven de middelen voor het overige geen behandeling.
5.Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.