HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01699 E
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 19 april 2023, nummer 23-002642-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf wegens de geconstateerde inbreuk op het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat het door de verdachte op de markt gebrachte gewasbeschermingsmiddel D-Carvone was uitgezonderd van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, omdat dit middel viel onder artikel 1 lid 1, aanhef en onder III.f, van de Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen (oud) (hierna: Rub (oud)).
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 11 februari 2019 in Nederland, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, immers heeft hij D-Carvone, een gewasbeschermingsmiddel, op de markt gebracht terwijl dit in de betrokken lidstaat (Nederland) niet overeenkomstig genoemde verordening was toegelaten, immers was voor dit middel geen toelating door het Ctgb verleend, terwijl het middel wel als gewasbeschermingsmiddel, te weten kiemremmingsmiddel bij pootaardappelen werd verkocht en gebruikt.”
Het hof heeft over een door de verdediging gevoerd verweer onder meer overwogen:
“D-Carvone is (...) door de verdachte als gewasbeschermingsmiddel verkocht en door zijn kopers toegepast. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het middel als zodanig valt onder de thans geldende Verordening (EG) nr. 1107/2009 (de Verordening) en de Biocidenverordening (EU) 528/2012.
Volgens de verdediging is dat niet het geval, aangezien het middel zou vallen onder de in artikel 2, eerste lid, onder c van de Verordening genoemde uitzondering voor stoffen of middelen die vallen onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen. Die bijzondere communautaire bepaling zou dan in dit geval, zo begrijpt het hof, de EU-richtlijn 88/388 zijn, want aldus heeft het hof Arnhem Leeuwarden in 2014 geoordeeld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn arrest uit 2014 geoordeeld dat de stof d-carvon - ten aanzien waarvan dit hof er bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel van uit gaat dat dit dezelfde stof is als het hier aan de orde zijnde D-Carvone - viel onder de werkingssfeer van Richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184). Dit hof volgt dit oordeel voor zover de stof als aroma/additief voor levensmiddelen wordt toegepast, maar niet voor zover deze stof als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. In dat geval is Richtlijn 88/388, zo volgt alleen al uit de naamgeving van die richtlijn, niet op D-Carvone van toepassing. De door de verdediging aangehaalde uitzondering in artikel 2, eerste lid, onder c van de Verordening is daarmee evenmin van toepassing. D-Carvone als gewasbeschermingsmiddel valt niet onder de bescherming van categorie III van de RUB (...).”
Het voor deze zaak relevante juridische kader is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.8 tot en met 2.10.
Het cassatiemiddel steunt in de kern op de opvatting dat D-Carvone onder de werkingssfeer van Richtlijn 88/388/EEG valt, ook als D-Carvone als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast, en dat ook dan D-Carvone onder het toepassingsbereik van artikel 1 lid 1, aanhef en onder III.f, Rub (oud) valt. Die opvatting is onjuist. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.14.
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 90 uren beloopt, subsidiair 45 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.