HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02242
Datum 2 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 mei 2025, nrs. BK-24/388 tot en met BK-24/390, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 22/7458, SGR 22/7462 en SGR 22/7467) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , als de Staat, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
Uitgangspunten in cassatie
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar belanghebbende gedeeltelijk teruggaaf verleend van de bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) die belanghebbende ter zake van drie uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto’s had voldaan. Deze teruggaven vonden hun grondslag uitsluitend erin dat belanghebbende bij de berekening van de verschuldigde bpm wat betreft de leeftijd van de personenauto’s ervan is uitgegaan dat elke personenauto binnen vijf werkdagen na de datum van de aangifte zou worden geregistreerd in het Nederlandse kentekenregister maar dit telkens later dan vijf werkdagen heeft plaatsgevonden.
Vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht heeft beslist dat belanghebbende niet op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb aanspraak kan maken op een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van de behandeling van de bezwaren, aangezien het gegrond verklaren van de bezwaren niet zijn grondslag vindt in een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
Het tegen dit oordeel van het Hof gerichte middel I betoogt dat het Unierecht meebrengt dat in alle gevallen waarin bij uitspraak op bezwaar ter zake van een op aangifte voldaan bedrag aan bpm teruggaaf wordt verleend, de in verband met dat bezwaar gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden vergoed, en dat de in artikel 7:15, lid 2, Awb aan het toekennen van een dergelijke vergoeding gestelde voorwaarde dat het bestreden besluit moet zijn herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, in strijd is met het Unierecht.
Middel I kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.6.2 van het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277, en in de rechtsoverwegingen 4.8.1 tot en met 4.12.5 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat de door het middel opgeworpen geschilpunten betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.
Vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn
De Rechtbank heeft belanghebbende een schadevergoeding toegekend omdat de termijn van twee jaar die volgens de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten als redelijk wordt beschouwd voor het behandelen van de drie zaken in de fase van eerste aanleg, was overschreden met bijna drie maanden. De in verband daarmee toe te kennen vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank, in overeenstemming met deze uitgangspunten, vastgesteld op € 500.Het Hof heeft de door belanghebbende aangevoerde grieven tegen de beslissing van de Rechtbank om de vergoeding van immateriële schade op niet meer dan € 500 te stellen, verworpen.
Middel III is gericht tegen de hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordelen. Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.1 tot en met 2.4.6 van het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1415, ziet de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Waardevermindering wegens huurverleden
Het Hof heeft geoordeeld dat bij het heffen van bpm ter zake van de onderhavige drie personenauto’s waarvan vaststaat dat deze geen huurverleden hebben (geen “ex-rental” zijn), niet een extra waardevermindering wegens een huurverleden in aanmerking kan worden genomen. Volgens middel V is het aldus gemaakte onderscheid tussen motorvoertuigen zonder huurverleden en motorvoertuigen met een huurverleden in strijd met artikel 110 VWEU.
Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, ziet de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Verenigbaarheid van toepassing van artikel 20 AWR met artikel 110 VWEU op de markt van tweedehands motorvoertuigen
Middel VII klaagt over het oordeel van het Hof dat artikel 110 VWEU niet verbiedt dat indien eenmaal het belastbare feit van registratie van een vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht tweedehands motorvoertuig heeft plaatsgevonden, naheffing op de voet van artikel 20 AWR plaatsvindt.
Middel VII kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4.4 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Bevoegdheid nationale rechter om het Unierecht uit te leggen en toe te passen
Middel VIII klaagt over het oordeel van het Hof dat het bevoegd is het Unierecht uit te leggen en toe te passen en over het oordeel van het Hof dat het niet verplicht is om in deze zaak waarin vragen over de uitlegging van Unierecht aan de orde zijn, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen, ook niet als belanghebbende daarom verzoekt.
Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, ziet de Hoge Raad wat betreft dit geschilpunt geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Overige klachten
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).Hierbij verdient opmerking dat wat betreft deze overige klachten het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil in cassatie, dan wel voor zover het Unierecht dat wel is, al in voorgaande rechtsoverwegingen van dit arrest is uiteengezet waarom de Hoge Raad afziet van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.