HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 26/02439 CW
Datum 27 oktober 2026
ARREST
op het beroep in cassatie in het belang van de wet tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 januari 2026, nummers 01-332654-22 en 01-003372-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Het vonnis van de rechtbank
Bij vonnis van 30 januari 2026 heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld voor – kort gezegd – de in 2022 gepleegde strafbare feiten belaging, smaadschrift en vernieling. Aan de verdachte is met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen straf opgelegd.
2. Het cassatieberoep
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. De vordering strekt tot vernietiging van dat vonnis.
3. Waar het in deze zaak om gaat
De advocaat-generaal heeft in zijn vordering onder 3 samengevat waar het in deze zaak om gaat:
“De vraag die in deze vordering tot cassatie in het belang der wet centraal staat, is of het voorschrift van art. 38, derde lid, Sr, inhoudend dat (kort gezegd) naast TBS met voorwaarden maximaal vijf jaar gevangenisstraf mag worden opgelegd, ook gevolgen heeft voor de mogelijkheid om bij een volgende berechting een gevangenisstraf op te leggen en voor de maximale hoogte van die gevangenisstraf.”
4. De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft onder meer overwogen:
“Oplegging van straf.
(...)
strafblad
De rechtbank heeft gezien dat verdachte op 16 oktober 2024 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren en een TBS met voorwaarden. De rechtbank overweegt dat op grond van het bepaalde in artikel 38 lid 3 Sr bij een TBS met voorwaarden ten hoogste een vrijheidsstraf van 5 jaren kan worden opgelegd.
artikel 63 Sr
De hiervoor genoemde veroordeling heeft gevolgen voor de strafoplegging van de thans bewezenverklaarde feiten, omdat deze feiten op grond van het bepaalde in artikel 63 Sr gelijktijdig met die afgedane zaak berecht hadden kunnen worden. De achterliggende grondgedachte hiervan is dat de verdachte hierdoor het voordeel dat de samenloopbepalingen hem bij gelijktijdige berechting zou hebben geboden, is misgelopen. De rechter moet dan ook als het ware met terugwerkende kracht oordelen in hoeverre de eerdere strafoplegging doorwerkt in de strafoplegging van de feiten die gelijktijdig berecht hadden kunnen worden. Nu verdachte op 16 oktober 2024 tot een maximale combinatie van een maatregel en een vrijheidsstraf is veroordeeld, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor oplegging van een vrijheidsbenemende straf voor de thans bewezenverklaarde feiten. Artikel 38 lid 3 Sr verzet zich in dit geval tegen oplegging van een vrijheidsstraf.
rechterlijk pardon
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld en gegeven de huidige (detentie) en aanstaande (kliniek) setting van verdachte, zal de rechtbank bepalen dat aan verdachte geen enkele straf zal worden opgelegd. De rechtbank acht in de geschetste omstandigheden de oplegging van enige (extra) straf opportuun noch wenselijk.”
5. Juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 38 lid 1 en 3 Sr:
“1. Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in artikel 37b geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Als algemene voorwaarde geldt dat de ter beschikking gestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
3. Indien bij de uitspraak tevens een vrijheidsstraf wordt opgelegd, kan deze in het in het eerste lid van dit artikel bedoelde geval ten hoogste op vijf jaar worden bepaald.”
- Artikel 57 Sr, opgenomen in Titel VI (“Samenloop van strafbare feiten”) van het Eerste Boek (“Algemene bepalingen”) van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde strafbare feiten:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
- Artikel 63 Sr (ook opgenomen in Titel VI van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht) zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde strafbare feiten:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
In zijn arrest van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval waarin de rechter de verdachte veroordeelt voor een of meer misdrijven die zijn begaan voordat de verdachte is veroordeeld voor een of meer andere misdrijvena) de rechter moet nagaan wat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest als alle feiten gevoegd zouden zijn behandeld en dus tot één rechterlijke uitspraak zouden hebben geleid, terwijlb) hij in ieder geval geen hogere straf zal mogen opleggen dan overeenkomt met het hiervoor onder a) bedoelde maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen enc) hij in geen geval hoger mag straffen dan tot het maximum van de vrijheidsstraf die is gesteld op het door hem te berechten feit.
Artikel 63 (oud) Sr bepaalt over achtereenvolgende veroordelingen in verschillende strafzaken slechts dat in het daar nader omschreven geval de bepalingen van Titel VI van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht (artikel 55-62) van toepassing zijn. Uit artikel 63 (oud) Sr kan daarom niet worden afgeleid dat, als een persoon – na een eerdere veroordeling tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en een gevangenisstraf van vijf jaren overeenkomstig artikel 38 lid 3 Sr – opnieuw wordt veroordeeld voor een strafbaar feit dat is gepleegd vóór die eerdere veroordeling, artikel 38 lid 3 Sr (mede) van toepassing is. (Vgl., over de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5952, overweging 4.3 onder b.) Wel zal de rechter in zo’n geval bij de onder 5.2 bedoelde beoordeling acht moeten slaan op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.
6. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat artikel 38 lid 3 Sr, gelet op artikel 63 (oud) Sr, zich verzet tegen oplegging van een vrijheidsstraf.
Gelet op wat onder 5.3 is overwogen, is dat oordeel onjuist. Daarom slaagt het cassatiemiddel.
7. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet het vonnis van de rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C. Caminada als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, T. Kooijmans, T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2026.