ECLI:NL:HR:2026:323

ECLI:NL:HR:2026:323

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 25/00323
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:1289

Samenvatting

Verplichte zorg (art. 2:1 lid 9 Wvggz; art. 7:1 lid 1 Wvggz, art. 8:11 Wvggz, art. 8:12 Wvggz). Wijziging machtiging tot voortzetting crisismaatregel; actuele situatie ten tijde van uitspraak tot wijziging. Separeren (insluiten) als vorm van verplichte zorg bij kinderen en jeugdigen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 25/00323

Datum 27 februari 2026

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: M.A.M. Wagemakers,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-BRABANT,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naarde beschikking in de zaak C/01/410931 / FA RK 24-5119 van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2024, verbeterd bij beschikking van 14 januari 2025.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Ten aanzien van betrokkene heeft de burgemeester van de gemeente Vught in december 2024 een crisismaatregel genomen voor de volgende vormen van verplichte zorg:

- Beperken van de bewegingsvrijheid;

- Insluiten;

- Uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- Opnemen in een accommodatie.

(ii) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de crisismaatregel, voor de in de crisismaatregel opgenomen vormen van verplichte zorg.

(iii) De rechtbank heeft op 10 december 2024 een machtiging verleend tot voortzetting van de crisismaatregel voor de duur van drie weken voor de volgende vormen van verplichte zorg:

- Beperken van de bewegingsvrijheid;

- Uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- Opnemen in een accommodatie.

De vorm van verplichte zorg ‘insluiten’ heeft de rechtbank afgewezen.

In dit geding heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de (hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde) machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel aldus te wijzigen, dat de vorm van verplichte zorg ‘insluiten’ wordt toegevoegd. In de verkorte medische verklaring van de onafhankelijk psychiater die met het oog op het wijzigingsverzoek is opgesteld, is onder meer het volgende vermeld:

“Bevindingen onafhankelijk psychiater:

Er is bij betrokkene sprake van verstoorde emotieregulatie vanuit bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en trauma danwel vanuit autismespectrum problematiek. Betrokkene geeft in het gesprek met mij aan dat ze auditieve hallucinaties heeft. Ze hoort meerdere stemmen die haar zeggen dat ze zichzelf van het leven moet beroven en dat het haar wel zal lukken zichzelf te doden.

(…)

Daarom acht ik het nu noodzakelijk en proportioneel om haar in te sluiten. Hiermee wenden we het gevaar, zelfdoding, af.”

Op 18 december 2024 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die mondelinge behandeling vermeldt onder meer:

“[behandelend psychiater:]

(…) Het gaat naar omstandigheden goed. Ze verblijft nu voor de achtste dag in de separeer, zo goed gaat het dus nog niet.

(…)

Rechter:

Wat is er met [betrokkene] aan de hand?

[behandelend psychiater:]

De korte versie is dat we twijfelen of het gedrag van [betrokkene] voortkomt uit een psychiatrische stoornis. (…)

(…)

[behandelend psychiater:]

(…) In oktober 2024 is er een crisismaatregel afgegeven en dat is toen verlengd. We moesten goed uitzoeken wat er aan de hand was en of het een stoornis was of gedrag. Toen werd gedacht dat ze niet binnen de GGZ moest worden behandeld. (…) Er is een plek buiten huis gevonden voor [betrokkene], daar kon worden toegewerkt naar behandeling. Daar was ze ver in mee gegaan, toen was de crisismaatregel afgelopen, maar de dag dat ze erheen zou gaan wilde ze weer niet. Dit was begin december. Toen ging ze weer in verzet: schoppen en suïcidaal uiten. Toen is de crisismaatregel afgegeven en is er overleg geweest met spoedjeugdzorg, want nu werd het oneigenlijk opgelost via de Wvggz. (…)

(…)

Rechter:

Is gesloten jeugdhulp een optie?

[behandelend psychiater:]

(…) Gesloten jeugdhulp is misschien een betere omgeving, omdat het voor langer is en met een pedagogische insteek. De gemeente moet dat aanvragen en dat gaat traag. In termen van de Wvggz is er geen psychiatrische stoornis. (…)

Rechter:

Ik ben hier voor de aanpassing van de voortzetting crisismaatregel en niet voor de rest. De voortzetting crisismaatregel is de basis.

[behandelend psychiater:]

Ik wil de wijziging toch verzoeken. Als we de vorm ‘insluiten’ niet mogen toepassen, hebben we een probleem. We zitten wel met de situatie. Ik vind dus ook dat er geen zorgmachtiging moet worden gevraagd.

De advocaat van [betrokkene]:

Hoe kan de voortzetting crisismaatregel gewijzigd worden als de basis er niet is?

(…)

Rechter:

Ik snap wel dat u zegt dat er mogelijk geen psychische stoornis is.

[behandelend psychiater:]

Ja dat klopt, in de zin van de wet.

(…)

[behandelend psychiater:]

Maar er is nu een probleem. Ik verzoek wel wijziging van de voortzetting crisismaatregel en het opleggen van ‘insluiten’ als vorm van verplichte zorg. (…)

(…)

Rechter doet uitspraak:

Ik ga het verzoek tot wijziging van de voortzetting crisismaatregel wel toewijzen. Het is belangrijk dat de insluiting een juridische basis krijgt. Het is bovendien een wijziging in het kader van de beslissing tot voortzetting crisismaatregel die al is genomen op basis van Wvggz. Deze wijziging past binnen de juridische maatregel die er al ligt. Ik hoor de advocaat zeggen dat die eerdere beslissing niet rechtmatig is.”

De rechtbank heeft de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel gewijzigd, aldus dat naast de bij die machtiging toegestane vormen van verplichte zorg ook ‘insluiten’ als maatregel kan worden getroffen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.2. De advocaat van [betrokkene] heeft bepleit dat een wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel niet mogelijk is, nu die beslissing niet op de juiste grond is genomen en dus onrechtmatig is. Er zou namelijk geen sprake zijn van een psychische stoornis, waardoor de Wvggz niet van toepassing zou zijn. De rechter gaat niet mee in dit standpunt van de advocaat, nu de primaire beslissing tot voortzetting van de crisismaatregel niet voorligt. Om de rechtmatigheid van deze maatregel te toetsen, ligt een andere wettelijke voorziening voor. Nu de rechter niet gaat over de rechtmatigheid van deze beslissing, is het mogelijk te beslissen op het verzoek tot wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat sprake is van een (dreigende) noodsituatie als bedoeld in artikel 8:11 Wvggz. [Betrokkene] maakt suïcidale plannen en brengt ze tot uitvoering wat gevaar voor haar leven oplevert. De afgelopen week was verblijf op de afdeling niet veilig en is [betrokkene] fysiek agressief geweest naar haar moeder en naar een verpleegkundige. Zij heeft daarnaast meerdere strangulatiepogingen gedaan. [Betrokkene] is daarom onder nood ingesloten in de separeer. Pogingen haar toe te laten tot de afdeling zijn kortdurend goed verlopen maar leidden vervolgens weer tot een strangulatiepoging.

Om deze noodsituatie af te wenden, heeft [betrokkene] zorg nodig.

(…)

Daarom is de volgende vorm van verplichte zorg aanvullend nodig:

- insluiten.

(…)

Gelet op het voorgaande is met de voorgestelde wijziging voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen, aldus dat de hierna genoemde vormen van verplichte zorg gelden:

- het beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- opnemen in een accommodatie.”

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel 1 van het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte of zonder toereikende motivering het verzoek tot wijziging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel heeft toegewezen, aangezien geen sprake is van een vermoeden van een psychische stoornis. Het onderdeel klaagt voorts dat de rechtbank niet voorbij had mogen gaan aan het daarop gerichte verweer van de advocaat van betrokkene op de grond dat de primaire beslissing tot voortzetting van de crisismaatregel niet voorligt en dat voor de toetsing van deze maatregel een andere wettelijke voorziening voorhanden is.

De burgemeester kan op grond van art. 7:1 lid 1 Wvggz ten aanzien van een persoon die zich in zijn gemeente bevindt een crisismaatregel nemen, indien:

a. er onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is;

b. er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van een persoon als gevolg van een psychische stoornis dit dreigend ernstig nadeel veroorzaakt;

c. met de crisismaatregel het ernstig nadeel kan worden weggenomen;

d. de crisissituatie dermate ernstig is dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht; en

e. er verzet is als bedoeld in art. 1:4 Wvggz tegen zorg.

De rechter kan slechts een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel verlenen indien aan de hiervoor in 3.1.2 genoemde voorwaarden is voldaan.

Art. 8:11 Wvggz houdt, voor zover hier van belang, in dat als de door de rechter verleende machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel niet voorziet in een bepaalde vorm of bepaalde vormen van verplichte zorg, de zorgverantwoordelijke kan beslissen tot het verlenen van die verplichte zorg indien er bij de betrokkene sprake is van verzet en voor zover dit tijdelijk ter afwending van een noodsituatie noodzakelijk is, gelet op:

a. ernstig nadeel,

b. de veiligheid binnen de accommodatie of andere locatie waar de zorg of verplichte zorg wordt verleend,

c. de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, of

d. de voorkoming van strafbare feiten.

De duur van die tijdelijke verplichte zorg is maximaal drie dagen (art. 8:12 lid 1 Wvggz). Na afloop van die periode kan die zorg alleen worden voortgezet indien daarbij de weg van art. 8:12 leden 3-6 Wvggz wordt gevolgd.

Voor een wijziging van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op de voet van art. 8:12 Wvggz geldt – evenals voor het verlenen van de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel (zie hiervoor in 3.1.3) – dat de rechter deze slechts kan uitspreken indien op het moment van zijn uitspraak aan de hiervoor in 3.1.2 genoemde voorwaarden is voldaan. Bij de beoordeling of aan die voorwaarden is voldaan, dient de rechter de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene in aanmerking te nemen.

De rechtbank heeft niet vastgesteld dat er een ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis het dreigend ernstig nadeel veroorzaakt. Voor zover de rechtbank met haar overwegingen dat de primaire beslissing tot voortzetting van de crisismaatregel niet voorligt en zij niet gaat over de rechtmatigheid van deze beslissing, heeft bedoeld dat zij bij de beoordeling van het verzoek tot wijziging van de voortzetting van de crisismaatregel niet opnieuw behoefde te onderzoeken of (‘ex nunc’) voldaan is aan de hiervoor in 3.1.2 genoemde voorwaarden, is dat oordeel onjuist (zie hiervoor in 3.1.5). Voor zover de rechtbank stilzwijgend heeft geoordeeld dat sprake is van een ernstig vermoeden dat het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis het dreigend ernstig nadeel veroorzaakt, heeft zij dit oordeel in het licht van de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (zie hiervoor in 2.3), onvoldoende gemotiveerd.

Het onderdeel is dus gegrond.

Onderdeel 2 klaagt dat niet (voldoende) blijkt dat de rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van aanvullende zorgvuldigheidseisen als bedoeld in art. 2:1 lid 9 Wvggz, die gelden voor verplichte zorg bij kinderen en jeugdigen.

Art. 2:1 lid 9 Wvggz luidt:

“Bij de voorbereiding, de afgifte, de uitvoering, de wijziging en de beëindiging van verplichte zorg bij kinderen en jeugdigen worden zonodig aanvullende zorgvuldigheidseisen gesteld en de mogelijk nadelige effecten van de verplichte zorg op lange termijn op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van betrokkene en de deelname aan het maatschappelijk leven betrokken bij de beoordeling van de subsidiariteit, proportionaliteit, effectiviteit en veiligheid en indien mogelijk met terzake deskundigen besproken.”

Met art. 2:1 lid 9 Wvggz is beoogd de positie van kinderen en jeugdigen in de verplichte geestelijke gezondheidszorg te verbeteren. Daarbij heeft de wetgever in het bijzonder de aandacht gevestigd op en zorgen geuit over de effecten van separeren als vorm van verplichte zorg bij kinderen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter die een verzoek beoordeelt tot verlening van een machtiging voor verplichte zorg, moet nagaan of de extra zorgvuldigheidseisen en uitgangspunten van art. 2:1 Wvggz in acht zijn genomen. Uit een en ander volgt dat de rechter in een geval als dit, waarin de verzochte machtiging betrekking heeft op het separeren (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, hiervoor in 2.3) van een minderjarige, ambtshalve dient te beoordelen of aanvullende zorgvuldigheidseisen moeten worden gesteld bij het toepassen van deze vorm van verplichte zorg, dan wel of daaraan beperkingen in duur moeten worden gesteld of dat minder ingrijpende vormen van insluiten dan separeren kunnen worden toegepast. De rechter dient in zijn motivering ervan blijk te geven dat hij deze beoordeling heeft uitgevoerd.

Uit de beschikking van de rechtbank blijkt niet dat de rechter de hiervoor in 3.2.3 bedoelde beoordeling heeft uitgevoerd. Het onderdeel slaagt derhalve.

De onderdelen 3 en 4 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2024;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?