HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00319
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2025, nummer 21-002715-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 9 juni 2021 te [plaats] [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] met een emmer tegen het gezicht te slaan.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-2, pagina’s 7 t/m 11, inclusief fotobijlagen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangeefster:
Op woensdag 9 juni 2021 omstreeks 12:00 uur bevond ik mij in mijn woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats]. (...) Sinds januari 2021 word ik geterroriseerd door mijn buurvrouw [betrokkene 1] van [a-straat] nummer [2]. (...) Ik hoorde een deur en toen wist ik meteen hoe laat het was. [betrokkene 1] is namelijk erg luid en met ferme stappen hoorde ik haar in mijn richting lopen. (...) Met forse kracht pakte zij mijn emmer ik hoorde haar schreeuwen en met luide stem roepen: Dief! Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige, krankzinnige!” (...) Tijdens dat ik omhoog kwam sloeg [betrokkene 1] mij met kracht tegen de rechterkant van mijn gezicht met mijn emmer. Ik voelde op dat moment direct pijn aan de zijkant van mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen mogelijkheid kreeg mijn hoofd te beschermen want vervolgens sloeg zij mij met kracht tegen de bovenkant van mijn hoofd, ook met mijn emmer. Ik voelde een enorme pijn waardoor ik nu een hele zware hoofdpijn heb. Daarna kreeg ik de emmer deels in mijn gezicht waardoor ik nu een wondje heb boven mijn bovenlip en waardoor de binnenkant van mijn onderlip kapot is. Tevens heb ik door de klap een zwelling aan de rechterzijde van mijn neus.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-4, pagina’s 27 t/m 31, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:
Ik stond voor mijn keukenraam. Ik keek naar buiten en ik zag dat zij mijn emmer had. Ik dacht heey dat is mijn emmer. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn emmer terug te vragen. Ik wees naar mijn emmer en ik vertelde haar: Heey, dat is mijn emmer.
3. De vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1].”
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen over het letsel en de wijze waarop dat is ontstaan niet zodanig inconsistent zijn dat ze onbetrouwbaar moeten worden geacht. De verklaring van aangeefster dat zij door verdachte met een emmer tegen het gezicht is geslagen, wordt bovendien ondersteund door het bij aangeefster geconstateerde letsel en door de verklaring van verdachte dat zij naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer. Het hof zal de verklaring van aangeefster dan ook voor het bewijs gebruiken en concludeert dat verdachte aangeefster op 9 juni 2021 met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Ik verzoek uw hof tot slot cliënte vrij te spreken omdat haar verklaring over wat is voorgevallen wordt ondersteund door min of meer objectief en/of geloofwaardig bewijsmateriaal, maar ook door de logica. Ten minste kan niet worden uitgesloten dat wat cliënte verklaart onaannemelijk is.
(...)
In haar aangifte stelt cliënte dat zij uit haar keukenraam zag dat [aangeefster] haar emmer had. Cliënte liep uit de voordeur langs haar en de emmer en zag dat de emmer inderdaad van haar was. Dan luidt het:
‘Ik wees naar de emmer en zei: “dat is mijn emmer”. Ik bukte naar voren om mijn emmer te pakken. Ik voelde ineens een harde klap op mijn hele rug. Ik voelde dat ze mij van achteren aanviel en ik voelde dat ze mij op mijn rug slagen gaf. Ik probeerde omhoog te komen, maar dat lukte niet. Ze sloeg ook met de emmer. Ik deed mijn armen voor mijn gezicht en over mijn hoofd. Ik probeerde weg te komen. Ik voelde dat ik nog steeds werd geslagen. Ik hoorde haar schelden op mij: “kutwijf, kutwijf”. Ik kwam iets omhoog en wilde richting mijn paadje lopen. Ik had nu mijn gezicht vrij. Op dat moment gooide ze een nat voorwerp in mijn gezicht. Ik voelde nat op de rechterkant van mijn gezicht en rechterborst, een zweepslag gevoel. Het deed erg veel pijn. Ik vluchtte naar binnen toe.’
(...)
Cliëntes verklaring over de omstandigheden is geloofwaardig gezien de volgende omstandigheden.
(...) Cliënte en [aangeefster] doen ongeveer tegelijk melding van mishandeling.
(...) Blijkens het relaas en het politieverhoor meldden [aangeefster] en cliënte het incident kort na elkaar aan de politie. [aangeefster] kennelijk om 14.39 uur en cliënte om 14.47 uur. Geconcludeerd moet daarom worden dat het slechts toeval was dat [aangeefster] het incident eerder meldde. Iets eerder slechts.
(...)
Cliëntes huisarts - dezelfde overigens als die van [aangeefster] - constateert een kras op cliëntes rug, maar ook krasjes op cliëntes onderarmen.”
Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)
Het hof heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden waarover de aangeefster heeft verklaard, in voldoende mate steun vinden in de andere gebruikte bewijsmiddelen. Dat oordeel is echter om de volgende redenen niet zonder meer begrijpelijk. Het door het hof vastgestelde letsel volgt niet uit iets anders dan uit de verklaring van de aangeefster. Daarnaast houden de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen slechts in dat de verdachte heeft verklaard dat het haar emmer was en dat zij naar buiten is gelopen om die emmer terug te vragen en dat zij ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1].
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.