ECLI:NL:HR:2026:177

ECLI:NL:HR:2026:177

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 24/03021
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1233
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:2444

Samenvatting

Moord door in 2019 in Kerkrade met mes in borst van zijn ex-partner te steken en haar hals door te snijden, art. 289 Sr. Levenslange gevangenisstraf opgelegd. 1. Is oplegging van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met eisen die art. 3 EVRM stelt als tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft met het oog op voorbereiding op eventuele terugkeer in samenleving? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. 3. Schriftuur benadeelde partij. Vordering b.p. t.a.v. vergoeding van affectieschade. Kan b.p. (oma van slachtoffer) worden aangemerkt als ‘naaste’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1114 m.b.t. verenigbaarheid van Nederlandse regeling van oplegging en tul van levenslange gevangenisstraf met eisen die art. 3 EVRM stelt. I.v.m. aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan veroordeelde vindt al in jaar nadat levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragskundige rapportage plaats (vgl. HR:2017:3185). Daarnaast voorziet Nederlandse wetgeving in uiteenlopende mogelijkheden van (psychiatrische) behandeling ter gelegenheid van tul van (levenslange) gevangenisstraf. Verder is van belang dat iedere tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde de mogelijkheid heeft om beslissingen die worden genomen over manier van tul te onderwerpen aan toetsing door (penitentiaire dan wel burgerlijke) rechter. Dit alles brengt met zich dat, ook in geval dat betreffende verdachte (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, oplegging van levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met eisen die art. 3 EVRM stelt, zoals deze blijken uit rechtspraak EHRM. Enkele omstandigheid dat beslissingen over aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van tul van levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het in zoverre bij oplegging van die straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen, leidt daarbij niet tot ander oordeel (vgl. HR:2019:600). Hof heeft levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op o.m. aard en buitengewone ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf en met strafoplegging ook na te streven doel om maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd ernstig gewelddadig gedrag van verdachte. Daarbij heeft hof o.m. betrokken eerder gewelddadig gedrag van verdachte, hoog recidiverisico op soortgelijke delicten en omstandigheid dat behandeling i.h.k.v. maatregel van TBS met dwangverpleging dit recidiverisico niet afdoende zal doen afnemen. Bij afweging om niet TBS met dwangverpleging maar levenslange gevangenisstraf op te leggen, heeft hof in aanmerking genomen dat ook bij tul van die straf aan verdachte noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden geboden, zo nodig ook buiten inrichting waar straf wordt tenuitvoergelegd. ’s Hofs op deze overwegingen gebaseerde oordeel dat opleggen van levenslange gevangenisstraf aan verdachte niet in strijd is met art. 3 EVRM, getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 121, 59, 59 en 121 dagen kan worden toegepast. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793, inhoudende dat voor toewijsbaarheid van vordering b.p. niet bewijs(minimum)regels van WvSv gelden maar regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Uit wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW blijkt dat wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden zeer nauwe band met slachtoffer te hebben. Ruimere kring van gerechtigden zou volgens wetgever de beheersbaarheid van regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van ernstig verlies. Tot kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens art. 6:107.2.g en 6:108.4.g BW ook ‘andere persoon’ die in zodanig nauwe persoonlijke relatie tot slachtoffer staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om o.g.v. deze (in wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide) bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd intensiteit, aard en duur van relatie (vgl. HR:2026:33). Beantwoording van vraag of b.p. kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in domein van b.p. bevindt. Voor verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door b.p. aangevoerde f&o en bij selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl. HR:2024:644). In geval waarin b.p. een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal b.p. de stelling dat sprake is van hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als rechter oordeelt dat b.p. daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat verdediging niet in voldoende mate in gelegenheid is geweest vordering te betwisten ligt het (tegen achtergrond van HR:2019:793) in de rede dat vordering b.p. n-o is en b.p. haar vordering bij burgerlijke rechter kan aanbrengen. Hof heeft vastgesteld dat b.p. de grootmoeder is van slachtoffer en dat b.p. tijdens jeugd van slachtoffer was benoemd tot haar voogd. Daarnaast heeft hof overwogen dat b.p. een nauwe en affectieve relatie had met slachtoffer en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door dood van slachtoffer. Bij zijn oordeel over vordering b.p. heeft hof verder tot uitgangspunt genomen dat beperkte kring van gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade en dat het daarbij gaat om partners, ouders en kinderen van overledene en om gevallen waarin sprake is van duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen of bij kleinkind dat door grootouder wordt grootgebracht. Voorts heeft hof overwogen dat b.p. niet tot kring van gerechtigden behoort die zo’n aanspraak hebben en dat onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan b.p. o.g.v. art. 6:108.4.g jo. 6:108.3 BW vergoeding van affectieschade kan vorderen. ‘s Hofs op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel dat vordering b.p. tot vergoeding van affectieschade i.v.m. overlijden van het t.t.v. bewezenverklaard feit 42-jarige slachtoffer n-o moet worden verklaard, getuigt in het licht van wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW en beperkingen van strafproces die voortvloeien uit wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03021

Datum 10 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 juli 2024, nummer 20-001418-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de advocaat A.P.M. Janssen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

Namens de verdachte hebben de advocaten Baumgardt en Van Berlo een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de toegepaste gijzeling met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , tot bepaling dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregelen gijzeling van respectievelijk 121, 59, 59 en 121 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel van de verdachte

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) oplevert. Het voert daartoe aan dat al ten tijde van de oplegging van de levenslange gevangenisstraf vaststaat dat aan de verdachte in de tenuitvoerleggingsfase niet de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden geboden om zich voor te bereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving.

Het hof heeft de verdachte voor moord veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Het hof heeft over de strafoplegging onder meer overwogen:

“Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn ex-partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] op 10 juli 2019 met voorbedachte raad om het leven gebracht door – kort gezegd – haar hart te doorklieven en haar hals door te snijden.

Het hof stelt voorop dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat in het algemeen als één van de ernstigste commune delicten wordt beschouwd. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het misdrijf moord is gesteld, te weten de zwaarste die de Nederlandse wet kent: een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt.

De verdachte heeft op klaarlichte dag, deels op de openbare weg, op een gruwelijke wijze het leven van [slachtoffer] beëindigd terwijl anderen daarvan getuigen waren. Daarmee heeft de verdachte onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de familie en naaste omgeving van [slachtoffer] . Dit blijkt ook uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen alsmede uit het ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht. Ook op de omstanders heeft hetgeen zij hebben gezien een diepe indruk achtergelaten. Zij hebben op klaarlichte dag in hun eigen straat moeten aanschouwen dat de verdachte hun buurtgenoot [slachtoffer] op een gruwelijke wijze letterlijk de keel heeft doorgesneden en er vervolgens vandoor is gegaan.

De verdachte heeft tot op de dag van vandaag de schuld steeds in de schoenen van [slachtoffer] geschoven en nooit echt de verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Hij heeft diverse malen verklaard te betreuren wat er is gebeurd, maar blijft stellig volhouden dat het een ongeluk was tijdens een vechtpartij die door toedoen van [slachtoffer] zelf is ontstaan en uit de hand is gelopen. Hierdoor heeft de verdachte het leed van de nabestaanden vergroot. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van femicide: de verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] vermoord, omdat hij het niet kon verkroppen dat zij de relatie met hem had verbroken en contact had met een andere man. Hij beschouwde haar nog steeds als ‘zijn vrouw’ en noemde haar ook zo (dossierpagina 484). Nadat [slachtoffer] meermaals aangifte had gedaan van bedreiging en mishandeling door de verdachte en er zelfs onder de dwang van een kortgeding een contact- en locatieverbod was afgesproken, bleef de verdachte [slachtoffer] lastigvallen. Hierdoor durfde [slachtoffer] niet meer alleen het huis uit. De verdachte heeft ervoor gezorgd dat dit toch gebeurde, zodat hij zijn plan ten uitvoer kon leggen om [slachtoffer] te doden. De openlijke, brute, gewelddadige wijze was schokkend: in de eerste plaats voor [slachtoffer] zelf, haar naasten en de buurt waarin het zich afspeelde. Maar dit feit heeft ook de rechtsorde geschokt. Dit alles rekent het hof de verdachte aan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 mei 2024 en een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 januari 2022 betreffende het justitiële verleden van de verdachte in Nederland en Curaçao. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor ernstige geweldmisdrijven, waaronder doodslag, meermalen poging doodslag, poging zware mishandeling, bedreiging en huiselijk geweld, waarbij gevangenisstraffen zijn opgelegd en eenmaal tbs met bevel verpleging.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

In deze zaak staat het hof, evenals de rechtbank, voor de vraag of een tijdelijke gevangenisstraf al dan niet in combinatie met een tbs-maatregel opgelegd dient te worden, of dat een levenslange gevangenisstraf, zoals geëist door de advocaat-generaal, het meest passend is.

Terbeschikkingstelling

Ten aanzien van het gevaar voor recidive wordt door psychiater [naam 1] en GZ-psycholoog [naam 2] het navolgende gerapporteerd.

Hoewel boosheid en agressie door betrokkene worden ontkend, lijkt hij wel op enige wijze onlustgevoelens te ervaren die ontstaan op momenten van structuurverlies en dreigende verlating. Betrokkene kan hierin echter onvoldoende zelfcorrigerend handelen en doet dan een beroep op externe structurering. Ondanks dat er binnen het onderzoek veel structuur is waarbinnen betrokkene betrekkelijk stabiel kan functioneren, worden ook hier aanwijzingen gezien voor een beperkte frustratietolerantie en een beperkte agressieregulatie en impulscontrole. Betrokkene wordt boos op het moment dat zijn eigen gecreëerde realiteit onder druk komt te staan door confrontaties met feiten uit het verleden of (actueel) eigen gedrag. Dit leidt tot onrust en spanningen die betrokkene onvoldoende kan hanteren en integreren en die dan zichtbaar worden in zijn bozige gedrag waarbij hij boosheid ook afreageert op zijn omgeving.

(...)

Betrokkene is vanuit zijn stoornis beperkt in zijn vermogen om complexe situaties te overzien, was in zekere mate ook afhankelijk van de structuur en ondersteuning van het slachtoffer die hem zou hebben ondersteund in zijn financiën, en is daarnaast gevoelig voor krenking en afwijzing. Er is bij deze gevoeligheid ook sprake van een gebrekkige frustratietolerantie en agressieregulatieproblematiek die in betrokkenes levensloop bij herhaling opspeelt op de momenten van krenking of het beëindigen van relaties. Betrokkene signaleert bij zichzelf weliswaar dat spanningen oplopen, maar het lukt hem niet, ondanks zijn hulpvraag bij diverse instanties, zelfstandig deze oplopende druk en spanningen te reguleren. Hij komt dan toenemend onder druk te staan waarbij de ernst hiervan zowel door betrokkene als de buitenwereld moeilijk in te schatten is. Dat betrokkene op momenten ogenschijnlijk vrij normaal leek te functioneren, zegt weinig over de onderliggende ontregeling die gaande was bij betrokkene. Ook in andere scenario’s wanneer betrokkene geweld toepast wordt teruggezien dat er aan de oppervlakte weinig lijkt te spelen maar er uiteindelijk toch een hevige agressieve doorbraak plaatsvindt. Eerdere delicten maar ook het huidige ten laste gelegde (indien bewezen verklaard), worden uiteindelijke gekenmerkt door extreem en buitensporig geweld.

(...)

Het klinische recidiverisico op een aan het ten laste gelegde gelijkwaardige delict wordt door ondergetekenden hoog ingeschat. (...) Eerdere langdurige (klinische) behandeling binnen de tbs heeft weliswaar geleid tot een oppervlakkig adequaat niveau van functioneren, maar heeft onvoldoende verandering weten te bewerkstelligen binnen de persoonlijkheidsconstitutie van de verdachte en zijn vaardigheden ten aanzien van agressieregulatie en frustratietolerantie. Het is juist dit oppervlakkige adequaat functioneren dat een groot risico vormt. Hierdoor wordt er geen zicht verkregen op spanningsopbouw en naderende escalaties en lijkt de agressie van betrokkene als het ware uit niets te ontstaan.

De dynamieken en problemen die thans worden vastgesteld vertonen grote overeenkomsten met de delictscenario’s en persoonsbeschrijvingen uit het verleden en er wordt een zorgelijk patroon gezien van agressie in situaties waarin sprake is van (vermeende) verlating of krenking. Met name in relaties komen betrokkenes kwetsbaarheden onder druk te staan en kan dit gemakkelijk leiden tot problemen. Betrokkene geeft geen blijk van inzicht in de problematiek, ontkent gevoelens van agressie, kan niet reflecteren op zijn eigen handelen en is niet gemotiveerd om behandeling aan te gaan.

(...)

Er bestaat een hoog recidiverisico, vooral binnen de context van (intieme) relaties en vooral wanneer zijn kwetsbare identiteit onder druk komt te staan. Het is moeilijk te schatten in welke mate er sprake is van acuut gevaar omdat betrokkene ogenschijnlijk vanuit het niets zeer agressief kan worden. Binnen het onderzoek wordt ook waargenomen dat de spanning bij betrokkene onder druk oploopt en wordt door beide onderzoekers op momenten van confrontatie met bepaalde gebeurtenissen uit het verleden een zekere dreiging vanuit betrokkene ervaren die maakt dat er op bepaalde momenten gekozen wordt voor veiligheidsmaatregelen zoals het vroegtijdig afbreken van een gesprek of het voeren van het advies gesprek onder begeleiding van een tweetal beveiligingsmedewerkers.

De deskundigen verhalen in hun rapport van 12 mei 2020 over het incident uit april 2001, toen zijn toenmalige vrouw [betrokkene 4] met zijn kinderen op bezoek kwam bij de verdachte tijdens zijn verblijf in het kader van de eerder opgelegde tbs-maatregel in de Pompekliniek. De verdachte heeft daar het hoofd van [betrokkene 4] met twee handen vastgepakt en geprobeerd in haar rechteroog te bijten en het oog met zijn vinger eruit te trekken. Voorts stak de verdachte haar met een broodmes in het gezicht en hoofd. De verdachte schreeuwde hierbij tegen zijn kinderen ‘ik laat jullie zien hoe ik jullie moeder vermoord.’ Ook bij dit feit heeft de verdachte nooit de verantwoordelijkheid genomen en was er volgens de verdachte sprake van noodweer omdat de ander hem eerst zou hebben aangevallen.

Het hof neemt op basis van voormelde bevindingen van de deskundigen hun conclusie over dat er bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico op soortgelijke delicten als het onderhavige.

Anders dan de deskundigen is het hof echter van oordeel dat een behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging het recidiverisico niet afdoende zal verminderen. Niet alleen omdat de verdachte niet gemotiveerd is om wederom behandeld te worden. Het hof ziet ook te weinig perspectief in zo’n behandeling. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt immers dat het ogenschijnlijk goed kan gaan met de verdachte, maar dat hij dan toch onverwacht kan omslaan en overgaan tot ernstig agressief gedrag. Dit is ook gebeurd vóór, tijdens en na de eerdere langdurige (klinische) tbs-behandeling. Gelet op het feit dat de verdachte zelfs in een tbs-kader in het geheel niet te peilen is, ziet het hof geen heil in het wederom opleggen van een tbs-maatregel.

Gevangenisstraf

Nu de verdachte zich aan een zeer ernstig misdrijf schuldig heeft gemaakt, in het verleden eerder is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten, een lange klinische tbs-behandeling het grote gevaar voor recidive niet heeft verminderd en de verdachte geen echte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, zijn naar het hof de grenzen van de mogelijke strafoplegging in beeld gekomen. Een tijdelijke gevangenisstraf, ook de maximale, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het door de verdachte gepleegde misdrijf, mede tegen de achtergrond van zijn eerdere gewelddadige gedrag, en het met de strafoplegging tevens na te streven doel om de maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd ernstig gewelddadig gedrag van de verdachte.

Daarom kan naar het oordeel van het hof uitsluitend een levenslange gevangenisstraf aan de orde zijn. De vaststelling dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen, staat daaraan gelet op de buitengewone ernst van het feit en de noodzaak de maatschappij blijvend tegen de verdachte te beschermen, niet in de weg. Het hof zal deze straf dan ook, conform de vordering van de advocaat-generaal, opleggen.

In antwoord op het verweer van de verdediging dat een levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM, stelt het hof voorop dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Nederlands recht voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling, dat in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf. Dat betekent dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Voorts kan niet worden gezegd dat voor de verdachte onvoldoende duidelijk is welke criteria worden aangelegd bij de procedure van herbeoordeling. Bij de (ambtshalve) beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening komt het aan op de vraag of verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer gerechtvaardigd is. Daarbij komt betekenis toe aan het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie en dienen de in artikel 4, vierde lid, Besluit Adviescollege levenslanggestraften genoemde criteria, waaronder het recidiverisico en de delictgevaarlijkheid in aanmerking te worden genomen.

Toegespitst op de persoon van de verdachte en in het geval van oplegging van een levenslange gevangenisstraf heeft in het bijzonder nog het volgende te gelden.

De beslissingen over het aanbieden van op rehabilitatie gerichte activiteiten worden pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf genomen. Dat betekent voor de fase van berechting door het hof dat in het geval van de oplegging van levenslange gevangenisstraf het hoogst onzeker is hoe dat aanbod tegen die tijd vorm krijgt. Weliswaar achten de deskundigen slechts een behandeling in een tbs kader aangewezen. Het hof stelt vast dat in het geval van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan verdachte ingevolge de regeling in het Wetboek van Strafvordering aan hem ook in het bestek van de tenuitvoerlegging daarvan de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kan worden geboden, zo nodig ook buiten de inrichting waar de straf ten uitvoer wordt gelegd.

Bij die stand van zaken kan in het licht van wat door de raadsman is aangevoerd, niet worden aangenomen dat reeds thans – in de fase van berechting – moet worden aangenomen dat het opleggen van de levenslange gevangenisstraf in strijd is met artikel 3 EVRM. Het hof verwerpt aldus het verweer in al zijn onderdelen.”

In zijn arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114 is de Hoge Raad ingegaan op de verenigbaarheid van de Nederlandse regeling van de oplegging en de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf met de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen:

“2.3.1 De strafrechter heeft op grond van artikel 10 van het Wetboek van Strafrecht de mogelijkheid – voor zover de wet dat toelaat – aan een verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen. De oplegging van een levenslange gevangenisstraf is, zoals de Hoge Raad al eerder onder verwijzing naar rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) heeft geoordeeld, op zichzelf niet in strijd met artikel 3 EVRM, ook niet als de opgelegde gevangenisstraf volledig wordt tenuitvoergelegd (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, rechtsoverweging 3.2).

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt echter ook dat “the imposition of an irreducible life sentence on an adult may raise an issue under Article 3”. Daarbij wijst het EHRM erop dat “for a life sentence to remain compatible with Article 3, there must be both a prospect of release and a possibility of review”. Op grond van artikel 3 EVRM moet onder meer een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf bestaan, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of tot (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Volgens de rechtspraak van het EHRM heeft daarbij als uitgangspunt te gelden (i) dat de (eerste) herbeoordeling niet meer dan 25 jaren na oplegging van de levenslange gevangenisstraf plaatsvindt, (ii) dat na die termijn periodiek de mogelijkheid van herbeoordeling wordt geboden, en (iii) dat de herbeoordeling met voldoende procedurele waarborgen is omgeven. (Vgl. HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747, rechtsoverweging 3.3.)

Herbeoordeling door de rechter kan een belangrijke waarborg vormen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met artikel 3 EVRM plaatsvindt (HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, rechtsoverweging 3.3). De wetgever heeft vooralsnog niet in zo’n herbeoordelingsprocedure voorzien. Gekozen is voor een stelsel waarin de beslissingen over het aanbieden van re-integratieactiviteiten en gratieverlening worden genomen door de minister (of de staatssecretaris). Daarnaast voorziet het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna: Besluit ACL) in een regeling over de advisering en de besluitvorming over het aanbieden van zogeheten re-integratieactiviteiten aan levenslanggestraften, mede met het oog op eventuele gratieverlening.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185 de sinds 2017 bestaande herbeoordelingsprocedure getoetst aan de eisen die, gelet op de rechtspraak van het EHRM, voortvloeien uit artikel 3 EVRM. Kort gezegd houdt dat arrest in dat het Nederlandse recht met die procedure voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Bij dat oordeel heeft de Hoge Raad in het bijzonder betekenis toegekend aan de beoordelingsmogelijkheden van de penitentiaire rechter in de fase van de tenuitvoerlegging – waar het gaat om beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, alsook beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof – en van de burgerlijke rechter in relatie tot beslissingen over gratieverlening.

Verkorting van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf kan plaatsvinden door het verlenen van gratie. De beoordeling door de burgerlijke rechter van de beslissing over gratieverlening is aan de orde gekomen in het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747. Daarin heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat, kort gezegd, de – op verzoek of ambtshalve – genomen beslissing om geen gratie te verlenen, door de minister moet worden gemotiveerd. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als daarmee wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. In dat geval moeten ook de redenen voor het afwijken van dat advies worden opgegeven. De Hoge Raad heeft in dat arrest verder overwogen dat de veroordeelde – zowel in geval van ambtshalve beoordeling als in geval van een afgewezen gratieverzoek – met betrekking tot die beslissing het oordeel kan inroepen van de burgerlijke rechter over de vraag of de redenen die zijn opgegeven voor het niet-verlenen van gratie en (voor zover dat het geval is) voor het afwijken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, de beslissing kunnen dragen.

Bij de beoordeling over het verlenen van gratie (al dan niet in voorwaardelijke vorm) moeten de in artikel 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria in aanmerking worden genomen. Daarnaast moet rechtspraak van het EHRM die betrekking heeft op de verenigbaarheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM, in acht worden genomen. Daarom komt het bij de toepassing van de maatstaf van artikel 2, aanhef en onder b, van de Gratiewet – die inhoudt of met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend – aan op de vraag of gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in artikel 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria, verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Daarbij is van belang dat die in artikel 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria – het recidiverisico; de delictsgevaarlijkheid; het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie; de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding – telkens in onderlinge samenhang moeten worden betrokken in de afweging die ten grondslag ligt aan de beslissing over gratieverlening. Ook op dit punt komt een zeer groot gewicht toe aan het advies van het gerecht dat de levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd. Deze criteria mogen niet zo strikt worden toegepast dat vrijlating alleen is toegelaten bij een ernstige ziekte of een ander fysiek beletsel dat in de weg staat aan de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, dan wel bij het bereiken van een hoge leeftijd (vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rechtsoverweging 3.3). Bij het nemen van de beslissing over gratieverlening kan in beginsel geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan “de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding”, zoals bedoeld in artikel 4 lid 4 Besluit ACL.

De beoordeling door de burgerlijke rechter richt zich erop of de motivering van de beslissing over de gratieverlening ervan blijk geeft dat de in artikel 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria en de eisen die artikel 3 EVRM stelt, in toereikende mate zijn betrokken bij het nemen van de beslissing over gratieverlening. Als de burgerlijke rechter tot het oordeel komt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is omdat de opgegeven redenen deze beslissing niet kunnen dragen, kan de burgerlijke rechter de Staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek (zie bijvoorbeeld gerechtshof Den Haag 19 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:73). Bij het nemen van die nieuwe beslissing zal acht moeten worden geslagen op de overwegingen die de burgerlijke rechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. De (motivering van die) nieuwe beslissing kan wederom ter beoordeling aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd.

In het arrest van 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat de burgerlijke rechter, op een daartoe strekkende vordering, de verdere tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf kan verbieden als de (periodieke) herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf – ambtshalve of naar aanleiding van daartoe strekkende gratieverzoeken – niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van die straf heeft geleid terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd met artikel 3 EVRM is.

Aan de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen (i) de vraag of – nadat een levenslange gevangenisstraf is opgelegd – de (verdere) tenuitvoerlegging van die straf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt, en (ii) de vraag of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt, gelet op de manier waarop de herbeoordelingsprocedure is ingericht.

Of in het individuele geval sprake is van strijd met artikel 3 EVRM bij de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, is primair afhankelijk van het verloop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en, in verband daarmee, de zorgvuldigheid waarmee in het concrete geval beslissingen van de minister en andere betrokkenen tot stand komen. De noodzakelijke rechtsbescherming in het individuele geval wordt hierbij geboden in de procedures bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter. In deze procedures kan ook rechtsbescherming worden geboden bij het uitblijven van beslissingen. Zo nodig – dat wil zeggen: als dat nodig is om te voorkomen dat in het individuele geval artikel 3 EVRM zal worden geschonden – kan de burgerlijke rechter komen tot een verbod tot verdere tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf.

Bij de beantwoording van de vraag of, gelet op de eisen die artikel 3 EVRM stelt, de door de wet geboden mogelijkheid om een levenslange gevangenisstraf op te leggen, buiten toepassing zou moeten worden gelaten, is het volgende van belang. Een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde persoon kan op grond van artikel 3 EVRM er niet zonder meer – dat wil zeggen: ongeacht hoe tijdens de tenuitvoerlegging van de straf de in artikel 4 lid 4 Besluit ACL genoemde criteria moeten worden gewaardeerd – aanspraak op maken dat de aan hem opgelegde straf op enig moment daadwerkelijk wordt verkort. Dat in bepaalde gevallen niet tot het verlenen van gratie wordt overgegaan dan wel dat (anderszins) met het doorlopen van de herbeoordelingsprocedure een groot tijdsverloop is gemoeid, betekent op zichzelf niet dat de levenslange gevangenisstraf als zodanig ‘de facto irreducible’ is. Het komt bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf aan op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de vereisten die artikel 3 EVRM daaraan stelt. De Hoge Raad heeft deze vraag tot op heden bevestigend beantwoord, mede in het licht van de bestaande mogelijkheden om de beslissingen die worden genomen over de manier van tenuitvoerlegging en over het al dan niet verlenen van gratie, te onderwerpen aan toetsing door de (penitentiaire dan wel burgerlijke) rechter.

Dat het huidige stelsel van herbeoordeling als geheel voldoende waarborgen biedt dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met artikel 3 EVRM plaatsvindt, sluit niet uit dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd omdat is gebleken dat een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of tot (voorwaardelijke) invrijheidstelling, ontbreekt. Dat oordeel zal dan moeten berusten op toereikende feitelijke vaststellingen over de manier waarop de betreffende regeling in de praktijk wordt toegepast, die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek op de terechtzitting ter sprake is gekomen, en waaruit volgt dat, ondanks de genoemde waarborgen, de levenslange gevangenisstraf als ‘de facto irreducible’ moet worden aangemerkt. Daarbij zal niet alleen betekenis toekomen aan de omstandigheid of en, zo ja, hoe vaak gratie wordt verleend, maar ook aan eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen. Naarmate meer ervaring wordt opgedaan met herbeoordelingsprocedures, mag worden verwacht dat verbeteringen worden aangebracht in de inrichting van het stelsel (ook waar het gaat om de voorbereiding van die herbeoordeling door middel van re-integratieactiviteiten) en ten aanzien van het bewaken en het bevorderen van een tijdige doorloop van de procedure. Als voor een goed verloop van de onder 2.3.2 beschreven herbeoordelingsprocedure, waarin beslissingen worden genomen door de minister, ook in de toekomst telkens interventies van de penitentiaire en/of de burgerlijke rechter nodig zouden zijn, komt daaraan, naarmate de tijd verstrijkt, een steeds groter gewicht toe bij de beoordeling of sprake is van structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk.

In de conclusie van de advocaat-generaal worden onder 7.14 - 7.16 tekortkomingen genoemd in de tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf. Daarbij wordt verwezen naar een geval waarin de minister in weerwil van de aan hem verstrekte adviezen door onder andere het Adviescollege levenslanggestraften en het gerecht dat de straf had opgelegd, een veroordeelde langdurig niet toeliet tot re-integratieactiviteiten en waarin een beslissing tot gratieverlening het resultaat was van meerdere procedures bij de burgerlijke rechter. Ook wordt genoemd het ontbreken van duidelijke (wettelijke) termijnen in de gratieprocedure, en de beperkte mate waarin – sinds de invoering van het stelsel van herbeoordeling – invulling en toepassing is gegeven aan de bevoegdheid van de ambtshalve gratieverlening. Hoewel hiermee gezichtspunten zijn benoemd die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM (zie bijvoorbeeld over het belang van duidelijke termijnstelling onder andere EHRM 4 oktober 2016, nr. 37871/14 en 73986/14 (T.P. & A.T./Hongarije), overweging 49), blijkt uit de in de conclusie van de advocaat-generaal opgenomen informatie ook dat onder de werking van dat stelsel gratieverlening niet is uitgebleven en dat de rechtspraak van de burgerlijke rechter erin heeft geresulteerd dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en de minister hieraan opvolging heeft gegeven en in voorkomende gevallen vervolgens is overgegaan tot gratieverlening. Daarmee bestaat momenteel onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van het huidige stelsel in alle gevallen of in een veelheid van gevallen de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM zal verlopen.”

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of de oplegging van de levenslange gevangenisstraf ook in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt als een tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, met het oog op de voorbereiding op een eventuele terugkeer in de samenleving.

Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst van belang dat, in verband met het aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan de veroordeelde, al in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragskundige rapportage plaatsvindt (vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, rechtsoverweging 3.5.5). Daarnaast voorziet de Nederlandse wetgeving – zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.11 – in uiteenlopende mogelijkheden van (psychiatrische) behandeling ter gelegenheid van de tenuitvoerlegging van de (levenslange) gevangenisstraf. Verder is van belang dat iedere tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelde de mogelijkheid heeft om de beslissingen die worden genomen over de manier van tenuitvoerlegging te onderwerpen aan toetsing door de (penitentiaire dan wel burgerlijke) rechter.

Dit alles brengt met zich dat, ook in het geval dat de betreffende verdachte (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt, zoals deze blijken uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (waaronder EHRM 26 april 2016, nr. 10511/10 (Murray/Nederland) en EHRM 9 mei 2023, nr. 37928/20 (Horion/België)). De enkele omstandigheid dat beslissingen over het aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het in zoverre bij de oplegging van die straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen, leidt daarbij niet tot een ander oordeel (vgl., over het aanbieden van op rehabilitatie gerichte activiteiten, HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600, rechtsoverweging 10.3).

Het hof heeft een levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op onder meer de aard en de buitengewone ernst van het door de verdachte gepleegde misdrijf en het met de strafoplegging ook na te streven doel om de maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd ernstig gewelddadig gedrag van de verdachte. Daarbij heeft het hof onder meer betrokken het eerdere gewelddadige gedrag van de verdachte, het hoge recidiverisico op soortgelijke delicten en de omstandigheid dat een behandeling in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dit recidiverisico niet afdoende zal doen afnemen. Bij de afweging om niet terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege maar een levenslange gevangenisstraf op te leggen, heeft het hof in aanmerking genomen dat ook bij de tenuitvoerlegging van die straf aan de verdachte de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden geboden, zo nodig ook buiten de inrichting waar de straf wordt tenuitvoergelegd.

Het op deze overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat het opleggen van de levenslange gevangenisstraf aan de verdachte niet in strijd is met artikel 3 EVRM, getuigt – gelet op wat onder 3.3 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel faalt.

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel van de verdachte

Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 364 dagen.

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 122, 60, 60 en 122 dagen gijzeling.

Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar. Daartoe zal de Hoge Raad ten aanzien van de vier schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd telkens een dag in mindering brengen op het door het hof vastgestelde aantal dagen.

5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 2] is voorgesteld

Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot vergoeding van affectieschade. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat deze benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij. Dat verzoek houdt onder meer in:

“Affectieschade

(...)

Licht hier uw relatie tot het slachtoffer toe (...):

grootmoeder, voogd, opvoeder

(...)

Gevorderd bedrag: € 20.000.”

Het begeleidend schrijven van de advocaat van de benadeelde partij bij dat verzoek houdt onder meer in:

“Ondergetekende behartigt de belangen van:

- [benadeelde 3] , geboren: [geboortedatum] 1959, en

- [benadeelde 2] , geboren: [geboortedatum] 1940,

in hun hoedanigheid van nabestaanden van het slachtoffer, [slachtoffer] .

(...)

Achterliggende feiten

Verdachte heeft op 10 juli 2019 de destijds 42-jarige [slachtoffer] (geboren: [geboortedatum] 1976) van het leven beroofd.

(...)

Cliënten maken op grond van artikel 6:108 lid 3 BW aanspraak op een vergoeding van affectieschade.

(...)

[slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] . Cliënt, haar biologische vader, was op dat moment 16 jaar. Onder deze omstandigheid heeft cliënt [slachtoffer] formeel niet als zijn dochter erkend, maar werd zijn moeder, [benadeelde 2] , benoemd tot voogd van [slachtoffer] .

(...)

[benadeelde 2]

Vanwege de hiervoor geschetste minderjarigheid van haar zoon, [...] , werd cliënte benoemd tot voogd van [slachtoffer] (productie 3). Zij heeft van jongs af aan voor [slachtoffer] gezorgd, haar in huis opgenomen en alles gedaan voor en met [slachtoffer] dat een moeder doet. [slachtoffer] is opgegroeid in het gezin van cliënte. Niet alleen in juridische zin, maar ook feitelijk was cliënte de plaatsvervangende ouder van [slachtoffer] . Ook nadat [slachtoffer] naar Nederland kwam was cliënte nog steeds haar plaatsvervangende moeder, en [slachtoffer] beschouwde haar ook als haar moeder. Aan cliënte komt derhalve een vergoeding toe ex artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub c BW. (...) Ook cliënte doet, onder de hiervoor weergegeven motivering, subsidiair een beroep op artikel 6:108 lid 4 sub g BW.”

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade afgewezen en daartoe overwogen:

“Zij is de oma van [slachtoffer] en was tevens benoemd als haar voogd. Daarmee behoort zij niet tot de kring van gerechtigden voor affectieschade. Dat zij [slachtoffer] (mede) heeft opgevoed, maakt dit niet anders. Volgens de wet is immers vereist dat er ten tijde van de gebeurtenis, dus ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] , sprake was van een duurzaam gezinsverband, en dat is niet gebleken. Ook heeft zij onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die zouden maken dat zij een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Haar vordering tot vergoeding van affectieschade wordt daarom afgewezen.”

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij daar aangevoerd:

“De oma heeft [slachtoffer] opgevoed tot haar 18de en vervulde een moederrol. Op grond van de hardheidsclausule is er een gezinsverband nodig. Ik verwijs hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland ECLI:NL:RBNNE:2023:2478 waarbij er affectieschade is toegekend aan een stiefvader die vanaf het 4e levensjaar in beeld was. In dat geval had het slachtoffer van 2000 tot 2015 bij de stiefvader in huis gewoond en dat was niet meer het geval ten tijde van het bewezenverklaarde. Uit voormelde uitspraak volgt dat niet in het hetzelfde huis wonen, niet aan een (Hoge Raad: het vervolg van deze volzin ontbreekt in het proces-verbaal).”

Volgens dat proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar aangevoerd:

“Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen voor zover deze nog over zijn dient de rechtbank te worden gevolgd.”

Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen:

“Het hof stelt voorop dat het leed en het verdriet dat de nabestaanden is aangedaan niet ter discussie staat. Zij zijn en blijven hierdoor getekend. Los van de empathie en het medeleven dat het verdriet van de nabestaanden oproept, dienen de vorderingen van de nabestaanden echter op hun juridische merites beoordeeld te worden.

Affectieschade

Affectieschade betreft immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. Aanspraak op vergoeding van immateriële schade bestaat evenwel slechts indien en voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Vergoeding van affectieschade viel tot 2019 buiten de wettelijke regelingen. Om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken, moest er dan ook een wettelijke grondslag komen en daartoe is per 1 januari 2019 de wet gewijzigd. De wetgever heeft bepaald dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak mag maken op affectieschade. Het betreft partners, ouders en kinderen van de overledene alsmede gevallen waarin er sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.

Voorts is in artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.

(...)

[benadeelde 2] is de oma van [slachtoffer] en zij was tijdens haar jeugd benoemd tot voogd. (...) Voorts vordert [benadeelde 2] affectieschade. Zij behoort ingevolge artikel 6:108 leden 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek niet tot de kring van gerechtigden die een dergelijk verzoek kunnen indienen. De wetgever heeft wel voorzien in een restcategorie, maar hier valt [benadeelde 2] niet onder. Voor het hof is het volkomen helder dat zij een nauwe en affectieve relatie had met haar kleindochter en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door de dood van [slachtoffer] , maar van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de wetgever bij het maken van de restcategorie voor ogen heeft gestaan en op grond waarvan [benadeelde 2] dan zou verschillen van andere personen die hun naaste als gevolg van een misdrijf verliezen, is hier onvoldoende gebleken.”

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“Beoordeling en beslissing rechter

Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.

In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.

(...)

Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”

Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132) luiden artikel 6:107 en 6:108 BW:

- artikel 6:107 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van:

a. (...)

b. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat geleden door de in lid 2 genoemde naasten van de gekwetste met ernstig en blijvend letsel.

2. De naasten, bedoeld in lid 1 onder b, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de gekwetste;

b. de levensgezel van de gekwetste, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van de gekwetste is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de gekwetste is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de gekwetste heeft;

f. degene voor wie de gekwetste ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 1 onder b als naaste wordt aangemerkt.”

- artikel 6:108 BW:

“1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud:

(...)

3. Voorts is de aansprakelijke verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag of bedragen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden.

4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:

a. de ten tijde van de gebeurtenis niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of geregistreerde partner van de overledene;

b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;

c. degene die ten tijde van de gebeurtenis ouder van de overledene is;

d. degene die ten tijde van de gebeurtenis het kind van de overledene is;

e. degene die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft;

f. degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft;

g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”

De geschiedenis van de hiervoor genoemde wet van 11 april 2018 houdt onder meer in:

- de memorie van toelichting:

“Het tweede lid [van artikel 6:107 BW] bepaalt de kring van personen die recht op vergoeding van affectieschade hebben. Het uitgangspunt daarbij is dat die kring wordt beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Alleen in die gevallen is het gerechtvaardigd ervan uit te gaan dat het letsel van het slachtoffer voor deze personen een zo ernstig verlies betekent dat vergoeding op zijn plaats is. Zou de kring van gerechtigden te ruim worden getrokken, dan zou de beheersbaarheid van de regeling sterk afnemen en zou voorts onvoldoende zekerheid bestaan dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk van een ernstig verlies sprake is. In dat geval zou, gelet op de primaire functie van het recht op vergoeding van affectieschade, de waarde van de daarin gelegen erkenning van het geleden verlies door het recht in de praktijk sterk kunnen devalueren.

(...)

In onderdeel g is een hardheidsclausule opgenomen die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding van affectieschade toekent aan een persoon die niet tot de «vaste kring» van gerechtigden behoort. Voor affectieschade komt ingevolge dit onderdeel in aanmerking een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke betrekking tot de overledene staat, dat hij als naaste in de zin van derde lid wordt aangemerkt. In de consultatie is door DLR en het Verbond gevraagd om verduidelijking van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. (...) Een voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking kan zijn een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen, of een langdurige, hechte LAT-relatie. Ook elders in de wet wordt het begrip nauwe, persoonlijke betrekking gehanteerd (vgl. artt. 1:204, derde lid, en artikel 1:377a BW). Voor de rechtspraktijk is dit een werkbaar begrip gebleken. Indien een beroep wordt gedaan op onderdeel g zijn anders dan bij de meeste andere onderdelen discussies over de invulling daarvan niet uit te sluiten. Onderdeel g dient echter te worden bezien in het kader van het spanningsveld tussen de wenselijkheid van een eenvoudig uitvoerbare regeling en een regeling die toch ook ruimte biedt om in sprekende gevallen naasten, die zich lastig laten vatten in specifiek te benoemen categorieën, voor vergoeding van affectieschade in aanmerking te laten komen.”

(Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3, p. 13-15.)

- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

“De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt verstaan onder een «nauwe persoonlijke relatie» (artikel 6:107 lid 2, onder g en artikel 6:108 lid 4, onder g, van het wetsvoorstel). Zij vragen of halfbroers en -zussen hiertoe bijvoorbeeld ook behoren.

In voornoemde voorgestelde artikelonderdelen is kort gezegd opgenomen dat de persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overleden persoon, gerechtigd is tot de vergoeding van affectieschade. Dit betreft een hardheidsclausule, waarop in uitzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking dient een hechte affectieve relatie te worden aangetoond. Niet de formele maar de feitelijke verhouding is beslissend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen.

(...)

Het wetsvoorstel bevat een «gesloten regeling». Het gaat uit van een vaste groep van gerechtigden en van vaste bedragen. Dat voorkomt dat eenvoudig tot een oprekking van de regeling kan worden overgegaan. In een bijzonder geval kan evenwel beroep worden gedaan op een hardheidsclausule: een persoon die in een nauwe persoonlijke relatie staat tot de gekwetste of de overledene kan op grond van de redelijkheid en billijkheid als naaste in de zin van het wetsvoorstel worden aangemerkt, en daarmee als gerechtigde tot de vergoeding van affectieschade (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zoals deze komen te luiden ingevolge het wetsvoorstel). Hierdoor kan in een uitzonderlijk geval een andere naaste voor de vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De desbetreffende nauwe persoonlijke relatie moet worden aangetoond door de naaste. In voorkomende gevallen oordeelt de rechter uiteindelijk of aan die voorwaarde wordt voldaan. Ik verwacht daarom in dit geval geen eenvoudige oprekking van de regeling.”

(Kamerstukken I 2016/17, 34257, C, p. 6-7.)

- de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

“In uitzonderlijke gevallen kan een nauwe persoonlijke relatie met de gekwetste ook rechtvaardigen dat een naaste recht heeft op de vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule (zie artikel 6:107 lid 2, onder g, en artikel 6:108 lid 3, onder g BW zoals voorgesteld). Het is aan de naaste om deze nauwe persoonlijke betrekking aannemelijk te maken. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking is biologische verwantschap niet vereist. Biologische verwantschap kan bij de vraag of hiervan sprake is wel van belang zijn. Het is uiteindelijk aan de rechter om de bijzondere omstandigheden te wegen en te beslissen op de aanspraak op vergoeding van affectieschade. Een voorbeeld van een beroep op de hardheidsclausule van voornoemde artikelonderdelen is de situatie van twee broers die hun leven lang samenwonen en voor elkaar zorgen. Wordt één van hen het slachtoffer van een ongeval, dan kan de ander aanspraak maken op de vergoeding van affectieschade, omdat hun nauwe persoonlijke relatie dat rechtvaardigt.”

(Kamerstukken I 2017/18, 34257, E, p. 5.)

Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.

Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.(Vgl. HR 31 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.)

De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl., over een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW, HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, rechtsoverweging 3.3.3). In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het – tegen de achtergrond van het onder 5.3 weergegeven arrest – in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij de grootmoeder is van het slachtoffer [slachtoffer] en dat de benadeelde partij tijdens de jeugd van [slachtoffer] was benoemd tot haar voogd. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij een nauwe en affectieve relatie had met [slachtoffer] en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door de dood van [slachtoffer] . Bij zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij heeft het hof verder tot uitgangspunt genomen dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade en dat het daarbij gaat om partners, ouders en kinderen van de overledene en om gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt grootgebracht. Voorts heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij niet tot de kring van gerechtigden behoort die zo’n aanspraak hebben en dat onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, in samenhang met 6:108 lid 3 BW vergoeding van affectieschade kan vorderen.

Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt in het licht van de onder 5.4.2 weergegeven wetsgeschiedenis en de beperkingen van het strafproces die voortvloeien uit wat onder 5.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.

Het cassatiemiddel faalt.

6. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Omdat de opgelegde levenslange gevangenisstraf zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de na te noemen slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 Sv telkens gijzeling van na te melden duur kan worden toegepast:

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?