HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04624
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001142-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden zodat de zaak in zoverre opnieuw kan worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 03-047242-23 onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt en dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03-047242-23 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij, op 29 november 2022 te [plaats] , terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten een bestelauto, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig, (bestelauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“5. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 27-28, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 11 januari 2023, omstreeks 14.30 uur, was ik, verbalisant [verbalisant] , doende met de gecombineerde zaak artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 en de gepleegde identiteitsfraude met daarin dezelfde verdachte.
Naar aanleiding van mijn uitvraag tot herkenning op maandag 26 december 2022, van de door mij aangehouden verdachte op 29 november 2022, heb ik drie processen-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar ontvangen. Na meerdere herkenningen bleek de verdachte de volgende personalia te hebben:
Naam: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats]
Geslacht: man
Nationaliteit: Nederlandse
Burgerservicenummer: [0001]
Naar aanleiding van de opgegeven personalia bevroeg ik bovenstaand persoon in de politiesystemen. Ik zag dat [verdachte] een strafmaatregel en een vorderingsprocedure op naam had staan van het CBR en het OM parket Limburg met betrekking tot zijn rijbewijs.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.00 uur, had ik telefonisch contact met een medewerkster van het CBR. Ik hoorde dat de medewerkster mij het volgende mededeelde: “Op maandag 7 september 2020 is het rijbewijs van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] , ongeldig verklaard. Hij heeft niet voldaan aan de oproep tot een medisch onderzoek bij het CBR. Hij heeft volgens ons systeem op dit moment geen rijbewijs in zijn bezit”.
Op 11 januari 2023, omstreeks 15.15 uur, had ik telefonisch contact met het OM parket Limburg met betrekking tot de strafmaatregel op het rijbewijs van [verdachte] . Ik hoorde dat de medewerkster van het OM parket Limburg, afdeling executie, genaamd [naam], mij het volgende mededeelde: “Op 17 maart 2022, is de ontzegging van de rijbevoegdheid ondertekend. De ontzegging van de rijbevoegdheid is ingegaan op 7 april 2022 en duurt tot 29 september 2023”.
6. Proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 11 januari 2023, dossierpagina’s 77-78, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Datum en tijd feit : 29 november 2022 om 10.55 uur
Locatie : op de openbare weg, [a-straat] ter hoogte van nummer [1] , [plaats]
Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 29 november 2022 om 10:55 uur zag ik dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften heb ik het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [...]
Geboren : [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats : [geboorteplaats] in Nederland
Bedrijfsauto
Kenteken : [kenteken]
Merk/type : Mercedes Sprinter ( [...] )
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie(ën): B
Na onderzoek bleek dat ten aanzien van deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
Het rijbewijs is ongeldig verklaard door het CBR. De verdachte heeft niet voldaan aan het medisch onderzoek opgelegd door het CBR. De verdachte heeft tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen door het OM parket Limburg.
7. Proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2023, dossierpagina’s 100-103, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte] :
V = Vraag verbalisant
A = Antwoord/opmerking verdachte
V: Ben jij in het bezit van een geldig rijbewijs?
A: Nee.”
Overtreding van artikel 9 lid 2, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) is op grond van artikel 176 lid 2 en artikel 178 lid 1 WVW 1994 een misdrijf dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet uit de bewijsvoering allereerst blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124 lid 3 en 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. Opmerking verdient dat een tegen dat besluit door of namens de verdachte ingesteld administratief bezwaar of beroep niet leidt tot schorsing van het besluit tot ongeldigverklaring. Wel kan een geslaagd bezwaar of beroep meebrengen dat achteraf bezien de ongeldigverklaring nooit heeft gegolden. In de tweede plaats moet uit de bewijsvoering blijken dat na de ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit het rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens het besturen door de verdachte. In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat artikel 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; zo’n vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van artikel 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daarover niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, en ook niet uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. artikel 124 lid 4 en artikel 132 lid 5 WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden. (Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.)
Aan de overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest van 9 juli 2019 – waarin weliswaar niet is uitgesloten dat het bewijs dat is voldaan aan de daarin als eerste en tweede genoemde vereisten op een andere manier kan worden geleverd – ligt de gedachte ten grondslag dat het sterk aanbeveling verdient dat in zaken van dit type de bij die vereisten genoemde stukken deel uitmaken van de processtukken: te weten (a) een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring, (b) een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en (c) gegevens uit het rijbewijsregister. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat deze stukken, voordat de zaak op de terechtzitting wordt behandeld, bij de processtukken worden gevoegd (vgl. artikel 149a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering), zo nodig door daartoe deze stukken (alsnog) op te vragen bij het CBR. In voorkomend geval kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat die stukken alsnog bij de processtukken worden gevoegd. Daarmee wordt over die vereisten op eenvoudige en gestandaardiseerde wijze tijdig duidelijkheid geboden, wat een doelmatige behandeling en beoordeling van zaken van dit type ten goede komt. Ook wordt daarmee voorkomen dat het strafproces wordt belast met de (bewerkelijke) vraag of uit een ander samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat aan de genoemde vereisten is voldaan, wat in dit type zaken met het oog op een zinvolle aanwending van capaciteit in de strafrechtspleging vermeden zou moeten worden. Als het bewijs dat is voldaan aan de als eerste en tweede genoemde vereisten toch op een andere manier door de rechter wordt aangenomen, vergt dat in beginsel in zaken waarin de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd een nadere motivering waarin wordt uiteengezet hoe uit de gebruikte bewijsmiddelen is afgeleid dat aan die vereisten is voldaan. (Vgl. HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826.)
Gelet op de door het hof gebruikte bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat van de processtukken geen deel uitmaakt een mededeling van het CBR aan de verdachte met het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, en ook geen aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en hoe verzending van die mededeling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het hof heeft de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, nu uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte bekend is gemaakt en dat de verdachte op 29 november 2022 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03-047242-23 en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.