HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01741
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 april 2024, nummer 20-000320-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo een schriftuur ingediend.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het eerste cassatiemiddel klaagt dat het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente (over de materiële schade van € 850,21) heeft bepaald op 22 april 2019, terwijl het gaat om schade die in december 2019 is ontstaan.
De klacht van het cassatiemiddel heeft betrekking op een gering financieel belang van ongeveer € 14. Gelet daarop heeft de verdachte onvoldoende belang bij gegrondbevinding van de klacht (vgl. HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558). Omdat ook de overige klachten over de uitspraak duidelijk niet kunnen slagen, zal de Hoge Raad gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.