HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03415
Datum 27 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN COCENSUS
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juli 2024, nr. 23/800, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 22/2122) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van Cocensus, vertegenwoordigd door G.G.J. Schipper, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 17 oktober 2025 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
2. Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van (thans) de gemeente Dijk en Waard (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Q] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 bij beschikking vastgesteld op € 657.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 aan belanghebbende bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1 vermelde beschikking en aanslag. In het bezwaarschrift heeft hij met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken, waaronder de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de factoren die met betrekking tot de woning en de referentiepanden een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (hierna ook: KOUDVL).
Belanghebbende stelde voor het Hof dat hij tijdens de bezwaarfase bovendien onder meer heeft verzocht om gegevens die inzicht geven in (i) de manier waarop en de percentages waarmee wordt gecorrigeerd bij afwijking van de gemiddelde KOUDVL-waardering, (ii) de onderbouwing van het indexeringspercentage van de referentiekoopsommen, en (iii) de waardering van de bijgebouwen en de onderbouwing daarvan.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende in de bezwaarfase een stuk verstrekt dat door partijen is aangeduid als “taxatiematrix” (hierna: de taxatiematrix). Daarin is vermeld welke van het gemiddelde afwijkende factoren bij de waardevaststelling zijn gehanteerd met betrekking tot kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en ligging van de woning en van drie bij de waardevaststelling gebruikte vergelijkingspanden. Voor de vergelijkingspanden is in de taxatiematrix zowel de koopsom als een waarde op de waardepeildatum 1 januari 2020 vermeld. Met betrekking tot bijgebouwen wordt in de taxatiematrix alleen de gezamenlijke waarde daarvan vermeld, zowel ten aanzien van de woning als ten aanzien van de vergelijkingspanden, zonder uitsplitsing van die waarde per bijgebouw.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende geen percentages verstrekt waarmee wordt gecorrigeerd bij afwijking van de gemiddelde KOUDVL-waardering. Hij heeft in dat verband aangevoerd dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer de factor voor zo’n waardering wordt bijgesteld. De heffingsambtenaar heeft daaraan toegevoegd dat de gevolgen die correcties van deze factoren hebben voor de eindwaarde, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, die deze inschatting maakt op grond van zijn ervaring en kennis.
Wat de indexering van verkoopprijzen van de vergelijkingspanden betreft, heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat uit de aan belanghebbende verstrekte gegevens blijkt dat indexering heeft plaatsgevonden en dat daaruit tevens is te herleiden met welk percentage dat is gebeurd. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende geen gegevens verstrekt over de wijze waarop de indexering is bepaald. Hij stelt zich op het standpunt dat een onderbouwing van de indexering niet op grond van artikel 40 van de Wet WOZ hoeft te worden verstrekt.
3. De oordelen van de Rechtbank
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.
De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld tot een vergoeding van een bedrag van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband hiermee heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de behandeling van het beroep.
Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht naar het oordeel van de Rechtbank niet te vergoeden.
4. De oordelen van het Hof
Voor het Hof was de waarde van de woning niet meer in geschil. Wel was voor het Hof in geschil of artikel 40 van de Wet WOZ is geschonden. Belanghebbende betoogde dat deze bepaling door de heffingsambtenaar in een aantal opzichten is geschonden. Zonder inzage in de KOUDVL-correctiepercentages valt de eindwaarde volgens hem niet op juistheid te beoordelen. Ook voert hij aan dat de gehanteerde indexeringspercentages in bezwaar niet inzichtelijk waren. Aangezien kennelijk vaste gegevens aan de indexering ten grondslag liggen, had de heffingsambtenaar deze gegevens volgens belanghebbende in de bezwaarfase moeten verstrekken.
Voor zover belanghebbende hiermee in het kader van de gehanteerde indexering het oog heeft op de datum waarop de verkoopovereenkomst van de verschillende vergelijkingspanden tot stand is gekomen, treft dit verwijt naar het oordeel van het Hof geen doel, omdat belanghebbende in bezwaar niet voldoende gespecificeerd om deze gegevens heeft gevraagd.
Wat betreft de overige informatie waarnaar belanghebbende verwijst, is het Hof van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de heffingsambtenaar alle stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van de waarde aan belanghebbende heeft overgelegd. Het Hof is dus van oordeel dat artikel 40 van de Wet WOZ niet is geschonden.
Met betrekking tot de KOUDVL-factoren overweegt het Hof nog dat bij een taxatie van een woning aan de hand van verkoopgegevens van andere woningen, de onderlinge verschillen in dergelijke factoren als hulpmiddel kunnen dienen om zo goed mogelijk rekening te houden met mogelijke verschillen tussen de te waarderen woning en die andere woningen. Het Hof ziet echter geen nut of noodzaak van het daarbij hanteren van min of meer vaste aanpassingspercentages voor verschillend becijferde KOUDVL-factoren; alleen al niet omdat dit de suggestie kan oproepen van een (schijn)precisie die de gebruikte cijferindeling niet kan dragen. Het Hof is wel ambtshalve ermee bekend dat veelal in een later stadium de reeds vastgestelde waarde wordt onderbouwd door de verschillen in KOUDVL-factoren uit een oogpunt van efficiëntie en eenvoud op sjabloonmatige wijze te becijferen. Dat maakt het voorgaande echter niet anders. Deze becijfering vindt immers pas in een later stadium plaats en is daarmee geen gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag heeft gelegen, aldus het Hof.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende wel gegrond verklaard voor zover hij klaagt over de hiervoor in 3.3 vermelde beslissing van de Rechtbank dat geen aanleiding bestaat de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht. Onder verwijzing naar wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 (hierna: het arrest van 31 mei 2024), rechtsoverwegingen 7.1.1 en 7.1.2, heeft het Hof de heffingsambtenaar opgedragen het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep heeft betaald, aan belanghebbende te vergoeden.
Het Hof heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten in verband met de behandeling van het – gegronde – principale hoger beroep van belanghebbende.
Wat betreft de hoogte van die vergoeding heeft het Hof overwogen dat het toekennen van een vergoeding volgens het voor deze zaak geldende forfaitaire puntensysteem de werkelijke in redelijkheid gemaakte kosten zou overtreffen. De daartoe benodigde werkbelasting was voor de gemachtigde allereerst al beperkt door de eenvoud van de naar voren te brengen grief, inhoudende dat ten onrechte geen vergoeding van griffierecht is uitgesproken, en nog verder omdat deze gemachtigde in meerdere zaken met een identieke grief hetzelfde punt aan de orde heeft gesteld. Het gaat verder wat betreft het griffierecht voor het beroep om een puur financieel procesbelang van slechts € 50. Tot slot heeft het Hof overwogen dat belanghebbende weliswaar gelijk heeft gekregen op het punt van de terugbetaling van het griffierecht, maar dat dit enkel is gebeurd vanwege het door de Hoge Raad in het arrest van 31 mei 2024 gecreëerde overgangsrecht.
Het Hof heeft daarom aanleiding gezien om op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en artikel 2, lid 2, van het Besluit, al dan niet in samenhang bezien, de vergoeding voor de kosten van het hoger beroep te matigen tot een bedrag van € 60.
Naar aanleiding van het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar heeft het Hof de vergoeding van immateriële schade verminderd. Het ziet aanleiding het tarief van € 500 per halfjaar in deze zaak te matigen omdat sprake is van (i) een relatief gering en puur financieel belang, (ii) een gebruikelijke beschikking met een gelding van korte duur, (iii) een eenvoudige zaak met reeds vele malen verworpen standaardklachten, en (iv) een procedure zonder (risico op) kosten voor belanghebbende. Een schadevergoeding van € 50 per halfjaar acht het Hof in dit geval redelijk.
5. Voorafgaande overwegingen
Voorafgaand aan de beoordeling van de middelen geeft de Hoge Raad, voortbouwend op zijn eerdere rechtspraak, enige algemene overwegingen over de uitleg van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, toegespitst op de waardevaststelling van woningen.
Algemeen
Op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. Deze informatieverplichting van de heffingsambtenaar geldt alleen voor zover de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens.
Deze verplichting strekt ertoe een eventuele informatieachterstand van een belanghebbende weg te nemen opdat een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze kan worden benut en onnodige procedures kunnen worden voorkomen. Zij vloeit naar de bedoeling van de wetgever voort uit de in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringseis voor beschikkingen.
Aan de voorwaarde van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dat het gaat om gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde, is alleen voldaan als de heffingsambtenaar die gegevens bij het geven van de beschikking heeft gebruikt voor het vaststellen van de waarde van een onroerende zaak.
Aangezien artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ de heffingsambtenaar de verplichting oplegt een afschrift van bepaalde gegevens te verstrekken, heeft deze verplichting alleen betrekking op gegevens die zijn opgenomen in stukken. Dat kunnen niet alleen op papier vastgelegde gegevens zijn, maar ook in elektronische vorm vastgelegde gegevens, waaronder begrepen grafische weergaven en afbeeldingen, die – op papier of in andere vorm – leesbaar of anderszins waarneembaar kunnen worden gemaakt. Het moet gaan om stukken die reeds bestonden ten tijde van het vaststellen van de beschikking als bedoeld in de Wet WOZ. Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ legt geen verplichting op om niet-bestaande stukken alsnog (in papieren of in elektronische vorm) te vervaardigen.
De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg.
De vraag of bepaalde gegevens zijn gebruikt voor de vaststelling van de waarde van een woning, leent zich niet voor een categorisch antwoord dat voor alle gemeenten in Nederland en voor alle gevallen gelijkluidend is. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het voor de rechter nodig kan zijn inzicht te hebben in de methode die in dat geval is gehanteerd voor de vaststelling van de waarde van woningen. Indien de heffingsambtenaar daartoe met het oog op een systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn als bedoeld in artikel 4, lid 1, letter a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling), gebruikmaakt van een computerprogramma, kan het voor de rechter ook nodig zijn om inzicht te hebben in de werking van dat programma en de wijze waarop het in de praktijk wordt toegepast. Opmerking verdient dat oordelen over de gevolgde werkwijze bij de waardevaststelling in belangrijke mate een feitelijk karakter hebben, en daarom in cassatie slechts beperkt kunnen worden getoetst.
Voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is niet van belang of de gebruikte gegevens ook noodzakelijk of nuttig zijn voor de waardevaststelling. Evenmin is voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ van belang of de belanghebbende in redelijkheid ook al in staat is om de vastgestelde waarde ter discussie te stellen met de informatie die hem gelijktijdig of eerder is verstrekt. Dat kan geen reden zijn om hem geen afschrift te verstrekken van andere gebruikte gegevens. De heffingsambtenaar kan dus niet op deze grond de door hem te verstrekken informatie baseren op een selectie uit de gebruikte gegevens.
Aan de hiervoor in 5.4 bedoelde eis dat de gegevens voor de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak zijn gebruikt, is slechts voldaan indien die gegevens door de heffingsambtenaar daarvoor rechtstreeks zijn gebruikt. Artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ verplicht de heffingsambtenaar daarom niet tot het verstrekken van afschriften van bronnen waaraan hij die gegevens heeft ontleend (en dus ook niet van de bronnen van die bronnen, enzovoorts).
Indien de heffingsambtenaar de waardevaststelling heeft gebaseerd op een berekening, vormt ook de wijze van berekening (bijvoorbeeld het feit dat het gaat om een optelsom) een gegeven dat aan die vaststelling ten grondslag ligt.
Als de heffingsambtenaar voor de bepaling van de waarde gebruikmaakt van een computerprogramma, is voor beantwoording van de vraag of bepaalde gegevens rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardebepaling niet van belang of die gegevens binnen dat computerprogramma zijn aan te merken als input dan wel als output.
Ook is voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van belang of aan de gevraagde gegevens bepaalde keuzes en aannames ten grondslag liggen. Dit criterium is in het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316, rechtsoverweging 2.3.3, gehanteerd als voorwaarde voor een verplichting van het bestuursorgaan om zorg te dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van aannames en keuzes die zijn gebruikt respectievelijk gemaakt bij een geautomatiseerd proces, als een besluit van dat bestuursorgaan (mede) uit zo’n proces voortvloeit. Het gaat daarbij dus om een verplichting tot het geven van uitleg. Zoals hiervoor in 5.6 is overwogen, gaat het bij de informatieplicht van de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ echter niet om een algemene verplichting tot het geven van uitleg, maar om een verplichting tot het verstrekken van afschriften van stukken, zodat het hiervoor genoemde criterium hierbij niet van toepassing is.
De verplichting van de heffingsambtenaar om op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ afschriften van bepaalde gegevens te verstrekken, geldt ook indien die gegevens beschikbaar zijn via een algemeen toegankelijke bron, zoals een openbaar register of een internetpagina. Gaat het om een stuk dat via internet algemeen en vrij toegankelijk is, dan kan de heffingsambtenaar, in plaats van een afschrift van dat stuk te verstrekken, in beginsel volstaan met een aanduiding van de website waarop of via welke dat stuk te vinden is. Die aanduiding moet zodanig nauwkeurig zijn dat het stuk aan de hand daarvan zonder noemenswaardige inspanning kan worden gevonden en geraadpleegd. Aanleiding tot een afwijking van dit beginsel kan onder meer bestaan indien de ongewijzigde inhoud van het stuk niet langer toegankelijk blijkt te zijn op of via de aangeduide website. Ook kan hiertoe aanleiding bestaan indien het gebruik van internet redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden verlangd.
Indien aan de belanghebbende een taxatieverslag is verstrekt, heeft de heffingsambtenaar daarmee niet zonder meer voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Als de belanghebbende daartoe een voldoende specifiek verzoek als hiervoor in 5.2 bedoeld heeft gedaan, dient de heffingsambtenaar ook een afschrift te verstrekken van gegevens die niet in zo’n taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag zijn gelegd aan de vastgestelde waarde van de woning. Voor de uitleg van het begrip “gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde” in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is evenmin maatgevend of het gaat om gegevens die worden vermeld in het modeltaxatieverslag, bedoeld in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling. De verplichtingen van de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ kunnen verder gaan. De delegatiebepaling van artikel 20, lid 2, van de Wet WOZ, waarop de Uitvoeringsregeling is gebaseerd, biedt namelijk niet de mogelijkheid om bepaalde gegevens die ten grondslag zijn gelegd aan de vastgestelde waarde uit te zonderen van de informatieverplichting van de heffingsambtenaar op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
De in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens kunnen niet alleen betrekking hebben op de onroerende zaak waarvan de waarde wordt bepaald. Het kan ook gaan om gegevens over vergelijkingsobjecten die rechtstreeks voor de vaststelling van de waarde van die zaak zijn gebruikt. Wat deze laatste objecten betreft, geldt de informatieverplichting van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ in ieder geval voor zover het gaat om referentiepanden die zijn vermeld in een taxatieverslag als bedoeld in artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken. Ook geldt die informatieverplichting voor zover het gaat om panden die niet in het taxatieverslag zijn vermeld, maar die wel door de heffingsambtenaar zijn geselecteerd om rechtstreeks te worden gebruikt bij de waardevaststelling van de desbetreffende woning. Dat sluit aan bij de regeling die met ingang van 1 januari 2026 is neergelegd in artikel 6a, lid 1, letter e, van de Uitvoeringsregeling en die inhoudt dat informatie moet worden verstrekt over niet in het taxatieverslag vermelde panden die zijn aan te merken als “in de waardering betrokken referentiepanden”. De Uitvoeringsregeling dient op dit punt te worden uitgelegd op dezelfde wijze als zojuist is vermeld met betrekking tot artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
Categorieën gegevens
Gelet op de hiervoor in 5.2 tot en met 5.15 vermelde algemene overwegingen, formuleert de Hoge Raad hierna onder a) tot en met k) ten aanzien van diverse categorieën gegevens die veelal bij de waardevaststelling van woningen worden gebruikt, een aantal regels aan de hand waarvan moet worden bepaald of het gegevens zijn die aan de vaststelling van de waarde van een woning ten grondslag liggen in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Daarbij geldt in alle gevallen dat slechts een informatieverplichting voor de heffingsambtenaar op grond van deze bepaling bestaat indien de desbetreffende gegevens in een stuk zijn vastgelegd (zie hiervoor in 5.5), in het concrete geval rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardebepaling (zie hiervoor in 5.4 en 5.9), en de belanghebbende een voldoende specifiek verzoek om verstrekking van een afschrift daarvan heeft gedaan (zie hiervoor in 5.2).
a) Primaire objectkenmerken
Objectief vast te stellen kenmerken van het te waarderen object (de woning) en van bij de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten als hiervoor in 5.15 bedoeld (hierna: de vergelijkingsobjecten), zogenoemde primaire objectkenmerken, zijn aan te merken als aan de waardering ten grondslag gelegde gegevens voor zover de heffingsambtenaar daarmee bij de waardevaststelling rekening heeft gehouden. Hierbij gaat het om factoren zoals het adres, het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte, de perceeloppervlakte, de inhoud, en de aanwezigheid van bijgebouwen en van een aanbouw en/of uitbouw (zoals een garage, dakkapel, serre, en overkapping).
b) Secundaire objectkenmerken (KOUDVL-factoren)
Ook scores die in het kader van de waardevaststelling aan de te waarderen woning en aan de bij die vaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten zijn toegekend wat betreft niet objectief vast te stellen kenmerken, zoals KOUDVL-factoren (zie hiervoor in 2.2), zijn aan te merken als aan de waardering ten grondslag gelegde gegevens voor zover de heffingsambtenaar daarmee bij de waardevaststelling rekening heeft gehouden.
c) KOUDVL-correcties
Indien de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde van een woning een correctie heeft toegepast omdat een of meer scores van de desbetreffende woning op het punt van KOUDVL-factoren afwijken van het gemiddelde, en hij daarbij is uitgegaan van een vaste correctiefactor (zoals een vast percentage), is de gehanteerde correctiefactor eveneens een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt. Hetzelfde geldt voor de vaste correctiefactor die de heffingsambtenaar op het punt van KOUDVL-factoren heeft gehanteerd met betrekking tot bij de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. Gelet op wat hiervoor in 5.9 is overwogen, is artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ echter niet van toepassing op de gegevens waarop een dergelijke correctiefactor is gebaseerd.
d) Onderdelen van een woning
De mogelijkheid bestaat dat de heffingsambtenaar de waarde van een woning bepaalt door eerst een waarde vast te stellen voor onderdelen daarvan (zoals grond, gebruiksruimte, bijgebouwen en aan- en uitbouwen (zoals een garage, dakkapel, serre, en overkapping)) en die waardes vervolgens bij elkaar op te tellen. In zo’n geval zijn de voor elk van die onderdelen door de heffingsambtenaar gehanteerde waardes aan te merken als gegevens in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Hetzelfde geldt voor de gegevens die aan de vaststelling van de waarde van de onderdelen ten grondslag liggen. Het voorgaande geldt ook met betrekking tot de gebruikte vergelijkingsobjecten.
e) Modelwaardes
Indien de waarde van een woning is bepaald door middel van modelmatige waardebepaling en daarbij een modelwaarde is gegenereerd als bedoeld in de onderdelen 4.7 en 4.38 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, moet worden aangenomen dat die modelwaarde een gegeven is dat aan de waardevaststelling ten grondslag heeft gelegen. Zij voldoet daarom aan de omschrijving van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ indien zij is neergelegd in een stuk als hiervoor in 5.5 bedoeld. Dat wordt niet anders indien de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de waarde van een woning correcties ten opzichte van de modelwaarde heeft toegepast omdat de uitkomst van het model in het desbetreffende geval naar zijn oordeel aanpassing behoeft. Zulke correcties nemen niet weg dat de waardevaststelling mede op de modelwaarde is gebaseerd. Indien zulke correcties worden toegepast, vormen zij eveneens een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag is gelegd.
Modelwaardes zijn gebaseerd op gegevens met betrekking tot verkooptransacties van woningen en kenmerken van de verkochte woningen. Dergelijke gegevens zijn aan te merken als bronnen van de modelwaardes. Gelet op wat hiervoor in 5.9 is overwogen, zijn dit daarom geen gegevens die rechtstreeks ten grondslag liggen aan een waardevaststelling waarbij gebruik is gemaakt van een modelwaarde. Hetzelfde geldt voor gegevens over de wijze waarop de modelwaarde uit deze brongegevens is afgeleid, zoals een daartoe gehanteerde rekenkundige bewerking.
f) Grondstaffels
Indien de heffingsambtenaar bij de waardebepaling van een woning een afzonderlijke waarde toekent aan de grond en daarbij gebruikmaakt van een grondstaffel, ligt die grondstaffel aan de waardevaststelling ten grondslag in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Gelet op wat hiervoor in 5.9 is overwogen, geldt dat echter niet voor de gegevens waarop de grondstaffel is gebaseerd.
g) Aandeel in de reserve van een VvE
Indien de heffingsambtenaar de verkoopprijs van een door hem bij de waardevaststelling gebruikt vergelijkingsobject heeft gecorrigeerd omdat in die verkoopprijs ook een bedrag voor het aandeel in de reserve van een vereniging van eigenaren (VvE) is begrepen, welk aandeel niet als onroerende zaak is aan te merken, is die correctie eveneens een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt.
h) Erfpachtcorrectie
Indien de heffingsambtenaar de verkoopprijs van een door hem bij de waardevaststelling gebruikt vergelijkingsobject heeft gecorrigeerd omdat het gaat om een verkooptransactie van een woning op erfpachtgrond, terwijl gelet op artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ moet worden uitgegaan van volle eigendom, is de in verband hiermee toegepaste correctie eveneens een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt.
i) Indexeringsfactoren en de bronnen daarvan
Indien de heffingsambtenaar de verkoopprijs van een door hem bij de waardevaststelling gebruikt vergelijkingsobject, na eventuele andere correcties, heeft herrekend naar een waarde op de peildatum, is de bij die herrekening door hem gebruikte indexeringsfactor een gegeven dat aan die waardevaststelling ten grondslag ligt. Aan de verplichting om een dergelijke factor, bijvoorbeeld in de vorm van een indexeringspercentage, op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ op verzoek te verstrekken, voldoet de heffingsambtenaar ook indien hij aan de belanghebbende zodanige gegevens verstrekt over de (gecorrigeerde) verkoopprijs van het vergelijkingsobject en de door hem aangenomen waarde daarvan op de peildatum, dat die factor daaruit eenvoudig kan worden afgeleid. Gelet op wat hiervoor in 5.9 is overwogen, is artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van toepassing op de gegevens waarop de gebruikte indexeringsfactor is gebaseerd.
j) Transactiedata
Indien de heffingsambtenaar met betrekking tot de (gecorrigeerde) verkoopprijs van een vergelijkingsobject een indexering als hiervoor in 5.16.10 bedoeld, heeft toegepast, vormt de transactiedatum die hij daarbij heeft gehanteerd eveneens een gegeven dat aan de waardevaststelling ten grondslag ligt. Is de heffingsambtenaar daarbij uitgegaan van de datum van de transportakte, dan is die datum een gegeven dat hij aan de waardevaststelling ten grondslag heeft gelegd; de datum van de verkoopovereenkomst is dat in zo’n geval niet.
k) Kennis en ervaring
Indien een bij de waardevaststelling gebruikt gegeven is bepaald, of een door een computerprogramma daartoe voorgesteld gegeven is gecorrigeerd op basis van kennis en ervaring, kan artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet worden toegepast op die kennis en ervaring, noch op de bronnen daarvan. Kennis en ervaring van een deskundige vormen geen gegeven waarvan een afschrift kan worden verstrekt.
Stelplicht en bewijslast
Met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft te gelden dat het op de weg ligt van een belanghebbende die betoogt dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is geschonden doordat door hem gevraagde gegevens niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt, om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem gevraagde, en niet verkregen gegevens aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van die bepaling vallen. Van de belanghebbende kan echter niet worden verwacht dat hij een stelling hierover onderbouwt voor zover hij daartoe in redelijkheid niet in staat is doordat de daartoe benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de heffingsambtenaar en de belanghebbende daartoe geen toegang heeft en evenmin aangeboden heeft gekregen. In een zodanig geval ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om, in het kader van een eventuele betwisting van zo’n stelling van de belanghebbende, zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat hij die belanghebbende aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van zijn stelling en eventuele bewijslevering.
6. Beoordeling van de middelen
Het eerste middel is gericht tegen de hiervoor in 4.2 vermelde oordelen over de KOUDVLcorrecties, de waardes van de bijgebouwen en de indexering, waarmee het Hof tot de slotsom is gekomen dat artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet is geschonden.
Het middel richt zich daartoe in de eerste plaats tegen het argument van het Hof dat niet hoeft te worden gewerkt met vaste afwijkingspercentages voor verschillend becijferde KOUDVL-factoren. Dit is volgens het middel voor de toepassing van artikel 40 van de Wet WOZ niet relevant.
Verder voert het middel aan dat belanghebbende in de bezwaarfase inzage heeft gevraagd in de waardes van de bijgebouwen en dat de heffingsambtenaar daaraan in de bezwaarfase geen gehoor heeft gegeven. Het middel klaagt erover dat zowel de Rechtbank als het Hof hieraan is voorbijgegaan.
Tot slot betoogt het middel dat belanghebbende met het verzoek om onderbouwing van de indexering voldoende specifiek heeft gevraagd naar gegevens over de datum waarop de verkoopovereenkomst van de verschillende vergelijkingsobjecten tot stand is gekomen. Het merkt aanvullend op dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase geen enkele onderbouwing van de indexering heeft gegeven.
Het eerste middel voert met betrekking tot correcties wegens verschillend becijferde KOUDVL-factoren terecht aan dat voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet relevant is dat bij zulke correcties niet met vaste percentages hoeft te worden gewerkt. Zoals hiervoor in 5.4, 5.8 en 5.9 is overwogen, is voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van belang of de gevraagde gegevens noodzakelijk of nuttig zijn voor de waardevaststelling, maar of zij daarvoor rechtstreeks door de heffingsambtenaar zijn gebruikt. Door als maatstaf te nemen of het hanteren van min of meer vaste aanpassingspercentages voor verschillend becijferde KOUDVL-factoren nuttig of noodzakelijk is, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter in zoverre niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de wijze van waardevaststelling in zijn gemeente onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor wordt bijgesteld, en (ii) dat de gevolgen die correcties van deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Gelet op wat hiervoor in 5.16.3 en 5.16.12 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat die correcties geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
Het middel kan evenmin tot cassatie leiden voor zover het betrekking heeft op de waardes van bijgebouwen, aangezien belanghebbende in hoger beroep weliswaar heeft gesteld dat hij om informatie daarover heeft gevraagd, maar niet heeft geklaagd over het achterwege blijven van die informatie.
Het middel faalt eveneens voor zover het betrekking heeft op de indexering. Voor zover het gaat om gegevens over de data waarop de verkoopovereenkomsten van de verschillende vergelijkingsobjecten tot stand zijn gekomen, heeft het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat belanghebbende daar in de bezwaarfase niet, althans niet voldoende specifiek om heeft gevraagd. Daarbij komt dat de stukken van het geding geen andere slotsom toelaten dan dat de heffingsambtenaar bij de door hem toegepaste indexering is uitgegaan van de data van de transportakten en niet van de verkoopovereenkomsten. Gelet op wat hiervoor in 5.16.11 is overwogen, liggen de data van de verkoopovereenkomsten daarom niet aan de vaststelling van de waarde van de woning van belanghebbende ten grondslag. Voor zover het ten slotte gaat om de onderbouwing van de toegepaste indexering, faalt het middel eveneens. Gelet op wat hiervoor in de slotzin van 5.16.10 is overwogen, vormt zo’n onderbouwing niet een gegeven als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.
Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor in 4.5 vermelde oordeel van het Hof over de hoogte van de vergoeding van immateriële schade. Het middel slaagt op de gronden vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3.
Het derde middel richt zich tegen de hiervoor in 4.4 vermelde matiging van de proceskostenvergoeding in hoger beroep. Het middel wijst erop dat de gemachtigde in totaal ongeveer twaalf uur heeft besteed aan de procedure in hoger beroep, en dat een vergoeding van € 60 daarvoor niet als een redelijke tegemoetkoming kan worden beschouwd. Verder voert het middel aan dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met de toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit.
Het middel faalt, aangezien de beslissing van het Hof tot matiging van de proceskostenvergoeding zelfstandig wordt gedragen door zijn oordeel over toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit, en dat oordeel door het middel niet wordt bestreden.
Gelet op wat hiervoor in 6.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank wat betreft de vergoeding van immateriële schade te bevestigen.
7. Proceskosten
Het dagelijks bestuur van Cocensus zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De heffingsambtenaar zal alsnog worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof voor zover die kosten het incidentele hoger beroep betreffen.
8. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op wat de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 8.1 bedoelde beoordeling te maken.
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast. Het dagelijks bestuur van Cocensus zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
9. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 8.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.