ECLI:NL:HR:2026:1595

ECLI:NL:HR:2026:1595

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 25/02209
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:377
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2025:1553

Samenvatting

Goederenrecht. Pandrecht (art. 3:246 BW). Is pandhouder bevoegd om schikking aan te gaan m.b.t. verpande vordering? Kan pandhouder bevoegdheid tot schikking in pandakte bedingen met goederenrechtelijke werking? Gesloten systeem van goederenrecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02209

Datum 2 oktober 2026

ARREST

In de zaak van

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

hierna: ING,

advocaten: B.T.M. van der Wiel en A. Stortelder,

tegen

Nick Johan Herman LEFERINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [schuldenaar] B.V.,

kantoorhoudende te Hengelo,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de curator,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/08/270484 HA ZA 21-364 van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2022 en 23 november 2022;

b. de arresten in de zaak 200.326.633 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2024, 15 oktober 2024 en 18 maart 2025.

ING heeft tegen de arresten van 15 oktober 2024 en 18 maart 2025 van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Tegen de curator is verstek verleend.

De zaak is voor ING toegelicht door haar advocaten en mede door H.A.A. Essebai en S.E. Berkhof.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van ING hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [schuldenaar] B.V. (hierna: [schuldenaar]) hield zich bezig met het beleggen in en verhuren (exploiteren) van vastgoed. Zij werd gefinancierd door ING. In maart 2012 had ING in totaal ongeveer € 17 miljoen geleend aan [schuldenaar].

(ii) ING had een stil pandrecht op de huurvorderingen van [schuldenaar] op Emtes Uitzendbureau B.V. (hierna: Emtes).

(iii) Op 14 maart 2018 is [schuldenaar] failliet gegaan. Aan de faillietverklaring ging een periode vooraf waarin [schuldenaar] haar financiële verplichtingen tegenover ING niet nakwam. ING heeft daarom in juni 2015 haar pandrecht openbaar gemaakt. Hiermee werd ING inningsbevoegd.

(iv) Emtes wilde de huur over de maanden juli 2017 tot en met februari 2018 ten bedrage van € 28.156,72 niet betalen in verband met gebreken aan het van [schuldenaar] gehuurde bedrijfspand. ING heeft op 1 november 2018 met Emtes een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de openstaande huurvordering werd verminderd. In deze vaststellingsovereenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen voor het geval de curator het niet eens zou zijn met de regeling. De curator heeft geen beroep gedaan op deze ontbindende voorwaarde.

In dit geding vordert de curator, voor zover in cassatie van belang, onder meer een verklaring voor recht dat ING misbruik van recht heeft gemaakt, althans onrechtmatig heeft gehandeld, door zonder medewerking of instemming van de curator een schikking te treffen voor de vordering van [schuldenaar] op Emtes, en veroordeling van ING tot betaling aan de curator van € 2.000,-- wegens gemiste boedelbijdrage ter zake van die schikking.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de hiervoor in 2.2 genoemde vorderingen vernietigd en voor recht verklaard dat ING tegenover de curator onrechtmatig heeft gehandeld door voor de vordering van [schuldenaar] op Emtes een schikking te treffen, en ING veroordeeld om € 2.000,-- aan de curator te betalen. Het hof heeft hiertoe bij tussenarrest onder meer als volgt overwogen (onderstrepingen hof weggelaten):

“3.11. (…)

Los daarvan is het hof van oordeel dat de Hoge Raad in het Neo-River arrest in duidelijke bewoordingen heeft overwogen en beslist welke bevoegdheden (ter zake de inning) de pandhouder toekomen en welke bij de pandgever blijven (…). Het hof zal dat hierna uitleggen.

Volgens ING leest de curator het Neo-River arrest verkeerd omdat daarin niet aan de orde kwam of de pandhouder in het kader van een door hem geïnitieerd inningsproces bevoegd is tot het treffen van een schikking met de debiteur van de verpande vordering. Het hof kan ING daarin niet volgen. In het Neo-River arrest wordt immers overwogen:

“Art. 3:246 lid 1 BW houdt in dat, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Na die mededeling is de pandhouder ook bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW). Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering kent de wet de pandhouder niet toe, zodat moet worden aangenomen dat deze bij de pandgever blijven rusten. De pandgever blijft derhalve bevoegd handelingen te verrichten zoals het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding. Voorts blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit, hetgeen eveneens gevolgen voor de vordering heeft of kan hebben ” (…).

In zijn latere arrest Megalim/Veenbloem (…) uit 2016 [voetnoot in origineel: HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833] herhaalt de Hoge Raad deze overweging onder 3.3.3:

“Art. 3:246 lid 1 BW houdt in dat, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De pandhouder is in dat geval tevens bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW). Na bedoelde mededeling kan de pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen (art. 3:246 lid 4 BW). Aldus gaat door de mededeling van de verpanding aan de schuldenaar de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering over van de pandgever op de pandhouder. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven ingevolge de wet bij de pandgever berusten. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever daarbij gedacht aan handelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding, alsmede de bevoegdheid tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit. (Parl. Gesch. Boek 3. p. 773; HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:415, NJ 2015/82)” (…).

De Hoge Raad overweegt dus dat andere schuldeisersbevoegdheden (zoals het verlenen van (gedeeltelijke) kwijtschelding) bij de pandgever “blijven”. Dat betekent dat zij niet ‘verplaatsen’ naar de pandhouder, in dit geval ING. Steun voor die uitleg is te vinden in rechtsoverweging 3.5.2 van het Neo-River arrest waarin de Hoge Raad overweegt dat de wettelijke regeling van art. 3:246 BW berust op een bewuste keuze van de wetgever waaraan ten grondslag ligt dat genoemde bevoegdheden (…) zijn rechten en belangen diepgaand treffen en dat de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd voor zover dit hem zijn vordering waarborgt.

De tussenconclusie is dat ING niet op grond van haar inningsbevoegdheid (als pandhouder) een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten. De vraag is vervolgens of ING op een andere grond hiertoe bevoegd was.”

In het eindarrest heeft het hof onder meer als volgt overwogen:

“2.3. ING voert in haar akte, met verwijzing naar haar memorie van antwoord, allereerst aan dat zij bij de vestiging van het pandrecht met [schuldenaar] aanvullende afspraken heeft gemaakt over de met de verpande vorderingen samenhangende bevoegdheid en dat partijen daarbij de inhoud van het pandrecht nader hebben geregeld. De schikkingsbevoegdheid – de bevoegdheid om een regeling te treffen met debiteuren van verpande vorderingen (…) – is daarmee volgens ING onderdeel van het goederenrechtelijke (pand)recht.

Het hof begrijpt dat ING met de nadere afspraken doelt op artikel 18 lid 3 van haar algemene voorwaarden. Die bepaling (…) regelt dat de geldgever (ING) bevoegd is ter zake de verpande vorderingen voor rekening van de schuldenaar ([schuldenaar]) “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten” en verder alles te verrichten wat de geldgever nodig acht. Er worden aldus bevoegdheden aan ING toegekend. Dit omvat mede de bevoegdheid om vorderingen (gedeeltelijk) kwijt te schelden.

Het hof volgt dit standpunt van ING niet. De in artikel 18 lid 3 onder c aan ING toegekende schikkingsbevoegdheid is een contractuele regeling, niet een nadere goederenrechtelijke regeling van het pandrecht. De bewoordingen van dit artikel bevestigen dit. In lid 3 onder a is een regeling opgenomen over de goederenrechtelijke nevenrechten. Dat onderdeel begint met de bewoordingen “Pandrecht op een vordering omvat ook pandrecht op nevenrechten (...)”. Onderdeel c is niet een uitwerking van deze goederenrechtelijke nevenrechten, maar begint met de bewoordingen “De geldgever is voorts bevoegd terzake van de verpande vordering geheel naar eigen goeddunken (…) voor rekening van de schuldenaar (...) regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten (..)”. Als de schikkingsbevoegdheid in artikel 18 lid 3 onder c wel is bedoeld en moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, dan is naar het oordeel van het hof die uitbreiding als door ING bepleit in strijd met de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem. [voetnoot in origineel: Ook wel de numerus clausus in het goederenrecht genoemd. Zie ook de Toelichting Meijers, Algemene opmerkingen over boek 5, PG 5, p 2, sub 1.] Onder deze regel van het privaatrecht wordt over het algemeen verstaan het uitgangspunt dat partijen in het rechtsverkeer alleen de in de wet geregelde goederenrechtelijke rechten kunnen vestigen en dus niet zelf nieuwe typen goederenrechtelijke rechten kunnen creëren. [voetnoot in origineel: Aldus de Toelichting Meijers, Algemene opmerkingen over boek 5, PG 5, p 3, sub 3 en T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht, (diss. Nijmegen), (Serie Onderneming en Recht deel 37,) Deventer: Kluwer 2007, p. 1.] Partijen kunnen de inhoud van de in de wet geregelde beperkte rechten alleen aanvullen of beperken voor zover de wet daartoe ruimte biedt. [voetnoot in origineel: Struycken, diss. (2007), p. 7.] De wet biedt geen ruimte om het pandrecht uit te breiden met een schikkingsbevoegdheid (voor de pandhouder). [voetnoot in origineel: Struycken, diss. (2007) p. 468.] Dit volgt ook uit de in het tussenarrest genoemde Neo River- en Megalim/Veenbloem-arresten van de Hoge Raad uit 2014 en 2016. In laatstgenoemd arrest staat uitdrukkelijk (…) dat andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering ingevolge de wet bij de pandgever blijven rusten en dat de wetgever daarbij heeft gedacht aan handelingen “als het verlenen van kwijtschelding”. De bevoegdheid om “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te treffen” omvat, zoals overwogen, juist (mede) de bevoegdheid tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de verpande vordering kan - anders dan inning door de pandhouder - de belangen van de pandgever en zijn andere schuldeisers diepgaand treffen, terwijl de pandhouder slechts in de verpande vordering is geïnteresseerd voor zover dit voldoening van zijn vordering waarborgt.”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 3.11-3.14 van het tussenarrest, waarin het hof oordeelt dat ING als pandhoudster niet op grond van haar inningsbevoegdheid een vaststellingsovereenkomst met Emtes kon sluiten.

Onderdeel 1.1 klaagt onder meer dat het hof met dit oordeel miskent dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder op grond van art. 3:246 lid 1 BW ook de bevoegdheid omvat om met betrekking tot de verpande vordering een schikking te treffen die ertoe strekt (een deel van) de verpande vordering te innen, en in het kader van een dergelijke schikking de verpande vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Aan de inningsbevoegde pandhouder komen immers alle bevoegdheden toe die strekken tot inning of het nemen van verhaal op het vermogen van de debiteur van de verpande vordering, aldus het onderdeel.

Ingevolge art. 3:246 lid 1 BW is, vanaf het moment dat het pandrecht op een vordering aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming van die vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. De pandhouder is in dat geval tevens bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW). De pandgever kan deze bevoegdheden dan nog slechts uitoefenen indien hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen (art. 3:246 lid 4 BW). Aldus gaat door de mededeling van de verpanding aan de schuldenaar de bevoegdheid tot inning van de verpande vordering over van de pandgever op de pandhouder. Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering blijven ingevolge de wet bij de pandgever berusten. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever daarbij gedacht aan handelingen als het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding, alsmede de bevoegdheid tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit. Deze regeling berust aldus op een bewuste keuze van de wetgever, waaraan ten grondslag ligt dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever behoren te blijven nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder slechts in het verpande is geïnteresseerd voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. De pandgever kan immers groot belang erbij hebben om in de verhouding tot zijn schuldenaar of contractuele wederpartij bedoelde bevoegdheden te kunnen uitoefenen en daarvoor niet afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder of een machtiging van de kantonrechter.

Uit hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, volgt dat de inningsbevoegdheid van de pandhouder niet ook de bevoegdheid omvat de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt.

Onderdeel 2.6 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 2.5 van het eindarrest) dat als de in de algemene voorwaarden van ING aan haar toegekende schikkingsbevoegdheid is bedoeld en moet worden begrepen als een goederenrechtelijke uitbreiding van het pandrecht, die uitbreiding in strijd is met de geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat volgens het onderdeel het objectieve recht en in het bijzonder de geslotenheid van het goederenrechtelijk systeem zich niet ertegen verzetten dat aan de pandhouder de bevoegdheid wordt toegekend (met goederenrechtelijk effect) om een schikking te treffen met betrekking tot de verpande vordering en deze in dat kader (gedeeltelijk) kwijt te schelden.

Het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten brengt mee dat aan het pandrecht niet een andere inhoud kan worden gegeven dan dit recht volgens de desbetreffende wettelijke bepalingen heeft, voor zover uit de wet niet het tegendeel blijkt. De vrijheid van partijen om binnen de grenzen van de wettelijke omschrijving van het pandrecht de inhoud van het pandrecht zelf te bepalen, is dus beperkt tot het gebied waar de wet zich van een regeling onthoudt en tot de gevallen waarin de wet zelf een afwijkende regeling uitdrukkelijk toelaat. Art. 3:246 BW voorziet niet in de mogelijkheid dat partijen afwijken van de daarin opgenomen bevoegdheidsverdeling (zie hiervoor in 3.2.1-3.2.2). Het gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten verzet zich er dan ook tegen dat partijen met goederenrechtelijke werking aan de pandhouder de bevoegdheid toekennen om de verpande vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Het onderdeel faalt.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt ING in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 2 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand