ECLI:NL:HR:2026:1636

ECLI:NL:HR:2026:1636

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 24/04065
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Prejudiciële beslissing
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1093
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2024:6633

Samenvatting

Prejudiciële vragen op voet van art. 392 Rv. Vermogensrecht. Consumentenrecht. Verzekeringsrecht. Online gesloten schadeverzekering auto. Moet civiele rechter ambtshalve onderzoeken of in Wft en BGfo omgezette informatieplichten van Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (inmiddels Richtlijn consumentenrechten) en Richtlijn verzekeringsdistributie zijn nageleefd en schending daarvan sanctioneren? Vgl. ECLI:NL:HR:2021:1677 (Arvato I). Is art. 78 lid 2 onder a (oud) BGfo in lijn met Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten? Verstrekken van informatie op duurzame drager.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 24/04065

Datum 9 oktober 2026

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

EISERES in eerste aanleg,

hierna: Achmea,

advocaat: D.A. van der Kooij,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

GEDAAGDE in eerste aanleg,

hierna: verzekeringnemer,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

1. De prejudiciële procedure

Bij tussenvonnis in de zaak 10512258 \ CV EXPL 23-7206 van 25 oktober 2024 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

Namens Achmea zijn schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend door haar advocaat en mede door T. Hendriks en F. van Es.

Verzekeringnemer heeft geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben B.F.L.M. Schim en F.E. Vermeulen, advocaten bij de Hoge Raad, namens Nederlandse Vereniging van Banken op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt ertoe dat de Hoge Raad de prejudiciële vragen zal beantwoorden op de wijze als voorgesteld in de nrs. 6.57, 7.3, 7.5, 8.57, 9.23 en 10.42 van de conclusie.

De advocaat van Achmea heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In deze uitspraak beantwoordt de Hoge Raad prejudiciële vragen over informatieplichten van schadeverzekeraars bij op afstand gesloten verzekeringsovereenkomsten met consumenten, over de ambtshalve toetsing of aan die informatieplichten is voldaan en over het begrip duurzame drager.

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) Verzekeringnemer is een consument die een verzekeringsovereenkomst voor een auto heeft gesloten met Achmea.

(ii) Uit het polisblad van de verzekering volgt dat de verzekering is ingegaan op 25 augustus 2021 en dat het polisblad is verstrekt op 26 augustus 2021. Het polisblad vermeldt dat algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn.

(iii) De overeenkomst is op afstand gesloten.

In deze procedure vordert Achmea veroordeling van verzekeringnemer tot betaling van € 263,22 met rente en kosten wegens uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst verschuldigde premie en/of eigen risico en/of andere vergoedingen. Verzekeringnemer is in de procedure niet verschenen.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis Achmea in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten, voor zover thans van belang, welke informatie zij op welke manier voorafgaande of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan verzekeringnemer heeft verstrekt, wanneer de overeenkomst is gesloten en of zij verzekeringnemer, indien van toepassing, tijdig heeft gewezen op het ontbindingsrecht, en of de hiervoor genoemde informatie en voorwaarden aan verzekeringnemer zijn verstrekt op de voorgeschreven wijze.

De kantonrechter heeft in een volgend tussenvonnis als volgt overwogen:

Deze toelichting (zie hiervoor in 2.4) is gevraagd omdat in het tussenvonnis is overwogen dat nu verzekeringnemer een consument is en Achmea een handelaar, ambtshalve getoetst moet worden of Achmea voldaan heeft aan de informatieplicht van art. 6:230x BW en dus of zij verzekeringnemer heeft gewezen op het ontbindingsrecht en of Achmea heeft voldaan aan de informatieplichten van art. 5 Richtlijn 2002/65/EG betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en de art. 18 en 20 en verder van Richtlijn 2016/97 betreffende verzekeringsdistributie. (rov. 5)

Dit is geoordeeld omdat het wijzen op het ontbindingsrecht ingevolge HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (Arvato I) een essentiële informatieplicht is en de financiële dienstverlener ingevolge art. 4:20 Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en de uitwerking daarvan in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo) verplicht is voorafgaande aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie over (onder meer) het ontbindingsrecht aan de consument te verstrekken. Deze verplichting is een uitwerking van genoemde Richtlijn 2002/65/EG, waarin is bepaald dat de verzekeraar de daarin genoemde informatieplichten heeft, en in art. 11 van die richtlijn is bepaald dat de lidstaten moeten voorzien in passende sancties voor inbreuken op krachtens deze richtlijn aangenomen nationale bepalingen, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Ook Richtlijn 2016/97 schrijft in art. 31 voor dat inbreuken op die richtlijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten worden gesanctioneerd. Op grond hiervan is in het tussenvonnis geoordeeld dat ambtshalve getoetst dient te worden aan genoemde informatieplichten. (rov. 6)

Vraag daarbij is wel of aan alle informatieplichten genoemd in beide richtlijnen ambtshalve getoetst moet worden of dat er, net zoals in Arvato I, onderscheid gemaakt moet worden tussen essentiële en niet-essentiële informatieplichten. Voor de kantonpraktijk is niet duidelijk, mocht de verplichting om de informatie te verstrekken op een duurzame drager ambtshalve moeten worden getoetst, wanneer voldaan is aan de vereisten van een duurzame drager en, als daaraan niet is voldaan, wat de sanctie daarop zou moeten zijn. (rov. 7)

De kantonrechter heeft in het hiervoor in 2.5 genoemde tussenvonnis op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

Vraag 1

a. Moet ambtshalve worden getoetst of bij het sluiten van een (schade)verzekeringsovereenkomst is voldaan aan de informatieplichten van art. 6:230x BW, de art. 3, 4, 5 en 6 van de richtlijn 2002/65/EG en art. 18 en verder van de richtlijn 2016/97 en/of de daarop gebaseerde nationale bepalingen in paragraaf 8.1.4 en verder BGfo en moet daarbij ook ambtshalve worden getoetst of is voldaan aan de verplichting om de (essentiële) informatie voor en na sluiting van de overeenkomst te verstrekken op een duurzame drager?

b. (i) Welke informatie van art. 77 lid 1 BGfo is als essentieel aan te merken en (ii) is art. 78 BGfo als uitzondering op art. 77 BGfo in lijn met de richtlijn 2002/65 of geldt ook voor schadeverzekeringen dat de informatie voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst aan de consument moet worden verstrekt?

c. Moet ook ambtshalve worden getoetst of het informatiedocument conform art. 65b lid 1 BGfo is opgemaakt en conform lid 2 is verstrekt, met daarin de informatie genoemd in art. 66b BGfo?

Vraag 2

Als (het sluiten van) de overeenkomst niet ambtshalve hoeft te worden getoetst, betekent dat dan ook dat niet ambtshalve mág worden getoetst en/of dat consumenten op schending van informatieplichten of het niet verstrekken daarvan op een duurzame drager zelf geen beroep kunnen doen?

Vraag 3

Wanneer is voldaan aan de vereisten van een duurzame drager als genoemd in art. 5 van de richtlijn 2002/65/EG, art. 49a lid 2 BGfo en art. 78 BGfo?

Vraag 4

Als niet of niet geheel is voldaan aan de informatieplichten, moet dan een sanctie worden opgelegd en zo ja, wat is dan een passende sanctie? Is daarbij een verschil te maken tussen het niet verstrekken van informatie (in het kader van de verplichting tot het verstrekken van informatie) of het niet verstrekken van contractvoorwaarden (in het kader van het toetsen of kernbedingen transparant en vervolgens oneerlijk zijn ingevolge de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG))?

3. Beantwoording van de prejudiciële vragen

Inleiding

3.1.1 De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak Arvato I prejudiciële vragen beantwoord over het ambtshalve onderzoek door de rechter naar de vraag of is voldaan aan de informatieplichten van art. 6:230m BW en art. 6:230v BW en over de aan schending van die informatieplichten ambtshalve te verbinden sancties. De in Arvato I besproken informatieplichten vinden hun oorsprong in de Richtlijn consumentenrechten. Zij gelden niet voor op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten verzekeringsovereenkomsten (art. 6:230h lid 2, onder b, BW in verbinding met art. 6:230g lid 1, onder o, BW, art. 6:230w lid 1 BW en art. 1:1 Wft).

3.1.2 In de onderhavige uitspraak beantwoordt de Hoge Raad, voortbouwend op Arvato I, prejudiciële vragen over informatieplichten bij verzekeringsovereenkomsten, die hun oorsprong vinden in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie.

Voor zover deze informatieplichten stammen uit de Richtlijn verzekeringsdistributie, zijn zij geïmplementeerd in de art. 4:19 lid 2, 4:20 leden 1-2, 4:22 lid 1, 4:22a, 4:23 lid 1, onder c en 4:25b lid 3 Wft en nader uitgewerkt in de art. 49a, 57, 61 lid 1, onder d, 63a, 63b, 65b, 66b, 77, 78, 86f lid 2, onder k en 86i lid 1, onder a, b, c, d, e, g en h, en lid 4 BGfo.

De informatieplichten die stammen uit de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, zijn geïmplementeerd in art. 6:230x BW en in de art. 4:19 lid 2, 4:20 leden 1-2 en 4:22 lid 1 Wft, met nadere uitwerking in de art. 49a lid 2, 77 lid 1 (oud), art. 78 lid 1 (oud) en 79 lid 1 (oud) BGfo.

Recente implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673

3.1.3 Door Richtlijn (EU) 2023/2673 is met ingang van 19 juni 2026 – nadat de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn voorgelegd – de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten ingetrokken en zijn in de Richtlijn consumentenrechten regels opgenomen betreffende op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten. In verband hiermee is inmiddels onder meer art. 6:230x BW aangepast. Ook zijn de nadere regels van het BGfo aangepast.

Voor de beslissing van de kantonrechter op de vordering zijn de informatieplichten van belang zoals die bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst tussen Achmea en verzekeringnemer golden. De Hoge Raad zal zich in deze uitspraak daarom vooral richten op de informatieplichten zoals die voortvloeien uit de inmiddels ingetrokken Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en uit de Richtlijn verzekeringsdistributie.

Beperking tot schadeverzekeraars

3.1.4 De Hoge Raad zal de beantwoording van de vragen beperken tot schadeverzekeringen zoals in deze zaak aan de orde, omdat informatieplichten voor andere verzekeringen niet, althans niet geheel, op dezelfde wijze zijn geregeld als voor die schadeverzekeringen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.35 en 5.38-5.39). De Hoge Raad zal zich verder beperken tot informatieplichten die op de verzekeraar rusten. Informatieplichten van een eventueel betrokken verzekeringstussenpersoon blijven dus buiten beschouwing.

3.1.5 De Hoge Raad zal eerst de vragen 1a, 1b(i) en 1c beantwoorden, daarna achtereenvolgens vraag 2, vraag 4, vraag 1b(ii) en ten slotte vraag 3.

Beantwoording van de vragen 1a, 1b(i) en 1c (reikwijdte ambtshalve toetsing)

3.2.1 De vragen 1a, 1b(i) en 1c gaan over het onderzoek dat de rechter ambtshalve moet verrichten naar de naleving van de hierna te noemen informatieplichten van de verzekeraar.

Essentiële informatieplichten

3.2.2 Art. 6:193b lid 1 BW bepaalt dat een handelaar onrechtmatig handelt jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Een handelspraktijk is onder meer oneerlijk indien daarbij essentiële informatie wordt weggelaten die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen (art. 6:193b leden 2-3 BW in verbinding met art. 6:193d leden 1-2 BW). Indien het gaat om commerciële communicatie van een verzekeraar is ingevolge art. 6:193f, aanhef en onder e, BW in ieder geval als essentiële informatie aan te merken de informatie genoemd in de art. 4:20 en 4:25b Wft en de op die bepalingen gebaseerde nadere regels in het BGfo.

De Hoge Raad ziet in dit verband geen aanleiding om voor het aanmerken als essentiële informatie de nadere eis te stellen dat de verplichting tot het verstrekken daarvan vermeld is in bijlage II bij de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. De opsomming in die bijlage, die sinds 2005 niet is gewijzigd, is immers op grond van art. 7 lid 5 van die richtlijn niet uitputtend. De Hoge Raad ziet, met het oog op de rechtszekerheid, ook geen aanleiding om bij schadeverzekeringen zoals in deze zaak aan de orde andere dan de voor de verzekeraar uit de art. 4:20 en 4:25b Wft en de op die bepalingen gebaseerde nadere regels in het BGfo voortvloeiende informatieplichten als essentieel aan te merken.

Ambtshalve toetsing en ambtshalve toepassing van sancties

3.2.3 De Hoge Raad heeft in Arvato I (in rov. 3.1.5-3.1.9) voor de in de art. 6:230m en 6:230v BW omschreven informatieplichten, die hun oorsprong vinden in art. 5 en art. 8 Richtlijn consumentenrechten, uiteengezet dat en waarom het effectiviteitsbeginstel meebrengt dat de rechter die consumentenbeschermende bepalingen ambtshalve moet toepassen. Ook is de Hoge Raad aldaar ingegaan op de door de rechter ambtshalve te verbinden gevolgen aan de constatering dat aan die bepalingen niet is voldaan, dan wel niet is gebleken dat daaraan is voldaan.

Dit een en ander doet evenzeer opgeld bij de in de art. 4:20 en 4:25b Wft geïmplementeerde informatieplichten die hun oorsprong vinden in de Richtlijn verkoop van financiële diensten op afstand en de Richtlijn verzekeringsdistributie, die eveneens (mede) bescherming van consumenten beogen en die ruimte laten voor sancties van civielrechtelijke aard, welke sancties – naar algemeen uitgangspunt in het Unierecht – doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Dat is onverminderd het geval waar het gaat om informatieplichten die met ingang van 19 juni 2026 zijn overgebracht van de Richtlijn verkoop van financiële diensten op afstand naar de Richtlijn consumentenrechten.

Ook voor de hiervoor bedoelde essentiële informatieplichten die hun oorsprong vinden in de Richtlijn verkoop van financiële diensten op afstand en de Richtlijn verzekeringsdistributie dient derhalve ambtshalve toetsing en, in het verlengde daarvan, ambtshalve toepassing van sancties, plaats te vinden. De rechter moet dus ambtshalve onderzoeken of uit de stellingen van de verzekeraar en de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat aan die – hierna in 3.2.4-3.2.7 nader te benoemen – informatieplichten is voldaan.

Essentiële informatieplichten uit Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten

3.2.4 Op grond van art. 4:20 Wft en de nadere regels in art. 77-79 BGfo, zoals laatstgenoemde bepalingen luidden tot aan de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 (zie hiervoor in 3.1.3), golden voor de verzekeraar bij een op afstand gesloten overeenkomst van schadeverzekering de volgende essentiële informatieplichten die hun oorsprong vinden in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (vgl. de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.11-5.17).

Op grond van art. 77 lid 1 (oud) BGfo was de verzekeraar verplicht voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering de volgende informatie, voor zover van toepassing, aan de consument te verstrekken:

a. zijn naam en adres, de hoedanigheid waarin hij optreedt tegenover de consument en de statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;

b. de aard van zijn financiële dienstverlening;

c. zijn interne klachtenprocedure, bedoeld in art. 4:17 lid 1, onder a, Wft en de erkende geschilleninstantie waarbij hij is aangesloten;

d. zijn inschrijving in het door de toezichthouder gehouden register;

e. het nummer van de inschrijving in het handelsregister;

f. de belangrijkste kenmerken van het financiële product;

g. de risico’s die met de verzekering samenhangen;

h. de totale kosten of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;

i. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de verzekeraar worden betaald of door hem worden opgelegd;

j. de extra kosten voor het gebruik van een techniek voor communicatie op afstand;

k. de wijze van betaling door de consument en de wijze van uitvoering van de verzekering;

l. beperkingen in de geldigheidsduur van de verstrekte informatie;

m. de minimale looptijd van de verzekering;

n. het contractuele recht op tussentijdse beëindiging van de verzekering en de eventuele boete verbonden aan de uitoefening van dat recht;

o. het feit dat het in art. 6:230x leden 1-2 BW bedoelde recht wel of niet van toepassing is, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht en de wijze waarop dat recht kan worden uitgeoefend;

p. het bestaan van op de verzekering toepasselijke garantiefondsen of andere compensatieregelingen;

q. de taal of de talen waarin de voorwaarden van de verzekering en de in art. 77 BGfo bedoelde informatie worden verstrekt, alsmede de taal of talen waarin de verzekeraar zal communiceren gedurende de looptijd van de verzekering;

r. het op de totstandbrenging van betrekkingen met de consument voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering toe te passen recht, het op die verzekering toe te passen recht en de bevoegde rechter;

s. de overige voorwaarden van de overeenkomst op afstand; en

t. indien hij gebruik maakt van een andere beroepsbeoefenaar, de naam en adres van deze beroepsbeoefenaar en, indien deze een rechtspersoon is, diens statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen, en de hoedanigheid waarin deze tegenover de consument optreedt.

Indien de verzekering op verzoek van de consument tot stand is gekomen met gebruikmaking van een techniek voor communicatie op afstand waarmee de in art. 77 lid 1 (oud) BGfo bedoelde informatie niet schriftelijk of via een andere duurzame drager als bedoeld in art. 49 lid 1 BGfo of art. 49a lid 2 BGfo voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekering kan worden verstrekt, kon de verzekeraar de informatie onmiddellijk na de totstandkoming van de verzekering aan de consument verstrekken (art. 78 lid 1 (oud) BGfo).

Bij het gebruik van de telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter bevordering van de totstandkoming van een overeenkomst op afstand, deelde de verzekeraar aan het begin van elk gesprek duidelijk zijn identiteit en het commerciële oogmerk van de oproep mee (art. 79 lid 1 (oud) BGfo). In dergelijke oproepen kon de verzekeraar, indien de consument daarmee uitdrukkelijk instemde, volstaan met het informeren van de consument over:

a. de identiteit van de persoon die in contact staat met de consument en de relatie van deze persoon met de verzekeraar;

b. de belangrijkste kenmerken van de verzekering;

c. de totale kosten, of, wanneer de exacte kosten niet kunnen worden genoemd, de grondslag voor de berekening van de kosten, zodat de consument de kosten kan verifiëren;

d. de omstandigheid dat de consument andere bedragen verschuldigd kan zijn die niet via de verzekeraar worden betaald of door hem worden opgelegd;

e. de toepasselijkheid van het in art. 6:230x leden 1-2 BW bedoelde recht, de duur van en de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht, met inbegrip van informatie over het bedrag dat de consument gehouden kan zijn te betalen, de gevolgen van niet-uitoefening van dat recht; en

f. de omstandigheid dat op verzoek van de consument andere informatie beschikbaar is, waarbij de aard van die informatie aan de consument wordt medegedeeld.

Wijzigingen door Richtlijn (EU) 2023/2673

3.2.5 Bij de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 zijn art. 6:193f BW en art. 4:20 Wft niet gewijzigd. Wel zijn gewijzigd de art. 77 e.v. BGfo, die onder meer de op grond van art. 4:20 Wft vastgestelde nadere regels bevatten. Het gaat daarbij, voor zover van belang voor de beantwoording van de prejudiciële vragen, om het volgende. Voor op afstand gesloten overeenkomsten van schadeverzekering voldoet de verzekeraar aan art. 77 lid 1 BGfo door het verstrekken van het informatiedocument, bedoeld in art. 65b lid 1 BGfo (art. 77 lid 8 BGfo). Verder is art. 78 lid 1 (oud) BGfo, dat eveneens betrekking had op het verstrekken van de in art. 77 lid 1 BGfo bedoelde informatie, vervallen. Ten slotte zijn in art. 79 lid 1 (oud) BGfo enkele wijzigingen van ondergeschikte betekenis aangebracht en houdt het nieuwe art. 79 lid 8 BGfo in dat wanneer een telefoongesprek wordt opgenomen of kan worden opgenomen, de verzekeraar de consument daarvan in kennis stelt.

Essentiële informatieplichten uit de Richtlijn verzekeringsdistributie

3.2.6 Op de verzekeraar die een overeenkomst van schadeverzekering op afstand sluit met een consument, rusten op grond van art. 6:193f, aanhef en onder e, BW in verbinding met de art. 4:20 en 4:25b Wft en de op grond van die bepalingen in het BGfo gegeven nadere regels ook essentiële informatieplichten die hun grondslag vinden in de Richtlijn verzekeringsdistributie (vgl. de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 5.26-5.29). De Hoge Raad laat – zoals hiervoor in 3.1.4 overwogen – informatieplichten die niet op de verzekeraar maar op een verzekeringstussenpersoon rusten, buiten beschouwing; hetzelfde geldt voor informatieplichten die voor de verzekeraar alleen gelden als de verzekering anders dan op afstand wordt gesloten. Aldus zijn van belang de informatieplichten van de art. 19 leden 4-5, 23 lid 7 en 24 leden 1-2 Richtlijn verzekeringsdistributie, die zijn omgezet in de art. 61 lid 1, onder d, 63a, 77 lid 1, 78 lid 1 (oud) BGfo (via art. 4:20 Wft) en in art. 86i lid 4 BGfo (via art. 4:25b Wft).

3.2.7 Op grond van art. 61 lid 1, aanhef en onder d, BGfo is de verzekeraar verplicht voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst van schadeverzekering aan de consument informatie, voor zover van toepassing, te verstrekken over de aard van de vergoeding die zijn werknemers ontvangen die financiële diensten verlenen met betrekking tot schadeverzekeringen.

Op grond van art. 63a BGfo is de verzekeraar die een verzekering aanbiedt samen met een aanvullend product niet zijnde een verzekering of aanvullende dienst, als onderdeel van een pakket of van dezelfde overeenkomst, verplicht de consument mee te delen of de verschillende producten of diensten afzonderlijk kunnen worden aangeschaft en zo ja, een beschrijving te verstrekken van de verschillende producten of diensten die deel uitmaken van het pakket of de overeenkomst en informatie over de kosten en bijbehorende lasten van elk product of elke dienst. Indien de risico’s of de verzekeringsdekking van de verzekering samen met een aanvullend product of aanvullende dienst verschilt van de risico’s of de verzekeringsdekking die verbonden is aan elk van de producten of diensten afzonderlijk, verstrekt de verzekeraar aan de consument een adequate beschrijving van de verschillende producten of diensten die deel uitmaken van het pakket of de overeenkomst, de risicoverhogende wisselwerking daartussen en, indien van toepassing, de invloed op de verzekeringsdekking.

De art. 77 lid 1 en 78 lid 1 (oud) BGfo zijn hiervoor in 3.2.4 al aan de orde gekomen. Bij de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 is art. 77 lid 8 BGfo ingevoerd, dat voor schadeverzekering in de plaats komt van art. 77 lid 1 BGfo, en is art. 78 lid 1 (oud) BGfo vervallen (zie hiervoor in 3.2.5). Omdat art. 77 lid 8 BGfo is gebaseerd op art. 4:20 Wft, vormt de verplichting tot het verstrekken van het in art. 65b lid 1 BGfo bedoelde informatiedocument nu eveneens een essentiële informatieplicht (art. 6:193f, aanhef en onder e, BW).

Bij de invoering van art. 77 lid 8 BGfo heeft de wetgever niet onderkend dat, nu in de Richtlijn verzekeringsdistributie of in een ander Unierechtelijk instrument voor schadeverzekeringen geen bepalingen zijn opgenomen over het “herroepingsrecht” als bedoeld in art. 16ter Richtlijn consumentenrechten (de opvolger van art. 6 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten, geïmplementeerd in art. 6:230x BW), voor de verzekeraar een verplichting moet bestaan om de consument over het bestaan van het herroepingsrecht te informeren overeenkomstig art. 16bis lid 1, onder p, Richtlijn consumentenrechten (art. 16bis lid 10, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten). Richtlijnconforme interpretatie van art. 77 lid 8 BGfo brengt daarom mee dat die bepaling niet afdoet aan de werking van art. 77 lid 1, aanhef en onder o, BGfo (zie hiervoor in 3.2.4).

Op grond van art. 86i lid 4 BGfo is de verzekeraar verplicht om, indien na de totstandkoming van de verzekering andere kosten bij de consument in rekening worden gebracht dan de premies en voorzienbare kosten, voor die bijkomende kosten te voldoen aan de in art. 86i lid 1 BGfo opgenomen verplichting om informatie te verstrekken over, kort gezegd, aspecten van de dienstverlening van de adviseur die over de verzekering heeft geadviseerd.

Correct, duidelijk en niet misleidend

3.2.8 De informatie die de verzekeraar ter voldoening aan de hiervoor in 3.2.2 als essentieel aangemerkte informatieplichten verstrekt of beschikbaar stelt, dient ingevolge art. 4:19 lid 2 Wft correct, duidelijk en niet misleidend te zijn. Art. 6:193f, aanhef en onder e, BW verwijst niet mede naar art. 4:19 lid 2 Wft. Niettemin dient de rechter bij de ambtshalve toetsing of de verzekeraar heeft voldaan aan zijn essentiële informatieplichten, vast te stellen, voor zover mogelijk, of de bedoelde informatie correct, duidelijk en niet misleidend is.

Verstrekking op duurzame drager

3.2.9 Vraag 1a houdt ook in of ambtshalve moet worden getoetst of de essentiële informatie voor en na sluiting van de overeenkomst is verstrekt op een duurzame drager.

De verplichtingen tot het verstrekken van informatie op een duurzame drager uit de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (art. 5 lid 1) en de Richtlijn verzekeringsdistributie (art. 23 leden 1, aanhef en onder a, en 2-6) zijn via art. 4:22 Wft geïmplementeerd in art. 49a BGfo. Anders dan het geval is met art. 6:230v lid 7 BW, waarin eveneens een verplichting is genoemd om informatie op een duurzame gegevensdrager te verstrekken, wordt art. 4:22 Wft (en art. 49a BGfo) niet genoemd in art. 6:193f BW. In zoverre moet de hiervoor bedoelde vraag ontkennend worden beantwoord (zie hiervoor in 3.2.2, slot).

Met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 is de situatie inmiddels in die zin gewijzigd, dat de nu in art. 16bis lid 6 Richtlijn consumentenrechten opgenomen verplichting om informatie op een duurzame gegevensdrager te verstrekken, via art. 4:20 Wft is geïmplementeerd in art. 77 lid 1, aanhef, BGfo. Op grond daarvan moet de naleving van die verplichting nu wel ambtshalve worden getoetst. Dat geldt niet voor de specifiek voor schadeverzekeraars geldende (vervangende) verplichting tot verstrekking op een duurzame drager van het informatiedocument, bedoeld in art. 65b lid 1 BGfo (art. 77 lid 8 BGfo). Weliswaar is de verplichting tot het verstrekken van dat informatiedocument als zodanig nu te beschouwen als een essentiële informatieplicht (zie hiervoor in 3.2.7), maar de verplichting om dat op een duurzame drager te doen is, zoals hiervoor vermeld, via art. 4:22 Wft geïmplementeerd in art. 49a BGfo, welke bepalingen niet zijn genoemd in art. 6:193f BW. Daarentegen vindt de verplichting van de verzekeraar om informatie over het ontbindingsrecht/herroepingsrecht van art. 6:230x BW te verstrekken op een duurzame drager (art. 77 lid 1, aanhef en onder o, BGfo; zie hiervoor in 3.2.7), zijn grondslag in art. 4:20 Wft en dient de naleving van die verplichting dus wél ambtshalve te worden getoetst.

Slechts essentiële informatieplichten relevant

3.2.10 In Arvato I zijn ook informatieplichten aan de orde gekomen waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt, en waarvan om die reden de naleving ambtshalve moet worden getoetst, maar die niet op grond van art. 6:193f BW als essentiële informatieplichten zijn aan te merken. In deze zaak zijn dergelijke informatieplichten niet aan de orde (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 6.29.1-6.29.4).

3.2.11 In verband met vraag 1a verdient duidelijkheidshalve nog opmerking dat de daar bedoelde informatieplicht over het hiervoor in 3.2.7 en 3.2.9 reeds genoemde art. 6:230x BW niet is opgenomen in art. 6:230x BW maar in de art. 77 lid 1, onder o, en 79 lid 1, onder e, BGfo.

In verband met vraag 1c verdient opmerking dat de verplichting tot het opmaken en verstrekken van het informatiedocument als bedoeld in art. 65b BGfo door de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 in art. 77 lid 8 BGfo met ingang van 28 augustus 2026 een essentiële informatieplicht in de zin van art. 6:193f BW is geworden (zie hiervoor in 3.2.7). De vraag of de verzekeraar heeft voldaan aan een op of na die datum ontstane verplichting om het informatiedocument in overeenstemming met art. 65b BGfo op te maken en te verstrekken, zal de rechter derhalve ambtshalve moeten toetsen.

3.2.12 Samengevat komt het antwoord op de vragen 1a, 1b(i) en 1c op het volgende neer. De rechter is in zaken over een op afstand gesloten overeenkomst van schadeverzekering verplicht tot ambtshalve toetsing of is voldaan aan de essentiële informatieplichten die hiervoor in 3.2.4-3.2.7 zijn genoemd. Daarbij dient de rechter vast te stellen, voor zover mogelijk, of de verstrekte of beschikbaar gestelde informatie correct, duidelijk en niet misleidend is. Ook van een op of na 28 augustus 2026 ontstane verplichting om het informatiedocument in overeenstemming met art. 65b BGfo op te maken en te verstrekken, dient de rechter de naleving ambtshalve te toetsen. Niet ambtshalve getoetst hoeft te worden of de essentiële informatie op een duurzame drager is verstrekt, behalve waar het gaat om de op Richtlijn (EU) 2023/2673 gebaseerde, uit art. 77 lid 1, aanhef en onder o, BGfo voortvloeiende verplichting om informatie over het ontbindingsrecht/herroepingsrecht van art. 6:230x BW te verstrekken op een duurzame drager.

3.2.13 Het antwoord op de vragen 1a, 1b(i) en 1c luidt zoals hiervoor in 3.2.2-3.2.12 vermeld.

Beantwoording van vraag 2 (indien geen verplichting tot ambtshalve toetsing)

3.3.1 Met vraag 2 wordt in de eerste plaats gevraagd of de rechter, in gevallen dat hij niet verplicht is ambtshalve te toetsen of bepaalde informatieplichten uit de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie zijn nageleefd, ook niet ambtshalve mag toetsen of die informatieplichten zijn nageleefd.

3.3.2 De rechter kan op de voet van art. 24 lid 2 Rv met partijen bespreken of jegens de consument aan bepaalde informatieplichten is voldaan. De rechter heeft evenwel – buiten de gevallen dat hij tot ambtshalve toetsing verplicht is – niet de vrijheid om buiten hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen dan wel, in hoger beroep, buiten het door de grieven ontsloten gebied, aan de constatering dat jegens de consument aan bepaalde informatieplichten niet is voldaan ambtshalve gevolgen te verbinden.

3.3.3 Met vraag 2 wordt verder gevraagd of de omstandigheid dat de rechter niet verplicht is tot ambtshalve toetsing van bepaalde informatieplichten, meebrengt dat consumenten op schending van die verplichtingen zelf geen beroep kunnen doen.

3.3.4 De omstandigheid dat de rechter in een bepaald geval niet tot ambtshalve toetsing verplicht is, staat niet eraan in de weg dat de consument in dat geval zelf een beroep doet op schending van een op de verzekeraar rustende informatieplicht uit de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie.

3.3.5 Het antwoord op vraag 2 luidt derhalve zoals hiervoor in 3.3.2 en 3.3.4 vermeld.

Beantwoording van vraag 4 (sancties)

3.4.1 Vraag 4 houdt in of, als niet of niet geheel is voldaan aan de informatieplichten, een sanctie moet worden opgelegd en, zo ja, wat dan een passende sanctie is.

3.4.2 Voor het verbinden van sancties aan de ambtshalve constatering dat niet is voldaan aan een of meer van de in deze zaak relevante essentiële informatieplichten, moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de in Arvato I gekozen benadering. Die benadering houdt kort gezegd het volgende in. De sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn. Voor zover de wet aan niet-naleving van een bepaalde informatieplicht een specifieke sanctie verbindt, past de rechter die sanctie toe. De rechter kan gehouden zijn de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te vernietigen, indien sprake is van een voldoende ernstige schending van een of meer essentiële informatieplichten. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst kan bestaan in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument. Indien de consument niet in de procedure is verschenen, kan de rechter slechts overgaan tot gedeeltelijke vernietiging, bestaande in een vermindering van de verplichtingen van de consument. Indien de consument in de procedure is verschenen en zich ertegen verzet dat de betrokken overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, heeft de rechter dat te respecteren. In geval van niet-naleving van een essentiële informatieplicht waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt, kan de rechter naast of in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie overgaan tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument indien de specifieke wettelijke sanctie in de gegeven omstandigheden niet voldoet aan de eis dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. Het verdient aanbeveling dat de rechter zich bij de toepassing van de sanctie van gedeeltelijke vernietiging richt naar met het oog daarop op te stellen, niet-bindende richtlijnen.

De wet voorziet in een specifieke sanctie

3.4.3 Voor enkele essentiële informatieplichten waarvan de rechter de naleving ambtshalve heeft te toetsen, voorziet de wet in een specifieke sanctie. Daarvan is sprake bij de in art. 6:230x leden 1-2 BW voorziene – in art. 6:230x lid 7 BW begrensde – verlenging van de aan de consument toekomende ontbindingsbevoegdheid zolang deze de informatie die de verzekeraar hem op grond van art. 4:20 lid 1 Wft dient te verstrekken (zie hiervoor in 3.2.4-3.2.8), niet – of niet op de juiste wijze (zie hiervoor in 3.2.9) – heeft ontvangen. Ook is van een dergelijke specifieke sanctie sprake bij de in art. 6:230y lid 2, aanhef en onder a, BW voorziene uitsluiting van het aldaar bedoelde recht op vergoeding indien de verzekeraar niet kan aantonen dat de consument overeenkomstig art. 4:20 lid 1 Wft over dat recht op vergoeding is geïnformeerd.

Dat de wetgever in de art. 6:230x en 6:230y BW specifieke wettelijke sancties heeft opgenomen die hun grondslag vinden in de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (inmiddels de Richtlijn consumentenrechten) en de Richtlijn verzekeringsdistributie, staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat de rechter naast of – in gevallen dat toepassing van de specifieke sanctie niet goed mogelijk of niet zinvol is – in plaats van toepassing van de specifieke wettelijke sanctie overgaat tot (verdere) vermindering van de verplichtingen van de consument om te bewerkstelligen dat de sanctie in de gegeven omstandigheden voldoet aan de eis dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. Er zijn geen aanwijzingen dat de specifieke sancties zoals geïmplementeerd in de art. 6:230x en 6:230y BW door de Uniewetgever bedoeld zijn als exclusieve sancties. Daarentegen blijkt uit de art. 11 en 13 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten dat van de lidstaten wordt verlangd dat zij voor inbreuken op de nationale bepalingen ter implementatie van de richtlijn voorzien in passende sancties, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en dat zij ervoor zorgen dat er passende en doeltreffende middelen zijn om de richtlijn in het belang van de consument te doen naleven. De intrekking van de richtlijn en de overbrenging van de regels over verkoop op afstand van financiële diensten naar de Richtlijn consumentenrechten heeft hierin geen verandering gebracht (vgl. de art. 23 en 24 lid 1 Richtlijn consumentenrechten). Art. 31 lid 1 Richtlijn verzekeringsdistributie verlangt van de lidstaten dat zij ervoor zorgen dat de autoriteiten bij schendingen van nationale bepalingen ter implementatie van de richtlijn (bestuursrechtelijke) sancties en andere maatregelen kunnen opleggen, die eveneens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Bij deze stand van zaken is er geen redelijke twijfel mogelijk dat het Unierecht voor de hiervoor omschreven benadering ruimte laat.

Grondslag voor vernietiging: art. 6:193 lid 3 BW

3.4.4 Een belangrijk verschil tussen deze zaak en Arvato I is erin gelegen dat de essentiële informatieplichten die in deze zaak aan de orde zijn, anders dan die in Arvato I, wettelijk zijn geregeld in de Wft en nader geregeld in het BGfo. Dit verschil is van belang, omdat art. 1:23 lid 1 Wft als volgt bepaalt:

“De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.”

Omdat voor de in deze zaak relevante essentiële informatieplichten in de Wft niet anders is bepaald, brengt art. 1:23 lid 1 Wft mee dat indien de verzekeraar een of meer van die informatieplichten niet heeft nageleefd, art. 3:40 lid 2 BW niet als grondslag kan dienen voor gehele of gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst.

Art. 1:23 lid 1 Wft laat wel ruimte voor de mogelijkheid om andere civielrechtelijke remedies toe te passen, bijvoorbeeld op grond van art. 3:40 lid 1 BW, onrechtmatige daad, wanprestatie of dwaling. Nu zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de in Arvato I gekozen benadering (zie hiervoor in 3.4.2), is van belang dat het niet-naleven van de op grond van art. 6:193f, aanhef en onder e, BW als essentieel te beschouwen informatieplichten een oneerlijke handelspraktijk oplevert (zie hiervoor in 3.2.2). Art. 6:193j lid 3 BW, dat mede een Unierechtelijke grondslag heeft in art. 11bis Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, houdt het volgende in:

“Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, is vernietigbaar.”

Op grond van art. 6:193j lid 3 BW kan voor de op grond van art. 6:193f, aanhef en onder e, BW als essentieel te beschouwen informatieplichten van de verzekeraar een met Arvato I vergelijkbaar resultaat worden bereikt. Daarbij zal de rechter, met het oog op een effectieve en evenredige bescherming van de consument, in gevallen van een voldoende ernstige schending van een essentiële informatieplicht als hiervoor bedoeld, kunnen uitgaan van een vermoeden dat de door de consument gesloten verzekering als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk is tot stand gekomen. Dat vermoeden kan door de verzekeraar worden weerlegd. Aan de weerlegging van het vermoeden zijn hoge eisen te stellen.

Aansluiting bij Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten?

3.4.5 De naar aanleiding van Arvato I in de praktijk gehanteerde ‘Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten’, inmiddels gewijzigd in ‘Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten’, is niet ontwikkeld met het oog op de essentiële informatieplichten die in deze zaak aan de orde zijn. Het ligt daarom niet voor de hand dat de rechter bij de toepassing van een sanctie in verband met niet-naleving van die essentiële informatieplichten, zonder meer bij de huidige versie van deze richtlijn kan aansluiten. Wel ligt het voor de hand dat de richtlijn met het oog op die informatieplichten wordt aangepast of aangevuld.

De consument maakt aanspraak op uitvoering van de verzekering

3.4.6 Indien de consument aanspraak maakt op uitvoering van de verzekering of zich beroept op de verzekeringsvoorwaarden, brengt dat niet zonder meer mee dat geen toepassing kan worden gegeven aan een ambtshalve toe te passen sanctie die bestaat in gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst. Zo’n gedeeltelijke vernietiging zal immers in beginsel slechts betrekking hebben op de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument. Een beroep op nakoming door de consument impliceert niet dat de consument zich verzet tegen oplegging van de sanctie aan de verzekeraar.

Richtlijn oneerlijke bedingen

3.4.7 Vraag 4 houdt ook in of met betrekking tot de vraag wat een passende sanctie is, een verschil is te maken tussen, enerzijds, het niet verstrekken van informatie in het kader van een informatieplicht en, anderzijds, het niet verstrekken van contractvoorwaarden in het kader van de toetsing op transparantie en oneerlijkheid ingevolge de Richtlijn oneerlijke bedingen.

Hiervoor in 3.4.2-3.4.6 is de ambtshalve taak van de rechter uiteengezet met betrekking tot het toepassen van sancties indien de rechter constateert dat niet is voldaan aan een of meer van de in deze zaak relevante essentiële informatieplichten. Hoe die taak, in het kader van de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten en de Richtlijn verzekeringsdistributie, zich verhoudt tot de, daarvan te onderscheiden, ambtshalve taak van de rechter in het kader van de Richtlijn oneerlijke bedingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. De in de eerste alinea bedoelde vraag leent zich daarom niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

3.4.8 Het antwoord op vraag 4 luidt derhalve zoals hiervoor in 3.4.2-3.4.7 vermeld.

Beantwoording van vraag 1b(ii) (toelaatbaarheid informatieverstrekking uiterlijk tegelijk met afgifte polis)

3.5.1 Vraag 1b(ii) strekt ertoe te vernemen of art. 78 lid 2, aanhef en onder a, (oud) BGfo, dat bepaalt dat de verzekeraar de in art. 77 BGfo bedoelde informatie, indien het een overeenkomst op afstand inzake een schadeverzekering betreft, in afwijking van art. 77 lid 1, aanhef, BGfo uiterlijk tegelijk met het afgeven van de polis verstrekt, in lijn is met de Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten.

3.5.2 Op de gronden, vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 9.6-9.14, is redelijke twijfel mogelijk over het antwoord op de hiervoor in 3.5.1 vermelde vraag. Voor het beantwoorden van de vraag zou het daarom nodig zijn om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU).

3.5.3 Achmea heeft in deze procedure betoogd dat zij jegens verzekeringnemer alle vereiste informatie voor het sluiten van de overeenkomst heeft verstrekt. Uit het vonnis van 25 april 2024 blijkt niet dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat Achmea een deel van de vereiste informatie niet voor het sluiten van de overeenkomst heeft verstrekt. Bij deze stand van zaken is een antwoord op de hiervoor in 3.5.1 bedoelde vraag nog niet nodig om op de vordering van Achmea te beslissen (art. 392 lid 1 Rv). De Hoge Raad ziet daarom af van beantwoording van vraag 1b(ii).

Beantwoording van vraag 3 (aan verstrekking op duurzame drager te stellen eisen)

3.6.1 Vraag 3 stelt aan de orde wanneer welke eisen moeten worden gesteld aan de verstrekking van informatie op een duurzame drager als bedoeld in art. 5 Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten (inmiddels art. 16bis lid 6 Richtlijn consumentenrechten) en in de art. 49a lid 2 en 78 lid 1 (oud) BGfo (inmiddels art. 77 lid 1 BGfo). Daarbij blijkt uit de toelichting op de vraag dat deze niet alleen betrekking heeft op het begrip duurzame drager, maar ook op de wijze van verstrekking van informatie op een duurzame drager, waarbij de kantonrechter verschillende mogelijkheden noemt: verzending van een pdf-bestand als bijlage bij een emailbericht, de mogelijkheid om door het klikken op een hyperlink in een e-mailbericht een pdf-bestand op een website te openen, dan wel plaatsing van een pdf-bestand in een zogenoemde ‘mijn-omgeving’ van de desbetreffende consument.

3.6.2 Het begrip duurzame drager is in verschillende Europese richtlijnen niet steeds op exact dezelfde wijze omschreven. Uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt niet dat onderscheid wordt gemaakt tussen de betekenis van het begrip in de verschillende richtlijnen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 10.14).

3.6.3 Zo houdt art. 2, onder f, Richtlijn verkoop op afstand van financiële diensten de volgende omschrijving in:

“duurzame drager: ieder hulpmiddel dat de consument in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt”.

Vergelijkbare omschrijvingen zijn opgenomen in art. 2 lid 1, onder 18, Richtlijn verzekeringsdistributie en in art. 2, onder 10, Richtlijn consumentenrechten.

3.6.4 Art. 1:1 Wft houdt de volgende implementatie in van het begrip duurzame drager:

“een hulpmiddel dat een persoon in staat stelt om aan hem persoonlijk gerichte informatie op te slaan op een wijze die deze informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk maakt”.

3.6.5 Uit de rechtspraak van het HvJEU, in het bijzonder zijn uitspraak inzake BAWAG, volgt welke eisen worden gesteld aan een duurzame drager: de consument moet de informatie kunnen opslaan, de informatie moet gedurende voldoende tijd toegankelijk blijven en ongewijzigd kunnen worden gereproduceerd (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 10.20 en 10.25). Of in een concreet geval aan deze eisen is voldaan, vergt een beoordeling van de omstandigheden van het geval.

3.6.6 Om vast te stellen of bepaalde informatie op een duurzame drager aan de consument is ‘verstrekt’, is op grond van rechtspraak van het HvJEU, in het bijzonder de uitspraken Content Services, BAWAG en Tiketa, het navolgende van belang.

Het verstrekken van informatie op een duurzame drager betreft een procedure van mededeling vanuit het oogpunt van de leverancier, waarvoor niet een specifiek optreden door degene voor wie de informatie is bestemd, is vereist (vgl. Content Services, punt 33).

De informatie moet persoonlijk aan de ontvanger worden gericht (vgl. Tiketa, punt 51, BAWAG, punt 50 en 53). Daartoe is niet voldoende dat de informatie beschikbaar is op een website van de aanbieder (vgl. Tiketa, punt 51). Uitgangspunt is dat de aanbieder de informatie bij de consument moet brengen en dat de consument passief kan blijven (vgl. Content Services, punt 35).

Wanneer het gebruik van een ‘mijn-omgeving’ is overeengekomen, volstaat dat de informatie wordt opgenomen in de ‘mijn-omgeving’ in combinatie met een persoonlijke kennisgeving aan de consument dat er in de ‘mijn-omgeving’ informatie is geplaatst (vgl. BAWAG, punt 51).

Deze persoonlijke kennisgeving moet worden gezonden naar een adres, waaronder een e-mailadres, dat de consument doorgaans gebruikt om met anderen te communiceren en waarvan de aanbieder en de consument hebben afgesproken om het te gebruiken (vgl. BAWAG, punt 51).

3.6.7 Ook de beoordeling of in een concreet geval aan de hiervoor in 3.6.6 samengevat weergegeven eisen is voldaan, vergt een beoordeling van de omstandigheden van het geval.

3.6.8 Voor een nadere uitwerking van de hiervoor in 3.6.5-3.6.6 vermelde maatstaven bij wijze van prejudiciële beslissing, bijvoorbeeld in verband met de aan een ‘mijn-omgeving’ te stellen eisen, leent vraag 3 zich niet.

3.6.9 Het antwoord op vraag 3 luidt derhalve zoals hiervoor in 3.6.2-3.6.8 vermeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.2.13, 3.3.5, 3.4.8, 3.5.3 en 3.6.9 weergegeven wijze;

- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van Achmea.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 9 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand