HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/00731
Datum 23 oktober 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 januari 2025, nr. BK-24/147, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof van 13 juni 2024 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
Op 15 december 2023 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan in een geschil tussen belanghebbende en de Inspecteur over een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is volgens een op een afschrift van die uitspraak geplaatste datumstempel op 20 december 2023 aan belanghebbende verzonden.
De termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank eindigde op 31 januari 2024. Het door belanghebbende ingediende hogerberoepschrift is op 5 februari 2024 via het webportaal van het Hof ontvangen, dus na afloop van de voor het instellen van hoger beroep geldende termijn van zes weken (artikel 6:7 Awb in samenhang gelezen met artikel 6:24 Awb).
Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 13 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 8:54 Awb. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet gedaan.
Het Hof heeft bij uitspraak van 21 januari 2025 het verzet ongegrond verklaard. Het Hof oordeelde dat hetgeen belanghebbende voor toepassing van artikel 6:11 Awb heeft aangevoerd geen grond is om niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten omdat op basis daarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.
Volgens het Hof heeft belanghebbende zijn stelling dat de toepassing van de artikelen 6:7 en 6:11 Awb strijdig is met het Unierecht, niet onderbouwd. Om die reden is het Hof daaraan voorbijgegaan. Voor zover deze stelling zou zien op strijdigheid van de artikelen 6:7 en 6:11 Awb met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), faalt dit betoog volgens het Hof. Daarbij heeft het Hof gewezen op de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0637, en 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206.
3. Beoordeling van het middel
Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat de beslissing om het hoger beroep op grond van nationale bepalingen niet-ontvankelijk te verklaren in strijd is met het bepaalde in artikel 47 van het Handvest in samenhang gelezen met artikel 52 van het Handvest. Door voorrang te geven aan nationale bepalingen is belanghebbende de daadwerkelijke toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter ontnomen. Daarbij wijst het middel erop dat het Handvest pas in 2009 onderdeel is geworden van het recht van de Unie hetgeen het Hof met de verwijzing naar de hiervoor in 2.5.2 vermelde arresten van de Hoge Raad heeft miskend.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.
Op de nationale rechter rust de verplichting om de rechterlijke bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, te verzekeren. Tot die rechten behoort het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. De in artikel 47 van het Handvest bedoelde effectieve rechterlijke bescherming betreft de verschillende aspecten van de beroepsprocedure, waaronder het recht op toegang tot de rechter. Tenzij het Unierecht op specifieke rechtsgebieden daarover voorschriften bevat, behoort die inrichting tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Dit betekent dat elke lidstaat zelf de procesregels mag vaststellen voor de administratieve procedure en de gerechtelijke procedure ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen.
De door lidstaten vastgestelde procedureregels mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Verder volgt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest dat beperkingen op het in artikel 47 van het Handvest bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet zijn uitgesloten. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen worden gesteld, indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dergelijke beperkingen moeten bij wet worden gesteld en moeten het hiervoor bedoelde recht wezenlijk eerbiedigen.
In deze zaak stelt het middel specifiek aan de orde of de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest zich ertegen verzetten dat de rechter het beroep van een rechtzoekende niet in behandeling neemt en dus niet-ontvankelijk verklaart omdat het beroepschrift na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn wordt ingediend en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Het Unierecht bevat geen algemene regeling over de termijn waarbinnen een rechtsmiddel moet worden ingesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid. Dit betekent dat dit aspect van de toegang tot de rechter behoort tot de procedurele autonomie van lidstaten en, anders dan het middel betoogt, toepassing van nationaal procesrecht niet wordt uitgesloten.
Artikel 6:7 Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift in het bestuursrecht zes weken bedraagt.
Indien een beroepschrift na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 Awb is ontvangen, kan het beroep op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:11 Awb achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In geval van indiening van een beroepschrift is daarvan sprake indien:(i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.
Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van deze belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.
Verder biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 Awb het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het beroepschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen factoren zoals de hoedanigheid en de mate van deskundigheid van de indiener een rol spelen, en kan ook betekenis toekomen aan andere factoren zoals de informatie die het bestuursorgaan aan de indiener heeft verstrekt en de voortvarendheid waarmee de betrokkene alsnog beroep heeft ingesteld.
De artikelen 6:7 en 6:11 Awb zijn op grond van artikel 6:24 Awb van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie wordt ingesteld. Zij zijn op grond van artikel 8:55, lid 2, Awb (in hoger beroep in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb) van overeenkomstige toepassing indien verzet wordt gedaan tegen een uitspraak als bedoeld artikel 8:54, lid 2, Awb (in hoger beroep in samenhang gelezen met artikel 8:108, lid 1, Awb).
De hiervoor in 3.5.1 tot en met 3.5.4 beschreven regels betreffende de voor het gehele bestuursrecht geldende uniforme beroepstermijn en de niet-ontvankelijkheid bij overschrijding van die termijn, maken geen onderscheid tussen nationale vorderingen en vorderingen die aan het Unierecht kunnen worden ontleend. Die regeling is daarom in overeenstemming met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel.
Bij de beoordeling of een nationale procedurele bepaling het de rechtzoekende onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht van justitiabelen op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie rekening worden gehouden met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure.
In de rechtspraak van het Hof van Justitie is geoordeeld dat het met het recht van de Unie verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid, die zowel de belastingbetaler als de betrokken bestuursinstantie beschermt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht. Dergelijke termijnen maken de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten immers niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk, ook al leidt het verstrijken van deze termijnen per definitie tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingestelde vordering.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, gewezen vóór de inwerkingtreding van het Handvest, over de redelijkheid van de duur van beroepstermijnen kan zonder redelijke twijfel, worden afgeleid dat de in artikel 6:7 Awb voorgeschreven termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet zo kort is dat daarmee het instellen van een rechtsmiddel om aanspraken ontleend aan het recht van de Unie, bij de rechter geldend te maken, in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat voor het tijdig instellen van beroep niet is vereist dat het beroepschrift is voorzien van een motivering, dat de gronden nadien binnen een door de rechter te stellen redelijke termijn mogen worden verschaft of aangevuld, en dat beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet is voorgeschreven. Ook neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkheidverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De na inwerkingtreding van het Handvest gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie bevat geen aanwijzingen dat de hiervoor bedoelde oordelen over de duur van de in artikel 6:7 Awb voorgeschreven beroepstermijn zijn achterhaald dan wel moeten worden bijgesteld.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.6.1 tot en met 3.6.4 is overwogen, is het naar het oordeel van de Hoge Raad in het licht van de aldaar aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat met de in artikel 6:7 Awb in samenhang gelezen met artikel 6:11 Awb neergelegde regelingen het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte wezenlijk wordt geëerbiedigd en dat daarbij het in artikel 52, lid 1, van het Handvest bedoelde evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen. Voor zover het middel berust op een andere opvatting, faalt het.
Het middel voor het overige faalt ook. Hetgeen de Hoge Raad onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie heeft geoordeeld in de rechtsoverwegingen 3.7.2 en 3.7.3 van zijn arrest van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, brengt buiten redelijke twijfel mee dat artikel 267, derde alinea, VWEU niet eraan in de weg staat dat het Hof, als nationale rechterlijke instantie tegen de beslissingen waarvan het rechtsmiddel van beroep in cassatie openstaat, de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde grieven wat betreft de uitleg van het Unierecht verwerpt met inachtneming van de rechtspraak van de Hoge Raad daaromtrent, zelfs wanneer de Hoge Raad die rechtspraak heeft gewezen zonder prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te hebben gesteld.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.