HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01866
Datum 2 oktober 2026
ARREST
In de zaak van
1. DL AGRO LOGISTICS B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
2. [eiser 2] handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [eisers] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
1. DE LEIGRAAF HOLDING B.V.,
gevestigd te Oeffelt,
2. LEIGRAAF TRANSPORT B.V.,
gevestigd te Oeffelt,
3. [verweerder 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
4. [verweerster 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [verweerder 5] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerders] ,
advocaat: M.S. van der Keur.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 9890937\ CV EXPL 22-1445 van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2022 en 19 mei 2023;
b. de rolbeslissingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zaak 200.332.586/01 van 16 januari 2024 en 2 april 2024 en de arresten in de zaak 200.332.586/02 van 3 september 2024, 10 december 2024 en 11 maart 2025.
[eisers] hebben tegen rolbeslissingen van 16 januari 2024 en 2 april 2024 en tegen de arresten van 3 september 2024 en 10 december 2024 van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift primair tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot verwerping ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot niet-ontvankelijkheid in het principale cassatieberoep en tot (zo nodig) verwerping van het incidentele cassatieberoep. De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten en rolbeslissingen van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten en rolbeslissingen. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerders] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 2 oktober 2026.