HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/01315
Datum 9 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 februari 2023, nr. 21/00569, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 18/2785) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door H.A. Zeven, heeft een verweerschrift ingediend.
Op 1 december 2023 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
In 2013 en 2014 heeft de in Frankrijk gevestigde moedervennootschap van belanghebbende (hierna: de SA) aan vijf werknemers van belanghebbende voorwaardelijke rechten op levering van aandelen in de SA toegekend. Die rechten houden in dat aan ieder van de werknemers een vastgesteld aantal aandelen wordt geleverd onder de opschortende voorwaarde dat die werknemer vier jaar na toekenning nog in dienst is en aan bepaalde prestatievoorwaarden is voldaan. Gedurende die vier jaar zijn de voorwaardelijke rechten op aandelen niet overdraagbaar.
In 2015 is 66,7 procent van de aandelen in de SA verkocht aan een andere in Frankrijk gevestigde vennootschap (hierna: de SAS). Aan ieder van de vijf werknemers is een cashbonus aangeboden in ruil voor het afzien van de voorwaardelijke rechten op aandelen, in verband met de wens van de SAS om de resterende aandelen van de SA van de markt te halen. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. De ene helft van de cashbonus zou worden uitgekeerd in december 2016 en de andere in juni 2018.
De vijf werknemers hebben gebruikgemaakt van het aanbod, en de toekenning van de rechten op aandelen is dus nooit onvoorwaardelijk geworden; de aandelen zijn ook nooit aan de werknemers geleverd. Omdat één van de vijf werknemers in 2016 uit dienst is gegaan, is hem de volledige cashbonus bij zijn laatste salaris in november 2016 ineens uitbetaald. Achteraf is gebleken dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden.
In totaal bedroeg de cashbonus € 630.750. De uitbetaling is rechtstreeks ten laste van belanghebbende gekomen.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de haar – overeenkomstig de door haar ingediende aangifte – opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2015 en daarbij verzocht een voorziening van € 630.750 in aanmerking te nemen ter zake van de in 2016 en 2018 te betalen cashbonus. De Inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Hij stelde zich op het standpunt dat artikel 10, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (in de voor de jaren 2016 tot en met 2018 geldende tekst; hierna: de Wet) in de weg staat aan het vormen van een voorziening.
Artikel 10, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet (hierna ook: de aftrekuitsluiting) luidt, voor zover hier van belang:
“Bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek: (…) j. bij een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal: uitreiking of toekenning van aandelen in dat kapitaal of in dat van een met die vennootschap verbonden lichaam,(…) alsmede van rechten om aandelen in dat kapitaal (…) te verwerven of van daarmee gelijk te stellen rechten (…).”
3. De oordelen van het Hof
Het Hof heeft geoordeeld dat toekenning van optierechten onder opschortende voorwaarden niet onder de aftrekuitsluiting valt. Het heeft daartoe overwogen dat uit de tekst van artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet en uit zijn totstandkomingsgeschiedenis moet worden afgeleid dat die bepaling aangrijpt bij de (daadwerkelijke) toekenning van optierechten. Dat toekenningsmoment markeert het ontstaan van pseudo-aandeelhouderschap in de zin van (onder meer) de zogenoemde werknemersoptiearresten en de Falcons-rechtspraak. Gelet op de samenhang met de fiscale behandeling van houders van optierechten in de context van de deelnemingsvrijstelling en in de loonheffingssfeer, ligt het ook systematisch in de rede dat de toekenning van optierechten waarop artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet ziet, de toekenning betreft die leidt tot pseudo-aandeelhouderschap, aldus het Hof.
Voorwaardelijke toekenning van optierechten kan volgens het Hof derhalve niet zonder meer als toekenning van optierechten in de zin van artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet worden aangemerkt. Dat is alleen het geval als sprake is van toekenning van optierechten onder ontbindende voorwaarden, omdat in dat geval de verbintenissen uit hoofde van de optieovereenkomst, gelet op artikel 6:22 BW, aanstonds werking krijgen. Bij toekenning van optierechten onder opschortende voorwaarden is daarvan in beginsel geen sprake omdat de verbintenissen uit de optieovereenkomst, gelet op artikel 6:22 BW, dan eerst werking krijgen nadat de voorwaarden zijn vervuld. Anders dan de Inspecteur heeft gesteld, kan uit de werknemersoptiearresten niet iets anders worden afgeleid, aldus nog steeds het Hof.
Het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel laat volgens het Hof onverlet dat artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet zich ertegen verzet dat een vennootschap die optierechten onder opschortende voorwaarden toekent, in anticipatie op de vervulling van die voorwaarden enig bedrag ten laste van de winst brengt, bijvoorbeeld door vorming van een voorziening.Daarvan moet volgens het Hof echter worden onderscheiden het geval waarin de toekenning van optierechten onder opschortende voorwaarden nimmer leidt tot pseudo-aandeelhouderschap, hetzij omdat de voorwaarden niet worden vervuld, hetzij omdat de optieovereenkomst op een of andere wijze voortijdig wordt ontbonden of afgewikkeld.
Een en ander brengt volgens het Hof mee dat in het onderhavige geval nimmer sprake is geweest van een toekenning van aandelen of van optierechten in de in artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet bedoelde zin. Bij gebreke van een zodanige toekenning wordt evenmin toegekomen aan de werknemersoptiearresten. De onderhavige gang van zaken (zoals hiervoor in 2.2 tot en met 2.4 weergegeven) moet worden gezien als een afkoop van de aan de werknemers onder opschortende voorwaarden toegekende rechten op aandelen tegen een afkoopsom die bestaat uit de cashbonus. Omdat die afkoop heeft plaatsgevonden vóór de vervulling van de voorwaarden, kan de cashbonus niet onder de reikwijdte van de aftrekuitsluiting worden gebracht, aldus nog steeds het Hof. Dit brengt mee dat belanghebbende in 2015 een voorziening van € 630.750 mocht vormen ter zake van de in 2016 en 2018 te betalen cashbonus.
4. Beoordeling van het middel
Middel 1 bestrijdt de hiervoor in 3.1 tot en met 3.4 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt daartoe dat (i) ook het onder opschortende voorwaarden verlenen van optierechten op aandelen geldt als toekenning van rechten om aandelen te verwerven als bedoeld in artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet, (ii) de pseudo-aandeelhouderschapsjurisprudentie ook geldt voor optierechten op aandelen die onder opschortende voorwaarden zijn toegekend, en (iii) de Falcons-rechtspraak inzake toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet kan worden doorgetrokken naar artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet en pseudo-aandeelhouderschap.
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
Zoals uiteengezet in de onderdelen 4 en 5.1 tot en met 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, brachten de wettelijke regels en de rechtspraak van de Hoge Raad zoals die golden voorafgaand aan de invoering van artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet, mee dat de toekenning aan werknemers van aandelen of van optierechten op aandelen aftrekbaar was van de winst. Om vast te stellen op welk moment voorwaardelijke rechten zijn toegekend en ter zake van die rechten een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht, werd het bepaalde in de artikelen 6:21 en 6:22 BW gevolgd. Aldus werd de waarde van (optierechten op) aandelen die waren toegekend onder opschortende voorwaarden, pas aftrekbaar op het moment van de vervulling van die opschortende voorwaarden. Deze zelfde regel werd toegepast voor de heffing van loon- en inkomstenbelasting in verband met de toekenning van (optierechten op) aandelen.
Wat betreft aan werknemers verleende optierechten op aandelen gold dat het waardeverloop van die rechten na de datum waarop deze waren toegekend, geen invloed had op het fiscale resultaat. De houder van optierechten op aandelen in een vennootschap staat tot die vennootschap in een rechtsbetrekking die zodanig overeenkomt met die van aandeelhouder (“pseudo-aandeelhouderschap”) dat alle transacties tussen hem en die vennootschap op gelijke voet als geldt voor de aandeelhouder buiten de winstsfeer worden afgewikkeld. Van pseudo-aandeelhouderschap in deze zin is sprake wanneer de rechten van de optiehouder niet afhankelijk zijn van een opschortende voorwaarde en feitelijk en rechtens afdwingbaar zijn.
Met de invoering per 1 januari 2007 van artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet beoogde de wetgever de hiervoor in 4.2.1 bedoelde aftrek van de waarde van toegekende aandelen en optierechten op aandelen aan werknemers uit te sluiten, en terug te keren naar de voorheen geldende systematiek volgens het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY4119. Die systematiek hield in dat de toekenning van aandelen en optierechten op aandelen aan werknemers geen ondernemingskosten meebrengt, maar uitsluitend leidt tot niet-aftrekbare aandeelhouders(verwaterings)lasten en zich daarom geheel afspeelt in de kapitaalsfeer.
Anders dan het middel betoogt, is noch in de tekst van de Wet, noch in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10, lid 1, letter j, van de Wet of het daarbij gegeven overgangsrecht enig aanknopingspunt te vinden voor de veronderstelling dat de wetgever voor de toepassing van die bepaling heeft beoogd af te wijken van de in artikel 6:22 BW neergelegde temporele werking van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Daarvoor bestaat naar doel en strekking van de aftrekuitsluiting overigens ook geen aanleiding, omdat na haar invoering nog steeds geldt dat met betrekking tot onder opschortende voorwaarden toegekende aandelen en optierechten op aandelen geen bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht zolang die voorwaarden niet zijn vervuld. Op het moment waarop die voorwaarden worden vervuld, worden de (optie)rechten feitelijk en rechtens afdwingbaar, waarmee het pseudo-aandeelhouderschap van de houder daarvan ontstaat. Artikel 10, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet staat dan in de weg aan aftrek van de waarde van die optierechten. Het middel faalt in zoverre.
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Uit hetgeen hiervoor in 4.3 en 4.4 is overwogen, volgt dat het oordeel van het Hof dat in deze zaak nimmer sprake is geweest van een toekenning van (optierechten op) aandelen in de zin van artikel 10, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet, juist is. Voor dat geval was tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende ten laste van haar winst voor het jaar 2015 een voorziening kon vormen ter zake van de hiervoor in 2.2 bedoelde cashbonus.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.802 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren F.G.F. Peters en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.