HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00217
Datum 27 februari 2026
ARREST
In de zaak van
NET B.V.,
gevestigd te Roosendaal,
EISERES tot cassatie,
hierna: Net,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
Marlous Nicolaä DE GROOT, in haar hoedanigheid van opvolgend curator in het faillissement van Nedfield N.V.,
kantoorhoudende te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de curator,
advocaten: B.I. Kraaipoel en T.E. Booms.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/13/717155 / HA ZA 22-373 van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.327.979/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2024 (verwijzing) en de arresten in de zaak 200.339.273/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2024 en 11 februari 2025 (herstelarrest).
Net heeft tegen het arrest van het hof van 22 oktober 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De curator heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarin is opgenomen dat het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden wordt bekrachtigd, en tot afdoening door de Hoge Raad zelf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De advocaat van Net heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. Kort gezegd strijden partijen over de vraag of een btw-vordering van Net op de belastingdienst door cessie is overgegaan van Commodore International Corporation B.V. naar Nedfield N.V. (hierna: Nedfield).
Net vordert in deze procedure, onder meer, primair een verklaring voor recht dat de btw-vordering nimmer is overgegaan naar Nedfield en nog steeds toebehoort aan Net, en subsidiair een verklaring voor recht dat Nedfield in ieder geval per 22 januari 2009 geen rechthebbende meer is van de btw-vordering.
Bij vonnis van 18 januari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van Net afgewezen.
Net heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, welk hof de zaak bij arrest van 20 februari 2024 heeft verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij arrest van 22 oktober 2024 heeft laatstgenoemd hof het bestreden vonnis bekrachtigd. In het dictum staat vermeld:
“bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 20 februari 2024;(…)”
Bij herstelarrest van 11 februari 2025 heeft het hof het dictum van zijn arrest van 22 oktober 2024 aldus verbeterd dat de datum van het bekrachtigde vonnis (20 februari 2024) is gewijzigd in 18 januari 2023.
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 5.1 van het middel voert aan dat indien het dictum van het besteden arrest daadwerkelijk zou strekken tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 20 februari 2024 (dictum), dit onjuist of onbegrijpelijk is. Onderdeel 5.2 voegt daaraan toe dat indien het dictum van het arrest aldus verstaan moet worden, dat het strekt tot bekrachtiging van het in dit geding tussen Net en de faillissementscurator van Nedfield uitgesproken vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2023, het arrest niet kan standhouden, gezien de overige klachten van het middel.
Het dictum van een uitspraak moet worden gelezen in het licht van de overwegingen waarop het berust. In het licht van de overwegingen van het bestreden arrest, strekt het dictum onmiskenbaar tot het bekrachtigen van het bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2023. Het moet dan ook aldus worden verstaan, zoals onderdeel 5.2 terecht veronderstelt. Wat betreft de datum, heeft het hof dit bij zijn herstelarrest van 11 februari 2025 al tot uitdrukking gebracht, maar het heeft daarbij klaarblijkelijk de onjuiste aanduiding van de rechtbank over het hoofd gezien. Nu het dictum van het bestreden arrest aldus verbeterd moet worden gelezen, mist onderdeel 5.1 feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.
Onderdeel 5.2 berust op de veronderstelling dat andere onderdelen van het middel slagen en mist dus zelfstandige betekenis.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verstaat dat in het dictum van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 oktober 2024, zoals hersteld bij arrest van 11 februari 2025, in plaats van “de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden” moet worden gelezen “de rechtbank Amsterdam”;
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Net in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 375,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Net deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 februari 2026.