ECLI:NL:HR:2026:233

ECLI:NL:HR:2026:233

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer 21/02294
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:668

Samenvatting

Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). 1. Verstrekken van informatie door Belastingdienst n.a.v. verzoeken door OvJ o.g.v. art. 162.2 Sv. Kon OvJ informatie opvragen bij Belastingdienst o.g.v. art. 162.2 Sv? 2. Verbeurdverklaring banktegoed van € 22.087,14, art. 33a.1.a Sr. Heeft hof verbeurdverklaring toereikend gemotiveerd? 3. Motivering opgelegde geldboete (€ 200.000). Is oplegging van geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ van het door bewezenverklaard feit verkregen voordeel toegestaan? 4. Maximale duur van vervangende hechtenis bij geldboete, art. 24c.3 Sr. Ad 1. OvJ en door deze aangewezen hulpofficier zijn, mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 162 Sv, o.g.v. art. 162.2 Sv bevoegd tot het bij de in die bepaling bedoelde openbare colleges en ambtenaren inwinnen van inlichtingen over vermoedelijke begane strafbare feiten, waarvan deze colleges en ambtenaren in uitoefening van hun bediening kennis hebben gekregen. Opvragen van deze informatie kan plaatsvinden met een aan zo’n college of ambtenaar gericht verzoek en hoeft niet bij uitsluiting plaats te vinden door aanwending van bevoegdheid van art. 126nd Sv (vgl. HR:2019:857). Hof heeft vastgesteld dat in april, mei en december 2007 en in februari 2008 door OvJ aan Belastingdienst verzoeken zijn gedaan o.g.v. art. 162.2 Sv en dat n.a.v. die verzoeken door Belastingdienst informatie is verstrekt. Verder heeft hof vastgesteld dat er vanaf januari 2006 t.a.v. verdachte redelijk vermoeden van schuld heeft kunnen ontstaan m.b.t. meewerken aan (verhullen van) en/of meeprofiteren van illegale inkomsten van medeverdachte. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat door Belastingdienst verstrekte informatie rechtmatig is verkregen. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor is overwogen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Onder ‘het strafbare feit’ in art. 33a.1.a Sr moet bewezenverklaard feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat 1 van de in art. 33a.1 Sr genoemde gronden zich voordoet t.a.v. bewezenverklaard feit (vgl. HR:2020:9.) Gelet op wat ten laste van verdachte is bewezenverklaard, is oordeel van hof dat banktegoed “door middel van het strafbare feit is verkregen” niet z.m. begrijpelijk. Hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat dit banktegoed is verkregen door bewezenverklaard medeplegen witwassen. Ad 3. Om redenen vermeld in HR:2026:179 leidt middel in zoverre niet tot cassatie. Ad 4. Duur van vervangende hechtenis beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). HR bepaalt dat vervangende hechtenis van 360 dagen kan worden toegepast. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. verbeurdverklaring van banktegoed. CAG: anders t.a.v. motivering opgelegde geldboete. Samenhang met 21/02251 en met 21/02247 en 21/02454 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 21/02294

Datum 13 februari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2021, nummer 21-003642-12, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Bewezenverklaring

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“zij in de periode van 04 januari 2006 tot en met 21 april 2008, in Nederland en Spanje en in Marokko, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, voorwerpen, te weten een aantal goederen en geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat die goederen en geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf,

betreffende die goederen:

- aankopen in het kader van de verbouwing en de inrichting van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] ; meubels en keuken en openhaard en bed en tapijt en

- onroerend goed/pand gelegen te [plaats] aan de [b-straat] en

- een BMW X5 en

betreffende die geldbedragen:

- bedragen van 700.000 en 1.840.000 Dirham gestort d.d. 16/8/06 en 26/1/07 op een bankrekening bij [bank 1] en

- bedragen van 200.000 euro en 250.000 euro, welke op enig moment zijn gestort op Spaanse bankrekeningen bij de [bank 2] en de [bank 3] en

- bedrag van 30.000 euro (gestort op rekening [bank 4] en aangewend ten behoeve van aankoop van onroerend goed gelegen aan de [b-straat] ).”

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de officier van justitie ten onrechte op grond van artikel 162 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan de Belastingdienst heeft verzocht informatie te verstrekken.

Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Overwegingen met betrekking tot de rechtmatigheid van het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de navolgende bewijsmiddelen moeten worden uitgesloten wegens onrechtmatige verkrijging daarvan.

- Op 7 december 2007 wordt voor de eerste keer ten aanzien van verdachte op grond van artikel 162 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) door de politie aan de Belastingdienst verzocht om informatie-uitwisseling. Het betreft de periode 2003-2007. Op 6 december 2007 heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt ter onderbouwing van dat verzoek. Artikel 162 Sv biedt geen grondslag voor dit verzoek, het ziet op de situatie dat de Belastingdienst zelf op een strafbaar feit is gestuit, en daar is in dit geval geen sprake van. Het juist toe te passen artikel zou artikel 126nd Sv zijn geweest. De privacy van verdachte is hiermee onherstelbaar geschonden.

(...)

Oordeel hof

De rechtbank heeft hieromtrent als volgt overwogen.

“1. Ten aanzien van de herkomst van informatie in het dossier.

Artikel 162 lid 1 eerste zin, Sv bepaalt het volgende.

(...)

Artikel 162 lid 2 Sv luidt:

(...)

Uit het dossier volgt dat in april, mei en december 2007 en in februari 2008 door de officier van justitie aan de Belastingdienst verzoeken op grond van het tweede lid van dit artikel zijn gedaan. Naar aanleiding van die verzoeken is door de Belastingdienst, informatie verstrekt. De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat aan deze overdracht in de eerste plaats een vordering ten grondslag had moeten liggen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Artikel 162 lid 2 Sv bepaalt dat de inlichtingen desgevraagd worden verstrekt, hetgeen impliceert dat een verzoek daartoe voldoende is. Het dossier bevat ook een viertal verzoeken op basis van artikel 162 lid 2 Sv. De rechtbank begrijpt het verweer vervolgens aldus dat in de tweede plaats wordt betoogd dat artikel 162 lid 2, Sv een onjuiste grondslag is voor het verkrijgen van de informatie, omdat artikel 126nd Sv als basis had moeten worden gebruikt. Ook dat is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Artikel 126nd Sv biedt de mogelijkheid om in het belang van het onderzoek bij een ieder/iedere instelling die wordt vermoed de beschikking te hebben over bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens deze gegevens te vorderen. Dit artikel doet echter niet af aan de mogelijkheid tot het - desgevraagd - vrijwillig verstrekken van gegevens waarover overheidsinstanties beschikken. Nu voor deze vrijwillige verstrekking in het Sprinkhaan-onderzoek gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van artikel 162 lid 2 Sv, is toepassing van artikel 126nd Sv niet meer aan de orde.

De conclusie uit het voorgaande is dat de onderhavige informatie in het dossier op rechtmatige wijze is verkregen. De verweren op dit punt worden verworpen.

2. Ten aanzien van het redelijk vermoeden van schuld.

Uit het dossier volgt dat verdachte vanaf januari 2006, dus geruime tijd voordat zij met [medeverdachte] is gehuwd, onroerend goed heeft gekocht samen met hoofdverdachte [medeverdachte] , te beginnen met het appartement aan de [b-straat] te [plaats] . [medeverdachte] heeft bovendien bij de beantwoording van vragen van de Belastingdienst op 10 april 2006 (mede) gewezen op een lening die hij bij verdachte zou hebben afgesloten.

[medeverdachte] is in juli 2007 met verdachte gehuwd, welk huwelijk tot voor kort heeft voortgeduurd.

Een en ander duidt naar het oordeel van de rechtbank op een bestendige relatie tussen verdachte en [medeverdachte] vanaf in ieder geval januari 2006 tot en met de periode dat haar huwelijk met [medeverdachte] heeft geduurd. Nu kennelijk gedurende deze periode sprake is geweest van verschillende zakelijke transacties van en tussen verdachte en [medeverdachte] , is de rechtbank van oordeel dat ook over de periode voorafgaand aan het huwelijk een redelijk vermoeden van schuld heeft kunnen ontstaan met betrekking tot het meewerken aan (verhullen van) en/of meeprofiteren van illegale inkomsten van [medeverdachte] .

Het verweer zal dan ook worden verworpen.

(...)”

Het hof verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank, neemt haar conclusies over en maakt die tot de zijne.”

De volgende bepalingen zijn van belang.

- Artikel 126nd lid 1 Sv:

“In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.”

- Artikel 162 lid 1 en 2 Sv:

“1. Openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of aan een van zijn hulpofficieren,

a. indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf als bedoeld in titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, dan wel

b. indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel

c. indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.

2. Zij verschaffen de officier van justitie of de door deze aangewezen hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.”

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 16 april 1986, houdende herziening van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering (Stb. 1986, 204), houdt onder meer in:

“Het ontworpen tweede lid van artikel 162 wijkt in zoverre af van het voorstel van de commissie-Duk dat de bevoegdheid van de officier van justitie tot het inwinnen van inlichtingen omtrent strafbare feiten is beperkt tot (naar zijn redelijk vermoeden) begane strafbare feiten die aan de in het eerste lid bedoelde openbare colleges en ambtenaren in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen. Het kan dus niet de bedoeling zijn, dat het openbaar ministerie ongericht gegevens opvraagt. Dit zou niet alleen voor die colleges en ambtenaren een onevenredige werkbelasting kunnen vormen, maar ook afbreuk kunnen doen aan de bereidheid om gegevens aan de overheid te verstrekken, waardoor een doelmatig bestuur wordt belemmerd.

(...)

Anders dan de aangifteplicht is de, in het tweede lid vervatte, informatieplicht niet beperkt tot misdrijven; hij omvat alle strafbare feiten. Deze verplichting is passief geformuleerd: desgevraagd worden alle inlichtingen verschaft. Dit lid is bedoeld om gegevens te kunnen opvragen over een concreet strafbaar feit in gevallen waarin het openbaar ministerie vermoedt dat een bepaald orgaan of bepaalde dienst over informatie beschikt. Deze (passieve) informatieplicht zal vooral daar een rol spelen waar de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar, het orgaan of de dienst een nauwe relatie met de specifieke overheidstaak vertonen.”

(Kamerstukken II 1982/83, 18054, nr. 3, p. 7 en 10.)

De officier van justitie en de door deze aangewezen hulpofficier zijn, mede gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, op grond van artikel 162 lid 2 Sv bevoegd tot het bij de in die bepaling bedoelde openbare colleges en ambtenaren inwinnen van inlichtingen over vermoedelijke begane strafbare feiten, waarvan deze colleges en ambtenaren in de uitoefening van hun bediening kennis hebben gekregen. Het opvragen van deze informatie kan plaatsvinden met een aan zo’n college of ambtenaar gericht verzoek en hoeft niet bij uitsluiting plaats te vinden door aanwending van de bevoegdheid van artikel 126nd Sv (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:857).

Het hof heeft vastgesteld dat in april, mei en december 2007 en in februari 2008 door de officier van justitie aan de Belastingdienst verzoeken zijn gedaan op grond van artikel 162 lid 2 Sv en dat naar aanleiding van die verzoeken door de Belastingdienst informatie is verstrekt. Verder heeft het hof vastgesteld dat er vanaf januari 2006 ten aanzien van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld heeft kunnen ontstaan met betrekking tot het meewerken aan (het verhullen van) en/of meeprofiteren van illegale inkomsten van [medeverdachte] .Op grond van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de door de Belastingdienst verstrekte informatie rechtmatig is verkregen. Dat oordeel getuigt, in het licht van wat hiervoor onder 3.4 is overwogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het cassatiemiddel faalt.

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen banktegoed van € 22.087,14.

Het hof heeft over de verbeurdverklaring van het banktegoed overwogen en beslist:

“Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven banktegoed van € 22.087,14 betreft een voorwerp dat door middel van het strafbare feit is verkregen. Het hof zal dit banktegoed verbeurd verklaren.

(...)

BESLISSING

Het hof:

(...)

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 22.087,14 euro.”

Artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:

“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:

a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;.”

Onder ‘het strafbare feit’ in artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr moet het bewezenverklaarde feit worden verstaan. Voor verbeurdverklaring is vereist dat één van de in artikel 33a lid 1 Sr genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. (Vgl. HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9.)

Gelet op wat ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, is het oordeel van het hof dat het banktegoed “door middel van het strafbare feit is verkregen” niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft immers geen vaststellingen gedaan waaruit kan volgen dat dit banktegoed is verkregen door het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen.

Het cassatiemiddel slaagt.

5. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over de oplegging van een geldboete van € 200.000.

Het hof heeft de verdachte voor het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, onder meer veroordeeld tot een geldboete van € 200.000, subsidiair 365 dagen hechtenis. Het hof heeft over de strafoplegging overwogen:

“Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van aankopen in het kader van een verbouwing en inrichting van een pand, van meerdere grote geldbedragen en van een auto. De verdachte heeft volop meegeprofiteerd van de gelden verdiend door [medeverdachte] met grootschalige handel in hasj.

Witwashandelingen zoals verricht door de verdachte faciliteren het plegen van misdrijven. Ze stellen criminelen namelijk in staat te profiteren van hun misdrijven, doordat ze de kans verkleinen dat illegaal verkregen vermogen wordt opgemerkt door de politie en andere toezichthoudende autoriteiten. Verder bedreigt witwassen de integriteit van het financiële en economische verkeer, doordat witwassen tot gevolg heeft dat illegaal verkregen vermogen in het reguliere handelsverkeer terechtkomt. Naar het oordeel van het hof zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een jaar een passende straf zijn, als het tijdverloop sinds het bewezenverklaarde buiten beschouwing zou worden gelaten.

Het tijdverloop is in dit geval echter zodanig omvangrijk dat dit het hof aanleiding geeft de op te leggen straf te matigen. Immers, sinds het bewezenverklaarde is inmiddels meer dan dertien jaren verstreken en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de behandeling van de zaak niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn (in de zin van art. 6 EVRM). Het hof verbindt hieraan de consequentie dat de gevangenisstraf vrijwel geheel in voorwaardelijke modaliteit zal worden opgelegd.

Daarnaast acht het hof een taakstraf van na te melden duur en een geldboete van € 200.000,-, passend en geboden. Met het opleggen van een geldboete van dit bedrag beoogt het hof behaald voordeel ongedaan te maken, waarbij is gelet op het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van [verbalisant] , hoofdinspecteur van politie, team Financiële Opsporing gesloten op 31 oktober 2019. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete heeft het hof ook rekening gehouden met het aantal keren dat verdachte witwashandelingen heeft verricht alsmede met de draagkracht van verdachte.”

Het cassatiemiddel steunt onder meer op de opvatting dat de oplegging van een geldboete die (mede) strekt tot ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel niet is toegestaan.

Het cassatiemiddel leidt in zoverre niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/00336, ECLI:NL:HR:2026:179.

Het cassatiemiddel klaagt verder onder meer dat met betrekking tot de opgelegde geldboete de duur van de vervangende hechtenis is bepaald op 365 dagen.

Artikel 24c lid 3 Sr bepaalt dat de vervangende hechtenis bij een geldboete ten hoogste een jaar beloopt, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).

Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de vervangende hechtenis verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

6. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 284 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak doet nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met 7 dagen.

7. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

8. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft (i) de duur van de opgelegde gevangenisstraf, (ii) de duur van de vervangende hechtenis die is verbonden aan de geldboete, en (iii) de verbeurdverklaring van het banktegoed;

- vermindert de gevangenisstraf in die zin dat deze 358 dagen, waarvan 284 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de geldboete de vervangende hechtenis op 365 dagen heeft bepaald, moet worden uitgegaan van vervangende hechtenis voor de duur van 360 dagen;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien van de hiervoor onder (iii) genoemde beslissing opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?