HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/02731
Datum 20 februari 2026
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 8 juli 2025, nr. SGR 24/7893 V.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 september 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 5 november 2025 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Op 10 oktober 2025 heeft belanghebbende ter zake van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan. Aangezien dat verzoek niet is gedaan vóór het einde van de voor de betaling van het griffierecht gestelde termijn, slaat de Hoge Raad op dat verzoek geen acht.
Het hiervoor overwogene brengt mee dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.