HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 26/00856
Datum 16 oktober 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/711796/ FA RK 25-9528 van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2026.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft ten aanzien van betrokkene een (aansluitende) zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden.
(ii) De onafhankelijke psychiater die de medische verklaring ten behoeve van het onder (i) vermelde verzoek heeft opgesteld, heeft betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid onderzocht. In de medische verklaring is daarover het volgende opgenomen:
“Betrokkene is tijdig door zijn behandelaren geïnformeerd over deze beoordeling en heeft aan hen te kennen gegeven dat hij geen reden ziet om met onderzoeker in gesprek te gaan. Vanuit het dossier blijkt dat betrokkene voor de medische verklaringen van 08-02-2024 en van 16-01-2025 niet bereid was om met een onafhankelijk psychiater in gesprek te gaan. Na overleg met de Geneesheer-Directeur omtrent huidige beoordeling is besloten de medische verklaring te schrijven zonder dat betrokkene gesproken is.”
(iii) Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat bij die behandeling aanwezig waren betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en verder de behandelaar en een verpleegkundige.
(iv) De rechtbank heeft de verzochte zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:
“2.2. Gezien het feit dat betrokkene voor het opstellen van de medische verklaring niet persoonlijk is onderzocht, acht de rechtbank het noodzakelijk om, voorafgaande aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, in te gaan op de pogingen die door de onafhankelijk psychiater zijn gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. In de medische verklaring ontbreekt namelijk een uitgebreide toelichting daaromtrent.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de behandelaar desgevraagd verklaard dat betrokkene tijdig op de hoogte is gesteld van het onderzoek door de onafhankelijk psychiater. Betrokkene heeft daarop aangegeven dat hij niet met de onafhankelijk psychiater wilde spreken. Desondanks is gepoogd om betrokkene thuis te spreken. Betrokkene was echter op het aangekondigde moment niet aanwezig. Voor het opstellen van eerdere medische verklaringen, in 2024 en 2025, was het, ondanks verscheidene pogingen, eveneens niet mogelijk om betrokkene bereid te vinden zich persoonlijk te laten onderzoeken. Daarbij komt dat toen het onderwerp werd besproken tijdens de mondelinge behandeling, betrokkene niet heeft gevraagd alsnog met een onafhankelijk psychiater te kunnen spreken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de medische verklaring bruikbaar is voor de verdere beoordeling van het verzoek, ondanks dat geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Zij verwerpt daarmee het verweer van betrokkene dat de onafhankelijk psychiater meer pogingen had moeten doen om hem te spreken.”
3. Beoordeling van het middel
Het eerste middelonderdeel klaagt in de kern genomen dat de rechtbank niet op basis van de overgelegde medische verklaring een zorgmachtiging had mogen verlenen, omdat deze verklaring niet is opgesteld op basis van een medisch onderzoek van betrokkene in persoon, terwijl niet deugdelijk is uitgelegd waarom een onderzoek in persoon redelijkerwijs niet mogelijk was.
Volgens vaste rechtspraak dient de onafhankelijke psychiater het in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. Als de onafhankelijke psychiater de betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid heeft onderzocht, dient de onafhankelijke psychiater in de medische verklaring deugdelijk te motiveren waarom dit redelijkerwijs niet mogelijk was.
De rechtbank is in rov. 2.2 ingegaan op de pogingen die de onafhankelijke psychiater heeft gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken, omdat in de medische verklaring een uitgebreide toelichting daaromtrent ontbreekt. Aldus was de rechtbank kennelijk van oordeel dat de medische verklaring (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)) niet voldeed aan het vereiste (zie hiervoor in 3.2, laatste volzin) dat daaruit blijkt dat het voor de onafhankelijke psychiater redelijkerwijs niet mogelijk was betrokkene in diens fysieke aanwezigheid te onderzoeken. Dit gebrek kan, anders dan de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld, niet worden geheeld door de verklaring van een behandelaar van betrokkene op de mondelinge behandeling dat betrokkene niet met de onafhankelijke psychiater wilde spreken, of door de omstandigheid dat betrokkene zelf op de mondelinge behandeling niet heeft gevraagd alsnog met een onafhankelijke psychiater te kunnen spreken. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat uit de verklaringen van betrokkene ter zitting kan worden afgeleid dat hij niet bereid is tot een medisch onderzoek in persoon door de onafhankelijke psychiater.
Het oordeel van de rechtbank dat de medische verklaring bruikbaar is voor de verdere beoordeling van het verzoek hoewel geen persoonlijk onderzoek heeft plaatsgevonden, geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd. De hiervoor in 3.1 vermelde klacht slaagt.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2026;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 oktober 2026.