HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02768
Datum 16 oktober 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
1. [verweerster 1], zowel voor zichzelf als in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger haar minderjarige kinderen:
2. [verweerder 2],
3. [verweerder 3],
allen wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders],
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 22/02144, ECLI:NL:HR:2023:1531 van 10 november 2023;
b. de arresten in de zaak 200.341.103/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 december 2024 en 20 mei 2025.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 20 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 oktober 2026.