HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03065
Datum 6 februari 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/409, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 22/277) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2. Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverweging 4.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84.
3. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen
De middelen slagen op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.1.2 en 5.2.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84.
4. Slotsom
Gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 en 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
Wat betreft het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 24/02855, 24/03064, 24/03065, 24/03066 en 24/03067 wat betreft de cassatieprocedure met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank, en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 2.802, oftewel € 560,40 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.