HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00485
Datum 27 februari 2026
ARREST
In de zaak van
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Den Haag,
EISERES tot cassatie,
hierna: Nationale-Nederlanden,
advocaat: M.S. van der Keur,
tegen
[de verzekerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de verzekerde] ,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/625912/ HA ZA 22-217 van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2022 en 25 januari 2023;
b. het arrest in de zaak 200.326.259/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 november 2024.
Nationale-Nederlanden heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de verzekerde] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie gaat deze zaak over de vraag of Nationale-Nederlanden de verzekeringnemer binnen de termijn van twee maanden bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW erop heeft gewezen dat hij bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn mededelingsplicht heeft geschonden.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de verzekerde] is enig aandeelhouder en bestuurder van een uitzendbureau. Hij heeft een aangeboren rugafwijking.
(ii) Eind 2013 heeft [de verzekerde] via zijn verzekeringstussenpersoon bij een rechtsvoorganger van Nationale-Nederlanden een aanvraag gedaan voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de verzekering).
(iii) In de gezondheidsverklaring die bij de aanvraag behoorde, heeft [de verzekerde] een vraag naar onder meer rugklachten en rugpijn ontkennend beantwoord. Tijdens een algemene medische keuring in opdracht van Nationale-Nederlanden heeft [de verzekerde] onder meer ontkennend geantwoord op de vraag of hij lijdt of heeft geleden aan rugklachten, spit, hernia, ischias of kromme rug.
(iv) De verzekering is afgesloten per 1 mei 2014.
(v) Per 31 augustus 2020 heeft [de verzekerde] zich arbeidsongeschikt gemeld bij Nationale-Nederlanden in verband met rug- en nekklachten en een beroep gedaan op uitkering op grond van de verzekering.
(vi) Op 20 oktober 2020 heeft de huisarts van [de verzekerde] de journaalregels betreffende [de verzekerde] aan Nationale-Nederlanden gezonden.
(vii) Op 22 oktober 2020 heeft Nationale-Nederlanden aan [de verzekerde] laten weten dat, hoewel de arbeidsdeskundige hem voor 80-100% arbeidsongeschikt acht, zijn recht op een uitkering volgens de polisvoorwaarden nog niet beoordeeld kan worden omdat advies van de medisch adviseur wordt afgewacht.
(viii) Nationale-Nederlanden heeft op 5 november 2020 aan [de verzekerde] bericht dat naar voren is gekomen dat hij eerder medische klachten heeft gehad die niet zijn opgegeven bij het aanvragen van de verzekering en heeft in verband hiermee een nader onderzoek door een medisch adviseur aangekondigd.
(ix) Op 19 februari 2021 heeft Nationale-Nederlanden een brief ontvangen van [de orthopedisch chirurg] (hierna: de orthopedisch chirurg), gericht aan de medisch adviseur van Nationale-Nederlanden. In de brief doet de orthopedisch chirurg verslag van een consult dat [de verzekerde] bij hem heeft gehad op 15 juni 2012 en van een of meer eerdere consulten bij een collega orthopedisch chirurg. De orthopedisch chirurg concludeert in deze brief dat sprake is van chronische rugklachten op basis van congenitale kyphoscoliose.
(x) Bij e-mail van 25 maart 2021 heeft Nationale-Nederlanden [de verzekerde] gewezen op de discrepantie tussen zijn opgave bij de aanvraag van de verzekering en de ontvangen medische informatie. Gelet hierop heeft [de verzekerde] volgens Nationale-Nederlanden niet voldaan aan zijn mededelingsplicht en Nationale-Nederlanden heeft [de verzekerde] gewezen op de mogelijke gevolgen hiervan. Om het onderzoek goed te kunnen afronden, heeft Nationale-Nederlanden voorts [de verzekerde] gevraagd een aantal aanvullende vragen te beantwoorden.
(xi) Op die aanvullende vragen heeft [de verzekerde] op 20 april 2021 inhoudelijk gereageerd.
(xii) Bij brief van 29 april 2021 heeft Nationale-Nederlanden, onder verwijzing naar een bijgesloten advies van haar medisch adviseur van 3 maart 2021, aan [de verzekerde] laten weten (a) dat de medisch adviseur zou hebben geadviseerd om een beperkende bepaling op te nemen indien hij bij de aanvraag van de verzekering op de hoogte was geweest van de terugkerende rugklachten in combinatie met de aangetoonde afwijkingen aan de rug van [de verzekerde] , (b) dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat [de verzekerde] bij de aanvraag van de verzekering bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met als doel een verzekering af te sluiten waarvan hij wist dat deze bij de ware kennis van zaken niet of niet op dezelfde wijze tot stand zou zijn gekomen, en (c) dat geen recht op uitkering bestaat, dat de verzekering wordt opgezegd en dat de gegevens van [de verzekerde] worden opgenomen in diverse registers.
In dit geding vordert [de verzekerde] onder meer een verklaring voor recht dat Nationale-Nederlanden ten onrechte de verzekering heeft opgezegd en veroordeling van Nationale-Nederlanden om tot uitkering over te gaan. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft
- voor recht verklaard dat Nationale-Nederlanden is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst door zonder voldaan te hebben aan haar kennisgevingsplicht uitkering te weigeren en de verzekering ten onrechte op te zeggen;
- Nationale-Nederlanden bevolen om binnen vier maanden de mate van arbeidsongeschiktheid van [de verzekerde] (alsnog) te laten vaststellen;
- Nationale-Nederlanden veroordeeld tot voldoening van de uitkeringen die overeenkomen met de mate en duur van arbeidsongeschiktheid.
Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:
“6.19. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [de verzekerde] zijn mededelingsplicht jegens Nationale Nederlanden heeft geschonden.
De rechtsgevolgen van de schending van de mededelingsplicht
Primair is Nationale Nederlanden van mening dat zij in het geheel geen uitkering verschuldigd is, en dat zij de verzekering per direct mocht opzeggen, omdat sprake is van opzet tot misleiding in de zin van artikel 7:930 lid 5 in verbinding met artikel 7:929 lid 2 BW.
Subsidiair stelt Nationale Nederlanden zich op het standpunt dat, zelfs indien geen sprake zou zijn van opzet tot misleiding, zij bij kennis van de ware stand van zaken een (beperkende) clausule zou hebben opgenomen in de polisvoorwaarden voor de gehele wervelkolom, waardoor zij ingevolge artikel 7:930 lid 3 BW slechts een uitkering aan [de verzekerde] verschuldigd zou zijn als ware deze beperkende voorwaarde in de overeenkomst opgenomen.
Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat niet is voldaan aan de mededelingsplicht, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Het hof overweegt dat Nationale Nederlanden, die op dit punt de stelplicht en bewijslast heeft, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig aan haar kennisgevingsplicht heeft voldaan, en overweegt hiertoe het volgende.
Om te kunnen spreken van ‘ontdekking’ van het niet voldoen aan de mededelingsplicht (in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW), zoals in dit geval vereist, is een vermoeden van de verzekeraar dat sprake is van een schending van de mededelingsplicht niet voldoende. Nodig is dat de verzekeraar daaromtrent een voldoende mate van zekerheid heeft. De termijn gaat pas lopen als de verzekeraar, al dan niet na het doen van nader onderzoek, voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer zijn of haar mededelingsplicht niet is nagekomen.
(…)
Naar het oordeel van het hof kan uit de stellingen van Nationale Nederlanden niet worden geconcludeerd dat [de verzekerde] de brief van 29 april 2021 heeft ontvangen binnen de termijn van twee maanden nadat Nationale Nederlanden voldoende zekerheid had over de niet nakoming van de mededelingsplicht. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Nationale Nederlanden heeft onweersproken gesteld dat de brief van [de orthopedisch chirurg] op 19 februari 2021 door haar is ontvangen en dat die brief de voor haar doorslaggevende informatie bevatte. Nationale Nederlanden stelt, zonder nadere toelichting, dat de medisch adviseur vervolgens op de hoogte is geraakt van de inhoud daarvan op 1 maart 2021, waardoor zij deze datum aanmerkt als het moment van ontdekking. Het hof begrijpt uit deze stellingen van Nationale Nederlanden dat zij uitgaat van een subjectief moment van ontdekking. Het hof volgt Nationale Nederlanden niet in dit standpunt. Naar het oordeel van het hof is doorslaggevend op welk moment Nationale Nederlanden de brief van [de orthopedisch chirurg] heeft ontvangen, en niet op welk moment (de medisch adviseur van) Nationale Nederlanden van de inhoud ervan kennis heeft genomen. Van Nationale Nederlanden mocht in dit geval worden verwacht dat zij als verzekeraar in de gaten zou hebben gehouden wanneer de relevante medische informatie werd ontvangen, om er vervolgens zorg voor te dragen dat de afhandeling voorspoedig zou verlopen. Nationale Nederlanden heeft de medische gegevens immers zelf opgevraagd met als doel het (tijdig) kunnen vaststellen van het (al dan niet) schenden van de mededelingsplicht door [de verzekerde] ; zij is dus niet bij toeval op deze informatie gestuit. Dat de medisch adviseur pas op 1 maart 2021 van de inhoud van de brief van [de orthopedisch chirurg] kennis heeft genomen, komt voor risico van Nationale Nederlanden, waarbij het hof opmerkt dat Nationale Nederlanden ook na 1 maart 2021 nog voldoende tijd had om [de verzekerde] binnen de twee maanden termijn te berichten. In dit geval is niet gebleken – en daartoe heeft Nationale Nederlanden ook geen concrete stellingen ingenomen – dat van haar onder de gegeven omstandigheden niet kon worden verwacht zich binnen twee maanden na ontvangst van de informatie (dus na 19 februari 2021) een beeld te vormen over de vraag of, en zo ja welke, gevolgen zij wilde verbinden aan de door haar geconstateerde schending van de mededelingsplicht door [de verzekerde] . Dat betekent dat Nationale Nederlanden uiterlijk op 19 april 2021 schriftelijk had behoren kenbaar te maken aan [de verzekerde] welke gevolgen zij verbond aan het niet nakomen van zijn mededelingsplicht.
Dat Nationale Nederlanden op dat moment nog in afwachting was van een reactie van [de verzekerde] op haar e-mail van 25 maart 2021, die pas volgde op 20 april 2021, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien Nationale Nederlanden zelf heeft gesteld dat zij met de brief van [de orthopedisch chirurg] een voldoende mate van zekerheid had over de niet nakoming van de mededelingsplicht door [de verzekerde] .
- conclusie: Nationale Nederlanden heeft niet tijdig voldaan aan haar kennisgevingsplicht
Dit alles leidt tot de conclusie dat Nationale Nederlanden [de verzekerde] niet binnen twee maanden na de ontdekking van de schending van de mededelingsplicht heeft bericht dat zij zich hierop beriep en welke gevolgen zij daaraan verbond. Dit leidt ertoe dat Nationale Nederlanden geen gevolgen kan verbinden aan de door haar geconstateerde schending van de mededelingsplicht en/of opzet tot misleiding, zoals opzegging van de verzekeringsovereenkomst en/of bij het bepalen van het recht op uitkering rekening houden met een beperkende voorwaarde wat betreft de wervelkolom. Nationale Nederlanden is gehouden dekking te verlenen onder de door [de verzekerde] afgesloten verzekeringspolissen (waarbij [de verzekerde] gehouden was en is om premie te betalen aan Nationale Nederlanden).”
3. Beoordeling van het middel
De onderdelen 3 en 5 van het middel bestrijden het oordeel van het hof in rov. 6.25 dat het moment waarop (de medisch adviseur van) Nationale-Nederlanden de brief van de orthopedisch chirurg ontving, moet worden aangemerkt als het moment waarop Nationale-Nederlanden de schending van de mededelingsplicht door [de verzekerde] heeft ontdekt. De onderdelen klagen onder meer dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat een verzekeraar in beginsel een redelijke termijn moet hebben om (opgevraagde en) ontvangen informatie te laten bestuderen en beoordelen en omdat de medisch adviseur van de verzekeraar en de verzekeraar zelf van elkaar te onderscheiden zijn nu de verzekeraar zelf geen kennis kan nemen van medische informatie en de medisch adviseur niet bevoegd is om verzwijging te constateren.
De verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (art. 7:928 lid 1 BW). De verzekeraar die ontdekt dat aan deze mededelingsplicht niet is voldaan, kan de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (art. 7:929 lid 1 BW).
De in art. 7:929 lid 1 BW genoemde vervaltermijn van twee maanden gaat pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen.
Indien de verzekeraar aanwijzingen heeft dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen bij de totstandkoming van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, kan de verzekeraar, ter verkrijging van voldoende zekerheid daarover, nader onderzoek laten verrichten. Als dat onderzoek betrekking heeft op medische gegevens en bij het onderzoek een medisch adviseur is betrokken, kan, mede gelet op het beroepsgeheim van de medisch adviseur, het moment waarop de medisch adviseur informatie ontvangt in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW. Als uitgangspunt geldt dat in zodanig geval de verzekeraar pas nadat de medisch adviseur zijn advies aan hem heeft uitgebracht, kan beoordelen in hoeverre de opgave door de verzekeringnemer vóór het sluiten van de overeenkomst, beantwoordt aan hetgeen de verzekeringnemer toen verplicht was mede te delen aan de verzekeraar. De termijn van art. 7:929 lid 1 BW vangt dan aan op het moment dat de verzekeraar die beoordeling met gepaste voortvarendheid heeft kunnen uitvoeren.
Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat Nationale-Nederlanden de schending van de mededelingsplicht heeft ontdekt op het moment van ontvangst op 19 februari 2021 van de brief van de orthopedisch chirurg gericht aan de medisch adviseur van Nationale-Nederlanden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klachten slagen dus.
Onderdeel 6 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.25 en 6.27 dat Nationale-Nederlanden [de verzekerde] niet binnen twee maanden na de ontdekking van de schending van de mededelingsplicht heeft bericht dat zij zich hierop beriep en welke gevolgen zij daaraan verbond, ook onjuist of onbegrijpelijk is indien wel moet worden aangenomen dat Nationale-Nederlanden op 19 februari 2021 de verzwijging zou hebben ontdekt.
Onderdeel 6.2 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof ervan uitgaat dat de verzekeraar binnen de termijn van twee maanden aan de verzekeringnemer moet meedelen welke gevolgen hij verbindt aan de niet nakoming van de mededelingsplicht, terwijl art. 7:929 lid 1 BW slechts inhoudt dat de verzekeraar de mogelijke gevolgen moet vermelden.
Onderdeel 6.3 betoogt dat, als het hof niet is uitgegaan van de met onderdeel 6.2 bestreden rechtsopvatting, het oordeel van het hof dat Nationale-Nederlanden niet vóór 19 april 2021 [de verzekerde] heeft gewezen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht onder vermelding van de mogelijke gevolgen, onbegrijpelijk is in het licht van de e-mail van Nationale-Nederlanden aan [de verzekerde] van 25 maart 2021, waarin Nationale-Nederlanden het standpunt heeft ingenomen dat [de verzekerde] niet heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht en [de verzekerde] heeft gewezen op de mogelijke gevolgen hiervan (zie hiervoor in 2.2 onder (x)).
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien in zijn oordeel in rov. 6.25 en 6.27 dat Nationale-Nederlanden niet tijdig aan [de verzekerde] heeft laten weten welke gevolgen zij verbond aan de schending van de mededelingsplicht, besloten ligt dat de in art. 7:929 lid 1 BW bedoelde kennisgeving moet inhouden welke gevolgen de verzekeraar verbindt aan schending van de mededelingsplicht. Art. 7:929 lid 1 BW bepaalt immers dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking wijst op de niet-nakoming onder vermelding van de mogelijke gevolgen.
Onderdeel 6.3 wijst er terecht op dat het hof in rov. 3.15 heeft vastgesteld dat Nationale-Nederlanden bij e-mail van 25 maart 2021 [de verzekerde] heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van het schenden van de mededelingsplicht. Ook indien het hof niet is uitgegaan van de hiervoor genoemde onjuiste rechtsopvatting, is zijn oordeel dat Nationale-Nederlanden niet binnen twee maanden na 19 februari 2025 heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht van art. 7:929 lid 1 BW daarom onbegrijpelijk.
In zoverre slagen de hiervoor in 3.2.1 genoemde klachten.
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 november 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [de verzekerde] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 1.050,45 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de verzekerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 februari 2026.