HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02639
Datum 6 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 juli 2024, nummer 20-000278-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De cassatiemiddelen klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6.
Voor zover het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat voor het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen zoals bedoeld in artikel 97 in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de accijns voldoende is “dat een persoon opzettelijk betrokken raakt bij het voorhanden hebben”, is het terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02636, ECLI:NL:HR:2026:1619. Dat leidt echter niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 29, 30 en 32.
Ook de verder in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof leiden het niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 37 tot en met 39, 52, 54 en 55.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden en 2 weken, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.