HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02686
Datum 13 februari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: M.A.M. Wagemakers,
tegen
STICHTING ARKIN,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Arkin,
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/767870 / FA RK 25-2850 van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Arkin heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2025 en tot afdoening als in de conclusie onder 3.34 vermeld.
De advocaat van Arkin heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene was op grond van een zorgmachtiging opgenomen in een accommodatie van Arkin (hierna: de accommodatie). Aan betrokkene is verplichte zorg aangezegd, waaronder het beperken van de bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie.
(ii) In de accommodatie kon betrokkene zich twee keer per week één uur onder begeleiding buiten de accommodatie bewegen.
(iii) Sinds 1 januari 2025 hanteert Arkin een nieuw rookbeleid. In de huisregels van de accommodatie is onder meer opgenomen:
“Roken
We zijn een rookvrije kliniek.
Op de afdeling en in je eigen kamer is roken of vapen verboden.
Je kan van de verpleging nicotinepleisters of nicotinezuigtabletten krijgen.
Tijdens wandelen met een begeleider kan er niet gerookt worden.
Tijdens zelfstandige vrijheden is de keuze aan jou om wel of niet te roken.”
(iv) Betrokkene heeft bij de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) een klacht ingediend over het rookbeleid.
(v) De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard voor zover deze ziet op het in de huisregels opgenomen rookverbod bij het wandelen onder begeleiding buiten de accommodatie.
Arkin heeft de rechtbank op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz verzocht om de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen voor wat betreft het oordeel van de klachtencommissie dat het niet is toegestaan een rookverbod in de huisregels op te nemen dat zich uitstrekt tot het onder begeleiding buiten de accommodatie wandelen door cliënten met medewerkers.
De rechtbank heeft het beroep van Arkin tegen het oordeel van de klachtencommissie gegrond verklaard en bepaald dat de beslissing van de rechtbank in de plaats treedt van de beslissing van de klachtencommissie over de klacht ten aanzien van het in de huisregels opgenomen rookverbod bij het wandelen onder begeleiding buiten de accommodatie.
Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.
In de onderhavige procedure gaat het om de vraag of het algehele rookverbod zoals opgenomen in de huisregels zich mag uitstrekken tot het wandelen onder begeleiding. (rov. 5.3.5)
Een inbreuk op de lichamelijke integriteit en op iemands privéleven vereist een wettelijke grondslag (art. 3 en 8 EVRM en art. 10 en 11 Grondwet), die in dit geval is gelegen in art. 10 lid 1, aanhef en onder b, Tabaks- en rookwarenwet. Een rookverbod vormt op zichzelf een gerechtvaardigde inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van betrokkene, nu daarmee het recht op onaantastbaarheid van het lichaam van niet-rokende cliënten en werknemers van Arkin wordt beschermd. (rov. 5.3.7-5.3.8)
Het algehele rookverbod, waaronder het roken tijdens het begeleid wandelen, geldt voor alle cliënten en medewerkers van Arkin. Dit wandelen onder begeleiding vormt een essentieel onderdeel van de behandeling die onder meer gericht is op een zo spoedig, maar wel veilig ontslag van een cliënt uit de accommodatie. (rov. 5.3.11)
Het wandelen onder begeleiding vormt een kortstondige onderbreking van het verblijf in de accommodatie. De behandeling verplaatst zich gedurende korte tijd naar buiten de accommodatie, maar hier wordt nog steeds zorg verleend. Aldus strekt de accommodatie zich in dit geval ook uit tot buiten het terrein voor zover het betreft het wandelen onder begeleiding. Er is nog immer sprake van een behandelomgeving. (rov. 5.3.12)
Met het verbod om te roken tijdens het wandelen onder begeleiding voldoet Arkin aan het vereiste dat huisregels de ordentelijke gang van zaken en veiligheid in de accommodatie regelen. (rov. 5.3.13)
Het in de huisregels opgenomen verbod om te roken tijdens het wandelen onder begeleiding voldoet aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. (rov. 5.3.14)
3. Beoordeling van het middel
De onderdelen 1 en 2 van het middel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank (in rov. 5.3.11-5.3.12) dat de accommodatie zich in dit geval uitstrekt tot buiten het terrein van de zorgaanbieder voor zover het wandelen onder begeleiding betreft en het oordeel (in rov. 5.3.13) dat Arkin met het rookverbod tijdens het wandelen onder begeleiding voldoet aan het vereiste dat huisregels de ordentelijke gang van zaken en veiligheid in de accommodatie regelen. De onderdelen klagen in de kern dat de rechtbank met deze oordelen uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip accommodatie en ten onrechte heeft geoordeeld dat het verbod om tijdens het wandelen onder begeleiding te roken voldoet aan art. 8:15 leden 1 en 2 Wvggz.
Art. 1:1 lid 1, aanhef en onder b, Wvggz bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder accommodatie wordt verstaan een bouwkundige voorziening of een deel van een bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein van een zorgaanbieder waar zorg wordt verleend.
Art. 8:15 lid 1 Wvggz bepaalt dat de zorgaanbieder huisregels opstelt voor de ordelijke gang van zaken en de veiligheid, passend bij de doelgroep, in de accommodatie. De huisregels mogen geen andere regels bevatten dan de regels bedoeld in art. 8:15 lid 1 Wvggz (art. 8:15 lid 2 Wvggz).
Aan de hiervoor in 3.1.1 bedoelde oordelen ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat een accommodatie van een zorgaanbieder meer kan omvatten dan de bouwkundige voorziening of een deel van de bouwkundige voorziening met het daarbij behorende terrein waar zorg wordt verleend. Uit art. 1:1 lid 1, aanhef en onder b, Wvggz volgt dat die rechtsopvatting onjuist is, evenals het oordeel van de rechtbank dat het rookverbod tijdens het wandelen onder begeleiding voldoet aan het vereiste dat huisregels de ordentelijke gang van zaken en veiligheid in de accommodatie regelen. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten zijn dus terecht voorgesteld.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
Het slagen van de hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten brengt mee dat de beschikking van de rechtbank niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de klacht van betrokkene, voor zover deze ziet op het in de huisregels van Arkin opgenomen rookverbod tijdens het wandelen onder begeleiding buiten de accommodatie, alsnog gegrond te verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2025;
- verklaart de klacht van betrokkene gegrond voor zover deze ziet op het in de huisregels van Arkin opgenomen rookverbod tijdens het wandelen onder begeleiding buiten de accommodatie.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 13 februari 2026.