HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00807 P
Datum 3 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-002622-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
“16. Mocht u de verdediging volgen in diens primair gevoerde verweer dan wil ik u vragen om bij de oplegging van de uiteindelijk betalingsverplichting rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als het eerste hoger beroep. Daarnaast wil ik u vragen acht te slaan op de lengte van de procedure in zijn geheel welke momenteel al bijna 7 ½ jaar beslaat. [Voetnoot: Uitgaande van 10 oktober 2016 (startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv) als startpunt van de redelijke termijn.]
17. Het hof heeft de schending van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteert in de opgelegde gevangenisstraf maar het staat uw hof vanzelfsprekend vrij om hier alsnog in de ontnemingszaak een rechtsgevolg aan te verbinden. De verdediging zou dit met het oog op de lengte van de procedure in zijn geheel - en mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM waar in beginsel wordt uitgegaan van de vuistregel van grofweg 1 jaar per instantie - redelijk en billijk achten.
18. Mocht u de verdediging niet volgen in het primair gevoerde verweer en het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek afwijzen, dan wil ik Uw hof meer subsidiair vragen om op eenzelfde gronden als aangevoerd onder randnummers 16 en 17 rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en dit te verdisconteren in de op te leggen terugbetalingsverplichting.”
Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn overwogen:
“In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken.
In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli 2018. De rechtbank heeft binnen 2 jaren - namelijk op 19 maart 2019 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden.
Op 21 maart 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 juni 2021 arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en heeft die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden.
Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.”
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de betrokkene op behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM. Dit arrest houdt onder meer in:
“3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:
a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
(...)
Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.
Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of
b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of
c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.
Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.”
Het hof heeft het moment waarop in deze zaak de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken als bedoeld in artikel 311 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in eerste aanleg. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is – mede in aanmerking genomen dat door de verdediging niet is onderbouwd dat de betrokkene al bij de aanvang van dit strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem zo’n onderzoek werd ingesteld – ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de rechtbank van een ander aanvangsmoment is uitgegaan.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.