HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/02707 bis
Datum 2 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 juni 2024, nrs. BK-23/264 en BK-23/265, nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om nadere gegevens te verstrekken.
1. De loop van het geding in cassatie tot dusver
Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1297 (hierna: het arrest van 17 juli 2026), wordt verwezen naar dat arrest.
In het arrest van 17 juli 2026 heeft de Hoge Raad beslist dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen. Daarbij heeft de Hoge Raad beslist dat de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van bezwaar wordt vastgesteld op € 1.332. De Hoge Raad heeft verder beslist dat de Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Belanghebbende heeft bij portaalbericht van 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2. Beslissing over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure
Alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, heeft de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken. Het gaat hierbij om gegevens ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025).
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft bij bericht van 4 augustus 2026 van die gelegenheid gebruikgemaakt.
Belanghebbende heeft in het bericht van 4 augustus 2026 meegedeeld dat de gemachtigde, Hefna B.V., al jaren louter en alleen op basis van no cure no pay beroepsmatig rechtsbijstand verleent op het gebied van de bpm, dat Hefna B.V. voor de door haar in gerechtelijke beroepsprocedures verleende rechtsbijstand alleen betaald krijgt door “de organen van het Koninkrijk der Nederlanden”, en dat met die vergoedingen een boterham wordt verdiend. De motivatie van de gemachtigde om op basis van no cure no pay te werken is volgens belanghebbende erin gelegen dat justitiabelen die voor geringere bedragen door de heffende autoriteit in een gerechtelijke procedure worden betrokken, recht hebben op gepassioneerde rechtsbijstand zonder daarvoor voorafgaand betalingen te verrichten. Op deze wijze draagt het bedrijfsmodel van de gemachtigde eraan bij dat in Nederland op het gebied van de bpm het recht van de Unie correct ten uitvoer wordt gelegd.
Daarvan uitgaande betoogt belanghebbende in het bericht van 4 augustus 2026 – samengevat – dat het decimeren van de proceskostenvergoeding ten opzichte van die waarop volgens de hoofdregel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) door justitiabelen aanspraak kan worden gemaakt, strijd oplevert met het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Verder betoogt belanghebbende dat de Hoge Raad met zijn oordeel in het arrest van 17 januari 2025 dat artikel 19a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) verenigbaar is met het Unierecht, artikel 267 VWEU heeft geschonden door geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch te motiveren welke van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’ op de verplichting om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen van toepassing waren.
Het hiervoor weergegeven betoog wordt verworpen op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.4.2 tot en met 2.4.7 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1246. Die gronden brengen mee dat de Hoge Raad geen aanleiding ziet hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Belanghebbende heeft met betrekking tot het bedrijfsmodel van de gemachtigde geen nadere gegevens verstrekt ter voldoening aan de op belanghebbende rustende last om te bewijzen dat het geval van belanghebbende is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad zal daarom ervan uitgaan dat het geval van belanghebbende met het oog op het vaststellen van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure niet is aan te merken als zo’n bijzonder geval. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure daarom met inachtneming van artikel 19a van de Wet.
Bij de berekening van de vergoeding van de kosten van het geding in cassatie gaat de Hoge Raad van het volgende uit: (i) drie proceshandelingen (indiening beroepschrift in cassatie, indiening conclusie van repliek en verstrekking van schriftelijke inlichtingen naar aanleiding van de geboden gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken), en daarmee dus van 4,5 punt,(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en(iv) de vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 19a, lid 2, letter b, van de Wet, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (voldoeningen op aangifte van bedragen aan bpm) worden vernietigd of gewijzigd.Dit een en ander komt neer op een proceskostenvergoeding van € 421.
3. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
Belanghebbende heeft op 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 11 juli 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment waarop de Hoge Raad het arrest van 17 juli 2026 wees, levert een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Omdat het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar alleen voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard,
- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2021,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 559 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht van € 548 ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 421 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.332 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.