HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01442 Bv
Datum 3 februari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2025, nummer RK 24/020471, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] KG,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Duitsland),
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadslieden van de klaagster, A.H.J. Saes en M. te Stroet, hebben het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar enkel voor zover daarin aan de officier van justitie de opdracht is gegeven om toekomstige logbestanden (tijdig) aan het dossier toe te voegen.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank ten onrechte in haar beschikking op het door de klaagster ingediende klaagschrift aan de officier van justitie de opdracht heeft gegeven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier “ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak”. Het voert daartoe aan dat de wet niet voorziet in het geven van zo’n opdracht door de rechter in de beklagprocedure.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/01484 Bv, ECLI:NL:HR:2026:171, die betrekking heeft op een gelijkluidend beklag.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing het openbaar ministerie opdracht te geven toekomstige logbestanden (tijdig) toe te voegen aan het procesdossier;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.