ECLI:NL:HR:2026:1682

ECLI:NL:HR:2026:1682

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 16-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer 25/02835
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:655
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2025:1760

Samenvatting

Schadestaatprocedure. Huurrecht. Schade huurder door tekortschieten verhuurder. Vervolg van HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854. Bewijslastverdeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/02835

Datum 16 oktober 2026

ARREST

In de zaak van

[de verhuurder] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

hierna: de verhuurder,

advocaat: J.C. Zevenberg, voorheen K. Aantjes,

tegen

[de huurder] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de huurder,

advocaat: A.A.M. Knol.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:

a. het arrest in de zaak ECLI:NL:HR:2022:854 van de Hoge Raad van 10 juni 2022;

b. de arresten in de zaak 200.315.488/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 juli 2024, 17 december 2024 en 8 juli 2025.

De verhuurder heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De huurder heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de huurder toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van de verhuurder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De verhuurder was eigenaar van een pand te [plaats] (hierna: het pand). De huurder huurde sinds 1994 de begane grond en kelder van het pand. Hij exploiteerde daarin een horecagelegenheid (hierna: het café).

(ii) De verhuurder heeft op de eerste verdieping van het pand een appartement gerealiseerd (hierna: het appartement). In 2002 heeft hij de Milieudienst West-Holland (hierna: de Milieudienst) ingeschakeld in verband met geluidsoverlast in het appartement als gevolg van de exploitatie van het café. De Milieudienst heeft vervolgens een last onder dwangsom opgelegd aan het café. Dit heeft geleid tot het verbeuren van dwangsommen. Nadat de Milieudienst tevergeefs een termijn had gegeven om maatregelen te treffen ter voorkoming van geluidsoverlast, is het café op 17 mei 2006 gesloten.

(iii) In een aan deze procedure voorafgegane procedure (hierna: de hoofdzaak), heeft de huurder onder meer gevorderd dat de verhuurder wordt veroordeeld tot schadevergoeding op grond van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat. De kantonrechter te Den Haag heeft de verhuurder veroordeeld tot vergoeding van de door huurder geleden schade als gevolg van het moeten sluiten van het café door het toerekenbaar tekortschieten van de verhuurder in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft dit vonnis bekrachtigd.

Deze procedure betreft een schadestaatprocedure, in vervolg op de hiervoor in 2.1 onder (iii) bedoelde hoofdzaak. De huurder vordert, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van de verhuurder tot betaling van € 831.974,83. De kantonrechter heeft de vordering van de huurder afgewezen. Het gerechtshof Den Haag heeft bij eindarrest het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd, en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

Dat hof heeft bij eindarrest de vonnissen van de kantonrechter, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en de verhuurder veroordeeld tot betaling aan de huurder van schadevergoeding. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 30 juli 2024 (hierna: het eerste tussenarrest) onder meer het volgende overwogen:

“4.16 (…) De betwisting door [de verhuurder] van de stelling van [de huurder] dat hij het volume van de muziek in het café heeft geminderd, zodat de terugloop van de omzet daaraan niet kan worden toegeschreven en daarmee dus ook niet aan het handelen van [de verhuurder], heeft [de verhuurder] onvoldoende onderbouwd. Dit was wel aangewezen in het licht van de door [de huurder] overgelegde verklaringen van de twee oud-werknemers die genoemd ander café schuin tegenover het café zijn begonnen. De ene oud-werknemer heeft verklaard dat toen het nieuwe café was geopend, de muziek in het café veel zachter stond en het veel minder druk was en de ander dat het vanaf 2002 significant minder druk was doordat de muziek op een aanzienlijk lager volume moest worden afgespeeld. (…) Anders dan [de verhuurder] betoogt spreken de door hem overgelegde stukken (…) onvoldoende tegen dat [de huurder] in de periode 2002-2006 het muziekvolume in het café substantieel heeft verlaagd. (…)

De rol die het in 2002 geopende café schuin tegenover het café bij dit alles heeft gespeeld, heeft het hof nog niet betrokken bij het bovenstaande, evenals de mogelijk hiermee samenhangende, althans op hetzelfde vlak liggende stelling van [de verhuurder] dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café. [De verhuurder] heeft van zijn stelling dat de omzetdaling van het café het gevolg is van het opstarten van dit concurrerend café tegenbewijs aangeboden door middel van het voordragen van genoemde twee oud-werknemers, genaamd (…) en (…). Aangezien [de verhuurder] hiermee een beroep doet op alternatieve causaliteit, is tegenbewijs niet aan de orde, maar heeft [de verhuurder] de bewijslast van deze stelling. Hij zal tot bewijslevering worden toegelaten.”

Het dictum van het eerste tussenarrest luidt onder meer als volgt.

“laat [de verhuurder] toe tot het bewijs van zijn stelling dat het omzetverlies van het café in de periode van 2002 tot en met 2006 het gevolg is van het opstarten van [café 1] in 2002 door (…) en (…) schuin tegenover het café;”

Voorts heeft het hof in zijn tussenarrest van 17 december 2024 (hierna: het tweede tussenarrest) onder meer als volgt overwogen:

“2.1 [De verhuurder] heeft het hof verzocht om duiding van de aan hem gegeven bewijsopdracht. Volgens [de verhuurder] bevat het dictum van het tussenarrest van 30 juli 2024 een kennelijke verschrijving, omdat r.o. 4.17 van dat tussenarrest een breder bereik heeft. Een kennelijke verschrijving is echter niet aan de orde. [De verhuurder] is slechts toegelaten tot het in het dictum genoemde probandum, omdat hij slechts ter zake van deze stelling een concreet bewijsaanbod heeft gedaan. In zoverre r.o. 4.17 een breder bereik heeft in die zin dat het hof daarin ook heeft weergegeven de meer algemene stelling van [de verhuurder] dat het publiek was uitgekeken geraakt op het café, is ter zake van dat bredere bereik geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan door [de verhuurder].”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel IV van het middel klaagt dat het hof met de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen heeft miskend dat de huurder overeenkomstig de hoofdregel als benadeelde de stelplicht en de bewijslast heeft ten aanzien van het causale verband. Het hof heeft voorts miskend dat de verhuurder geen specifiek bewijsaanbod hoefde te doen om tot het leveren van tegenbewijs te worden toegelaten, aldus het onderdeel.

De huurder, die zich in deze zaak op de rechtsgevolgen beroept van zijn stelling dat hij schade heeft geleden door de tekortkoming van de verhuurder, draagt ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast ter zake en daarmee ook van de feiten die volgens zijn stelling tot de conclusie zouden moeten leiden dat de omzetdaling van het café is veroorzaakt door het tekortschieten van de verhuurder. De verhuurder heeft betoogd dat de omzetdaling van het café niet is veroorzaakt door deze tekortkoming en in dat verband onder meer aangevoerd dat de omzetdaling het gevolg is van het opstarten van een concurrerend café schuin tegenover het café en van de omstandigheid dat het publiek was uitgekeken op het café. Dit betoog van de verhuurder vormt een betwisting van het causale verband tussen de tekortkoming van de verhuurder en de door de huurder gevorderde schade. Het oordeel van het hof komt er op neer dat de verhuurder de bewijslast draagt van de feiten waarmee hij de door de huurder gestelde causaliteit heeft betwist. Dit oordeel is onjuist. De eerste hiervoor in 3.1 genoemde klacht is dus gegrond. Dat geldt, in het voetspoor daarvan, ook voor de tweede hiervoor in 3.1 genoemde klacht.

De klachten kunnen bij gebrek aan belang evenwel niet tot cassatie leiden .

Het hof heeft in rov. 4.17 van zijn eerste tussenarrest twee door de verhuurder aangevoerde omstandigheden beoordeeld.

Ten eerste heeft de verhuurder aangevoerd dat schuin tegenover het café een concurrerend café is geopend. De klacht kan ten aanzien hiervan niet tot cassatie leiden , omdat de verhuurder tot bewijslevering van de aan dit betoog ten grondslag liggende feiten is toegelaten maar daarvan heeft afgezien omdat hem was gebleken dat het concurrerende café niet in 2002, maar in 2004 was geopend. Het hof heeft dit kennelijk, en niet onbegrijpelijk, aldus opgevat dat de verhuurder dit betoog heeft prijsgegeven (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.90).

Ten tweede heeft de verhuurder aangevoerd dat het publiek op het café was uitgekeken. Het hof heeft in rov. 2.1 van het tweede tussenarrest het bewijsaanbod ten aanzien van deze “meer algemene stelling” gepasseerd. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het van oordeel was dat de verhuurder zijn betoog op dit punt onvoldoende had onderbouwd. Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Bij die stand van zaken behoefde het hof de verhuurder op dit punt dan ook niet tot tegenbewijs toe te laten.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden . De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt de verhuurder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de huurder begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de verhuurder deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand