ECLI:NL:HR:2026:219

ECLI:NL:HR:2026:219

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 24/02328
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1312

Samenvatting

Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Aanwezigheidsrecht, dubbel verstek. Verzuim vertaling van dagvaarding in hoger beroep te verzenden naar verdachte in buitenland, art. 36e.3 Sv. Had hof (enkelvoudige kamer) onderzoek ttz. moeten schorsen om alsnog Franse of Kroatische vertaling van dagvaarding in h.b. naar adres in Frankrijk van Kroatische verdachte te laten verzenden? O.g.v. art. 36e.3 Sv en mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 588.2 (oud) Sv worden dagvaardingen, gericht aan geadresseerde van wie woon- of verblijfplaats in buitenland bekend is, integraal vertaald in 1 van de talen van land waar geadresseerde verblijft dan wel, v.zv. aannemelijk is dat hij slechts andere taal machtig is, in die taal. Deze regel leidt slechts uitzondering in geval de dagvaarding bestemd is voor Nederlander die in buitenland woont en van wie bekend is dat hij Nederlands beheerst. Als verdachte niet ttz. verschijnt hoewel dagvaarding op wettige wijze is uitgereikt, kan rechter (behalve als sprake is van duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Indien aan stukken of verhandelde ttz. duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moet onderzoek ttz. (dat o.g.v. dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen) worden geschorst om verdachte in gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing moet in de regel plaatshebben als hiervoor genoemde verplichting tot vertaling van dagvaarding niet is nageleefd (vgl. HR:2019:962). Nu uit stukken niet volgt dat aan de in Frankrijk woonachtige verdachte met Kroatische nationaliteit een vertaling van dagvaarding in h.b. is verstrekt, moet ervan worden uitgegaan dat dit in strijd met art. 36e.3 Sv niet is gebeurd. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld had hof er daarom blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om dit verzuim te herstellen. Van zo’n onderzoek blijkt niet. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/02328

Datum 10 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2024, nummer 23-002484-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het voert daartoe aan dat hem in strijd met artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt.

De verdachte is in Frankrijk geboren en heeft de Kroatische nationaliteit. De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2. Kort samengevat volgt daaruit:

- op 14 juni 2022 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld;

- de aan de akte instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de advocaat van de verdachte aan de griffier van de rechtbank van 16 september 2022 houdt in dat de verdachte op dat moment verbleef op het adres [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk);

- de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 4 juni 2024 is op 11 april 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Verder is die dagvaarding op 11 april 2024 verzonden naar het adres van de verdachte in het buitenland ( [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk)).

Uit de stukken volgt niet dat aan de verdachte (op het adres [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk)) een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 houdt onder meer in:

“De verdachte, gedagvaard als

(...)

adres: [a-straat 1] , [plaats] (Frankrijk),

is niet ter terechtzitting verschenen.

De raadsman van de verdachte, mr. [betrokkene 2], advocaat te Utrecht, is evenmin ter terechtzitting verschenen.

Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

(...)

De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest direct uit.”

Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:

“Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”

De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.

- Artikel 36e lid 3 Sv:

“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”

- Artikel 5 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (hierna: EU-Rechtshulpovereenkomst):

“Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken

1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.

(...)3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal.4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.”

Artikel 588 (oud) Sv is bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door artikel 36e Sv. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 maart 2004, Stb. 2004, 107, waarbij artikel 588 lid 2 (oud) Sv is gewijzigd met het oog op de uitvoering van de EU-Rechtshulpovereenkomst, houdt over de verplichting tot vertaling van de dagvaarding in:

“Artikel 588

De wijziging van het tweede lid is het rechtstreeks gevolg van het sterk verplichtende karakter van artikel 5 van het EU-rechtshulpverdrag om gerechtelijke stukken per post toe te zenden.

Uit het gewijzigde tweede lid blijkt in de eerste plaats dat bij de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan personen in het buitenland ook rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in het toepasselijk verdrag. (...)

In de tweede plaats is besloten om bij deze gelegenheid ook de verplichting tot vertaling van gerechtelijke stukken die bestemd zijn voor een geadresseerde in het buitenland in zijn algemeenheid in de wet vast te leggen. Wat betreft de dagvaarding is, wegens het bijzondere belang van deze mededeling, voorgeschreven dat deze integraal worden vertaald, ten aanzien van de overige mededelingen kan worden volstaan met vertaling van de essentiële onderdelen. Mede naar aanleiding van een opmerking van de NVvR ter zake wordt hier nog het volgende opgemerkt. Doel van de vertaling is uiteraard dat betrokkene van de inhoud van het stuk gemakkelijk kennis kan nemen. In het geval nu een gerechtelijk stuk bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst, ligt het derhalve voor de hand dat het stuk niet in de taal van het land van verblijf behoeft te worden vertaald.” (Kamerstukken II 2001/02, 28351, nr. 3, p. 14.)

Op grond van artikel 36e lid 3 Sv en mede gelet op de onder 2.4.2 weergegeven wetsgeschiedenis worden dagvaardingen, gericht aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, integraal vertaald in één van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Deze regel leidt slechts uitzondering in het geval de dagvaarding bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst.

Als de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt hoewel de dagvaarding op wettige wijze is uitgereikt, kan de rechter – behalve als sprake is van duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Indien aan de stukken of het verhandelde op de terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moet het onderzoek op de terechtzitting – dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen – worden geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing moet in de regel plaatshebben als de onder 2.5 genoemde verplichting tot vertaling van de dagvaarding niet is nageleefd. (Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:962.)

Nu uit de stukken niet volgt dat aan de in Frankrijk woonachtige verdachte met de Kroatische nationaliteit een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt, moet ervan worden uitgegaan dat dit, in strijd met artikel 36e lid 3 Sv, niet is gebeurd. Gelet op wat onder 2.5 en 2.6 is vooropgesteld had het hof er daarom blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om dit verzuim te herstellen. Van zo’n onderzoek blijkt niet.

Het cassatiemiddel slaagt.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?