HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02737
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2024, nummer 21-005362-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van het eerste en het tweede door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en van het tweede door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel
3. Beoordeling van het derde en het vierde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en van het eerste door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten A.M. de Koning en G. Spong ieder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben ieder daarop schriftelijk gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het derde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel en het eerste door de advocaat Spong voorgestelde cassatiemiddel klagen dat de bewezenverklaring van feit 2, voor zover die betrekking heeft op het handelen “ter bedrieglijke verkorting” van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Het vierde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel klaagt in de kern over de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het onder 2 bewezenverklaarde.
De bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en de bewijsoverwegingen van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 18 en 19.
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 22, 23 en 25.
4. Beoordeling van het vijfde door de advocaat De Koning voorgestelde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 29 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.