ECLI:NL:HR:2026:1678

ECLI:NL:HR:2026:1678

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer 25/00067
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2024:2386

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/00067

Datum 16 oktober 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 december 2024, nr. BK-23/1262, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/7557) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1. Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2. Beoordeling van de middelen

Stelplicht en bewijslast in geval aanspraak wordt gemaakt op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen

Middel I richt zich tegen het oordeel van het Hof dat een belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting van personenauto's en motorrijwielen, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Volgens het middel is die bewijslast(verdeling) in strijd met artikel 110 VWEU.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 3.2.6 van het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

De Nederlandse regeling inzake proceskostenvergoeding in het bestuursrecht; procedurele autonomie

Middel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, de fase van beroep en de fase van hoger beroep wordt vastgesteld op de voet van artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) overeenkomstig de in de bijlage bij dat besluit opgenomen aanwijzingen. Het middel voert aan dat belanghebbende op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aanspraak kan maken op een volledige vergoeding van de werkelijke kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, of iets wat die kosten ten minste sterk benadert. Het Hof mocht niet volstaan met een proceskostenvergoeding volgens het puntensysteem waarin het Besluit voorziet, omdat duidelijk is, aldus het middel, dat dit systeem slechts voorziet in een (zeer geringe) tegemoetkoming in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8.2 tot en met 4.10.6 van het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1244, ziet de Hoge Raad wat dit geschilpunt betreft geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.

Overige klachten

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand