HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 26/01271
Datum 30 oktober 2026
ARREST
op het door [X1] en [X2] (hierna: belanghebbenden), vertegenwoordigd door G. Veldhuisen, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2026, nr. 24/3823.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbenden bij aangetekende brief van 18 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbenden opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 17 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbenden geplaatst waarbij belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld binnen vier weken mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 17 juni 2026 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbenden voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbenden dit bericht hebben ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 17 juni 2026. Belanghebbenden hebben van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.