ECLI:NL:HR:2026:214

ECLI:NL:HR:2026:214

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 23/04359
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:1
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2023:2607

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bedrijfsmatige hennepteelt (in periode 2-12-2015 tot en met 23-12-2015) en “andere strafbare feiten” (medeplegen hennepteelt in periode 1-3-2013 tot en met 1-12-2015), art. 36e.2 Sr. Zijn er “voldoende aanwijzingen” dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit medeplegen hennepteelt voorafgaand aan de in strafzaak bewezenverklaarde periode? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1523 en HR:2021:1498 m.b.t. eisen aan vaststelling dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door betrokkene zijn begaan a.b.i. art. 36e.2 Sr. Hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene, naast het in strafzaak bewezenverklaarde feit (medeplegen bedrijfsmatige hennepteelt in periode van 2-12-2015 tot en met 23-12-2015) andere strafbare feiten heeft begaan (medeplegen hennepteelt in periode van 1-3-2013 tot en met 1-12-2015). Voldoende aanwijzingen dat betrokkene die feiten al voor 2014 heeft begaan, kunnen echter niet z.m. worden afgeleid uit de door hof in aanmerking genomen f&o (in motivering schatting w.v.v.). Gelet hierop is oordeel van hof ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04307 P en met 23/04299 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/04359 P

Datum 10 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2023, nummer 23-002510-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten E.A. Blok en J. Vermaat bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat er ‘voldoende aanwijzingen’ zijn dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit hennepteelt voorafgaand aan de in de strafzaak bewezenverklaarde periode.

Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 141.108 en heeft daartoe onder meer overwogen:

Grondslag

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e lid 2 Sr).

De betrokkene is veroordeeld ter zake van het medeplegen van het bedrijfsmatig telen van hennep in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015 in/vanuit een pand aan de [a-straat 1] in [plaats] (knipperij), in/vanuit een pand aan de [b-straat 1] in [plaats] (drogerij) en in/vanuit een pand aan de [c-straat 1] in [plaats] (kwekerij). Het hof is van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan deze bewezen verklaarde periode eveneens schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 3 onder B van de Opiumwet, ten aanzien van de hennepkwekerij in het pand aan de [c-straat 1] in [plaats] , en dat hij uit al deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof gaat, evenals het ontnemingsrapport, uit van een kweekperiode van deze kwekerij van 1 maart 2013 tot 23 december 2015, op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Aantal oogsten en betrokkenheid van betrokkene

Op 23 december 2015 is in een kelder in een pand aan de [c-straat 1] in [plaats] een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen. In kweekruimte 1 stonden 383 potten. In deze potten hadden hennepplanten gestaan, waarvan een deel reeds was geknipt en een deel nog steeds in de kweekruimte lag. In kweekruimte 2 zijn 578 (potten met) hennepplanten aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat de twee kweekruimtes afzonderlijk zijn opgebouwd. Wel is aannemelijk dat er een week verschil zat tussen de kweekcyclussen, omdat de hennepplanten in kweekruimte 1 op 23 december 2015 werden geknipt terwijl de hennepplanten in kweekruimte 2 maximaal een week oud waren.

Het pand werd met ingang van 1 januari 2013 gehuurd op naam van [B] B.V., vertegenwoordigd door de [medebetrokkene 1] . De huurovereenkomst is gedateerd 22 december 2012. De aangetroffen omstandigheden wijzen erop dat het pand specifiek ten behoeve van de hennepteelt werd gehuurd. Er zijn geen omstandigheden aangetroffen waaruit zou blijken dat er andere werkzaamheden in het pand werden verricht. De kwekerij was zeer professioneel opgezet. Hij was voorzien van een geheel geautomatiseerd irrigatiesysteem en het klimaat in de kweekruimtes werd volledig automatisch geregeld door twee opticlimates.

Daarnaast zijn diverse goederen aangetroffen die zijn gebruikt voor het opbouwen van de kwekerij met een productiedatum daterend uit 2012 en januari 2013. Een aantal van deze goederen vallen onder de zogenoemde courante goederen, dat wil zeggen dat deze na de productie over het algemeen binnen een zeer korte tijd worden verkocht. De kweekruimtes waren opgebouwd uit OSB-platen van 8 november 2012, er waren pvc-buizen gebruikt van 16 juni 2012, de buizen die werden gebruikt voor de irrigatie in de kweekruimtes waren van 3 september 2012, het verwerkte water van de opticlimates werd afgevoerd met een pvc-buis van 16 januari 2013 en de buizen voor de elektrasnoeren van de assimilatielampen waren van 11 en 16 januari 2013. Bovendien zijn in een ruimte naast de kweekruimtes gebruikte bussen purschuim – dat in een ongeopende verpakking twaalf maanden houdbaar is – aangetroffen met een productiedatum van 9 augustus 2012.

Verder lag er een dikke laag stof op de houten bovenzijde van de kweekruimtes. Deze stoflaag was niet verstoord. Ook lag er stof op koolstoffilters, kappen van armaturen van assimilatielampen, een stoffilter van een koolstofcilinder, aanwezige elektra en rotorbladen van ventilatoren. In beide kweekruimtes was – naast deze grote stofvervuiling – op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten bovendien sprake van een extreme laag kalkafzetting. Voorts waren de houten latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen verkleurd. Ook het purschuim – dat onder invloed van UV licht langzaam wordt afgebroken – was ernstig verkleurd, waarbij de bovenlaag reeds was afgebroken.

Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden erop duiden dat de hennepkwekerij begin 2013, direct na de aanvang van de huurovereenkomst van het pand, in de kelder is opgebouwd. Dat deze kwekerij pas in juli 2015 door de betrokkene en de [medebetrokkene 1] zou zijn opgezet, is ongeloofwaardig.

Dat het pand aan de [c-straat 1] in [plaats] vanaf 1 januari 2013 specifiek voor de hennepteelt werd gehuurd, leidt het hof ook af uit de verklaring van de [medebetrokkene 2] , in combinatie met de onderzoeksbevindingen. Hij heeft verklaard dat hij in 2014 bij het knippen van hennep betrokken is geraakt en dat de betrokkene en de [medebetrokkene 1] degenen waren die ‘s ochtends de hennep(-planten) in blauwe olievaten kwamen brengen en die ‘s avonds de geknipte en gesealde henneptoppen in een grote boodschappentas kwamen ophalen. Hij wist dat [medebetrokkene 1] toen al een locatie op zijn naam had staan waar hennep werd gekweekt. Uit zijn verklaring blijkt verder dat hij in 2015 ook zelf een hennepkwekerij op zijn naam heeft gehad, althans in zijn kledingzaak “ [A] ”. “Puur voor de hennep was deze kledingzaak opgezet. (...) De hennepkwekerij werd als een bedrijf vermomd. (...) zo gingen ze te werk”, aldus [medebetrokkene 2] . Volgens hem ging het om bedrijven die eigenlijk niet bestonden. [betrokkene 1] had de leiding en hij heeft [medebetrokkene 1] horen zeggen dat hij bij [betrokkene 1] zijn belasting moest doen. Deze verklaring van [medebetrokkene 2] wordt ondersteund door het feit dat [medebetrokkene 1] , die sinds 12 oktober 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van [B] B.V. was, het bedrijf van [betrokkene 1] heef overgenomen en dit bedrijf nauwelijks omzet en winst maakte. In 2013 was de omzet € 30.449,-, in 2014 € 56.702,- en in 2015 € 48.982,-. In 2013 was de winst uit de onderneming € 13.500,-. [medebetrokkene 1] heef bij de Belastingdienst opgegeven dat hij in 2015 € 11.981,- aan nettoloon heeft ontvangen uit het bedrijf. In 2013 en 2014 heeft hij hieruit geen loon ontvangen. Deze cijfers staan in schril contrast met de huurprijs van het pand aan de [c-straat 1] in [plaats] van € 21.000,- per jaar. Daarnaast is in de woning van [betrokkene 1] aan de [d-straat 1] in [plaats] , onder andere op een USB-stick, diverse (financiële) administratie van [B] B.V. aangetroffen. Ook in een pand aan de [e-straat 1] in [plaats] – welk pand in gebruik was bij (onder andere) [betrokkene 1] – is op een laptop (financiële) administratie van het bouwbedrijf aangetroffen, waaronder bankafschriften. Op deze bankafschriften valt op dat rond de datum van de maandelijkse huurbetaling van het pand aan de [c-straat 1] in [plaats] telkens een contante geldstorting plaatsvindt van een groter bedrag dan de maandelijkse huurprijs van € 1.750,-.

Er rekening mee houdend dat de opbouw van een hennepkwekerij als de onderhavige maximaal twee maanden zal duren, gaat het hof gelet op het voorgaande uit van een kweekperiode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015. Op basis van een kweekcyclus van tien weken, hebben er in kweekruimte 1 dertien gerealiseerde oogsten plaatsgevonden en in kweekruimte 2 veertien gerealiseerde oogsten.

Zoals vermeld, heeft de [medebetrokkene 1] , als vertegenwoordiger van [B] B.V., het pand op 22 december 2012 gehuurd met ingang van l januari 2013. Wat betreft de langer durende betrokkenheid van de betrokkene wijst het hof – naast op de reeds weergegeven verklaring van de [medebetrokkene 2] – voorts nog op het volgende. De [medebetrokkene 3] heeft in januari 2016 bij de politie verklaard dat zij ten behoeve van het knippen van hennep zogenoemde werktelefoontjes heeft gekregen van de betrokkene, al vanaf een jaar geleden of zo. De [getuige 1] – de bewoner van de knipperij aan de [a-straat 1] in [plaats] – heeft verklaard dat in de kelder van zijn woning meermalen wiet is geknipt, acht à negen keer, en dat de betrokkene dit regelde. [getuige 1] verhuurde de kelder aan de betrokkene en heeft altijd met hem gecommuniceerd. Volgens [getuige 1] kwamen de betrokkene en [medebetrokkene 1] altijd samen in een busje. Ter terechtzitting heeft de betrokkene verklaard dat de bij [getuige 1] geknipte hennep afkomstig was van de [c-straat 1] in [plaats] en dat hij, samen met [medebetrokkene 1] , deze hennep in blauwe vaten met een busje daar naartoe heeft gebracht. De [getuige 2] – een broer van de [medebetrokkene 2] , die ook hennep heeft geknipt – heeft verklaard dat hij meermalen hennep bij [getuige 1] heeft geknipt en dat hij daar ook de betrokkene en [medebetrokkene 1] heeft gezien.

De verweren van de verdediging dat de betrokkene vanwege zijn medische situatie niet eerder betrokken kan zijn geweest en dat hij niets heeft verdiend aan de hennepteelt, zijn in het licht van hetgeen hierboven is overwogen onvoldoende onderbouwd en vinden geen steun in het dossier. Deze verweren worden door het hof verworpen.

(...)

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt.

Opbrengst

Kweekruimte 1:

(…)

Totale opbrengst: € 34.169,73 x 13 oogsten € 444.206,49

Kweekruimte 2:

(…)

Totale opbrengst: € 42.466,82 x 14 oogsten € 594.535,48

Totale opbrengst beide kweekruimtes € 1.038.741,97

Kosten

Kweekruimte 1:

(…)

Totale kosten: € 5.402,17 x 13 oogsten € 70.228,21

Kweekruimte 2:

(…)

Totale kosten: € 7.097,27 x 14 oogsten € 99.361,78

(…)

Totale kosten € 192.089,99

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt:

€ 1.038.741,97 - € 192.089,99 = € 846.651,98 / 6 = (afgerond) € 141.108,00.”

Het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan, moet binnen het eigen kader voor het bewijs in de ontnemingsprocedure in overeenstemming zijn met de onschuldpresumptie. De in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ mogen daarom niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Ook moet de betrokkene de gelegenheid hebben aan te (doen) voeren dat en waarom er niet voldoende aanwijzingen bestaan dat andere feiten door hem zijn begaan. (Vgl. HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.)

Er is geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten, als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, door de betrokkene zijn begaan. Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr heeft begaan. (Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1498.)

Het hof heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene, naast het in de strafzaak bewezenverklaarde feit (kort gezegd: het medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt in de periode van 2 december 2015 tot en met 23 december 2015) andere strafbare feiten heeft begaan, te weten – kort gezegd – het medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 december 2015. Voldoende aanwijzingen dat de betrokkene die feiten al voor 2014 heeft begaan, kunnen echter niet zonder meer worden afgeleid uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, zoals onder 2.2 weergegeven. Gelet hierop is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?